De uivariaties

Langzaam was ook de verraste lach van het meisje aan het tafeltje naast mij in de lucht opgelost. Haar neus golfde als een Arabische heuvelrug, haar knie ving zilver tegenlicht. Ook zij was voor een ogenblik onweerstaanbaar geraakt door dat dwaze vogeltje. Misschien zou ze zich, wanneer ze weer eens in haar eigen woestijn liep, juist dat geringe Amsterdamse moment herinneren. Wat mij ervan weerhield hem ook de rest van het brood achterna te smijten. Een nog potsierlijker karakter dan het mijne zou dat zeker hebben gedaan. Alleen ben ik nog van de generatie die de regel ingepeperd is dat er met brood niet gespot, laat staan gegooid mag worden. Bovendien had ik mijn geluksoverhemd aan. Het gentiaankleurige, met de gerafelde manchetten. Dan telt elke slechte daad dubbel. Vogelmans draaide even het kopje opzij, één keer maar. Om te kijken of Hans Redeker in de buurt was. Voor deskundig commentaar. «Broderig tympanoïde», zou die gezegd hebben. «Invloeden van Vilmosz Huzar, een vleugje maar toch onmiskenbaar.» Ik, ik voor mij, ik hield die allmighty sparrow veel meer voor een leerling van Niermeyer, Theo. Hetzelfde bescheiden aplomb, gemengd met geometrisch doordenken. Natuurlijke materialen. Weer en wind. Wie weet, misschien was deze zo plastisch angehauchte flierefluiter (de vonk spatte over voor ik hem kon doven) wel een afsplitsing van Theo. Ik zag de vogelhersentjes malen. Wat is er hoger, wijzer ook wellicht, dan het reeds volmaakte onaangeraakt te laten? De spanning steeg. Kleine Theo bleef nog een volle minuut zitten. Naast zijn jongste schepping. Vloog toen weg. Om het thuis te vertellen. Ik overwoog een lachfilm te gaan zien. Zag daar van af. Om alles wat op zo'n moment ter zake doet.