De uivariaties

De uivariaties

«Ze kon niet kussen. Zo gauw dat stond te gebeuren perste ze haar lippen bijna gewelddadig op elkaar, zodat je tegen een afgekloven tandenborstel aan kwam te staan. Dat, en het ook verder kleine bewegingloze lichaam, ondanks haar menselijkheid en volledig begrip, maakte dat ik eigenlijk liever de rest van de wijde wereld wilde zien. Waarop ik de eerste stap richting 2de Exloërmond zette.»

Het boek in het gras werpend gaf ik mij voor de zoveelste keer over aan niets. Uit het grote huis vol koele vloer tegels kwam geen enkel gerucht. De stilte was genadeloos.

Al duurde het maar drie seconden, toch nam een nieuwe waan bezit van mij. Elk ogenblik kon ik met tomaten worden bekogeld. Geen ansjovis in de buurt om het voor mij op te nemen.

De oude muur van Nièpce werd steeds meer rustplaats voor schaduw en vijfhonderd van zijn duizend nuances hadden al het veld geruimd. Mijn medegrasveldzitter verplaatste zijn stoel richting resterend zonlicht en ontdeed zich eveneens van zijn lectuur. Ik kon het niet meer tegenhouden en begon hem iets te vertellen over de lucide technicus Nicéphore en wat deze ervoer toen hij zijn eerste foto’s onder ogen kreeg.

Hij schreef het aan zijn broer Claude in Parijs, die daar lenzen voor hem liet slijpen en verder de boel op afstand een beetje bijstuurde.

Nièpce was heel blij met het behaalde resultaat, maar tegelijkertijd ook teleurgesteld. Hij fotografeerde een stilleven, en was verbaasd dat daarop ook minder frisse bloemen en zelfs een dood insect zichtbaar waren. Hij was zodanig gewend aan het oog van de schilder, die weglaat waar hij zin in heeft en verfraait waar hij het nodig acht, dat hij onbewust had verwacht dat er bij zijn proces ook wel een instantie aan het werk zou zijn die alleen het mooie wenste door te laten en het lelijke automatisch buitensloot. Nièpce ontdekte dat hij wel de fotografie had uitgevonden maar niet de fotograaf.