De uivariaties

De uivariaties

Zeg herfst tegen een alledaags dichter en hij valt flauw. Uit vrije wil.

Want op de herfst mag je niet neerzien. Dat staat in hun gedichten. Was dat niet het weinig olijke seizoen waarin schaduwen wegvluchten als krabben, strenge gedachten hun vaste kamer in mijn grijs herbarium reserveren en wildvreemde spinnen elkaar nog beter in de gaten houden?

Je kunt beter de beste fles Vacqueras aanslaan en je terugtrekken in een prikkelende fauteuil met Dujardin tussen de naakte vingers. «Les lauriers sont coupés», of iets anders in dat genre.

De eveneens actuele kweepeer kruipt, door stijfkoppige stoofdrang gedreven, gemakzuchtig naderbij. Vruchten met heupen, maar peren zijn het niet. Een kweepeer laat zich niet makkelijk nemen. Beschermt zich door een beschrijving die rept van zijn enthousiast tanninegehalte. Zit ze hoog tussen de sleutelbeenderen. Je bedwingt het met honing en zure wijn.

Waarvan je er altijd al te veel in huis had.

In Frankfurt hangt de jaarlijkse mist van boeken al in de lucht. Eerder mocht ik constateren dat het uitbotten der inktzwam geheel toevallig daarmee samenvalt. Hoewel het hier toch een ontoevallig jaargetij betreft.

Inktzwammen. Je hebt er een gespecialiseerde volijverige paddenstoelenvinder voor nodig. Elk jaar weer taal ik naar deze pseudonieme zwam. Ooit sneed ik er één door. Onbeschrijfelijk wit in witte doorsnee. Onbeschreven wit. Ze zeggen dat je je inktzwam in je omelet moet gooien. Anderen zeggen dat niet, maar doen het. Met wat van de platste peterselie. Alleen, wie bakt er nog een omelet?

De houterige herfst is niet compleet zonder de vitale vijg. Vandaar die laatste vermaning aan voornoemde flauwe dichter. Collega Philemon lachte zich dood, lang voor Christus, toen hij een klein grauw ezeltje een verse vijg zag opeten die hij zichzelf had toegedacht.

Een wijze lach was dat. Vergeet ten slotte, zelfs in oktober, het eenzame laatste meiraapje niet. Altijd bereid tot puree.