De uivariaties

De uivariaties

Klein leeg terras aan het oostelijk havenwater. Zon. Rieten stoelen zoals je kent uit Parijs. Italiaans achtig brood en espresso.

Op dat moment komt er nog een mens aanlopen. Het praat. Helaas niet in zichzelf; dan hoor je nog wel eens wat leuks. Maar in een soort handvatje, in de buurt van zijn oororgaan.

Zijn woorden vallen als noodlandende botte messen over mij heen. Ik praat maar wat mee: «Zo denk ik er ook over» en «Lijkt mij niet nodig, omdat we er daar al genoeg van hebben.» Man, met bewust kaal hoofd en ook onbehaarde bril, zegt: «Schatje, ik ben om half twee thuis en dan gaan we wilde dingen doen.» Prullenbak omschoppen, veronderstel ik. Veronderstel in één moeite door dat hij zoon van bekend bastaardfilosoof is, even kaal en behept met zelfde mussenmondje, zelfde mussentaal. Vanuit mijn verte spreek ik de man aan en zeg dat mijn praten onderdeel is van een experiment, een onderzoek naar het teveel aan woorden in de buitenlucht. De man antwoordt, beleefd overigens, dat ik oud ben en ouderwets. Ik beaam dit, maar voeg eraan toe dat ik daar recht op heb. Hij heeft een hond, met een Lassiehoofd. Beetje ouderwetse hond eigenlijk. Hij probeert een ander nummer te bellen, hond ook. Beiden geen gehoor. Intussen aan het eind van mijn focaccia waarin zowel pastrami als zuurkool geklemd lag, aangestipt met honing en tijm, zoals Poppaea Sabina ook het liefst had.

Een voor een propte ik de sla bladen, die in een bijpassende kom daarop lagen te wachten, in mijn mond. De sla is subtiel voorzien van olie en azijn. Daar houd ik wel van.

Man brengt zijn lege bord naar binnen en langs de huizenkant vervolgden zij hun weg naar half twee. Hond en man vertonen beiden een nerveus kontje. Dat zie je wel vaker tegenwoordig. Toen de tijd daar was, ging ik eveneens. Op de toog zag ik een fles wijn staan, op het etiket de naam Plankenhout. Ik nam mij voor daar binnenkort een glas van te drinken.