De uivariaties

De uivariaties

Het was een geanimeerde bijeenkomst. Zodat ik, inmiddels enig overgewicht aan rode wijn mee torsend, er toe kwam de mensheid te verdelen in uitbreiders en samenballers. Klonk goed.

Ik ben zo'n samenballer. Vandaar het volgende: je reist een beetje. Soms heen en soms weer. In de Provence kom je Alberto tegen. Alberto Giacometti.

Je kijkt naar De Neus, De Kat en De Hond. Je fotografeert iemand die naar de hond kijkt. De lopende hond.

Die man staat na te denken over die hond, dat zie je.

In Parijs zijn (veel later) kleine plastieken te zien van Giacometti. Ze staan ver weg. Meer dan silhouetten van muizen in mensengedaanten zijn het niet.

Ik hou Giacometti scherp in de gaten. Tot en met de foto’s van hem gemaakt.

Is de mooiste niet die waar hij de straat oversteekt? Met zijn jas over zijn hoofd tegen de regen? In de richting van de lens van de camera van Henri Cartier-Bresson?

Of die foto met zijn moeder waarop je ziet dat ze allebei dezelfde neus hebben? Zo mooi als De Neus in de Provence, maar helemaal anders.

Ook als ik wel eens naar een hond keek zag ik die hond van Giacometti.

Had ik niet wanneer ik naar een appel keek. Nog nooit een door Giacometti gemaakte appel gezien. Nu wel. In een boek dat al heel lang in de kast stond. Maar steeds over het hoofd gezien, die appel. Hij ligt op een kastje. Op een schilderij uit 1937. De appel die nu de appel van G. is.

Overigens, in 1946 tekende hij tien appelen tegelijk. Toen Cartier-Bresson in1960 bij hem op bezoek was lagen er elf appelen op tafel. Op een schilderij uit 1950 zie je op vierpotig krukje drie rode appelen liggen.

Tot zover de appelen van G. Appelen van alle anderen komen ook nog aan de beurt.

Dit nog. In 1913 schilderde de twaalfjarige Alberto zijn allereerste stilleven: drie appelen.