De uivariaties

De uivariaties

Is het gekocht, dan mag het binnenkomen. Al kan het nog zo veel angst aanjagen. Zoals de zwarte slang van twee meter lang, die de trap op sluipt en daarboven op minder toepasselijke momenten mijn slonzig netvlies binnendringt.

Een levend reptiel is tot daaraan toe. In mijn belager schuilt echter een morsdode bloedworst. Kronkelt up to no good door mijn voorstellingsvermogen.

Een worst die, zou hij kunnen nadenken, dient te beseffen dat hij zich in de pure tweedehands werkelijkheid, in delen van zowat zevenendertig centimeter, in een vak van de freezer bevindt. Maar worst noch verbeelding laat zich beteugelen, niet door het hakmes en al helemaal niet door grofstoffelijk vriesvak.

Het kwam zo.

Met sommige anderen, ik ken ze niet allen van gezicht, deel ik een dolle liefde voor bloedworst van over de grens. Verfijnde worst, iets dunner dan de luchtband om een vooroorlogse Fongersvelg, de vrome tint van ebbenhout en eventueel van het merk Ardenia. Vervolgens.

In België zeggen ze beuling. Tegen de bloedworst. Je kunt het zo gek niet bedenken of het bestaat en daar zag ik opnieuw het bewijs van. Je hebt hier een onmeetbaar grachtje, dat hebben ze Beulingsloot genoemd. Omdat het naast de Beulingstraat en minimaal verwijderd van de Dubbele Worststeeg loopt.

Daar vlakbij is een winkel waar mijn bloedworst over de toonbank gaat. Eens per decimeter. Maar opeens, en zoals dat gaat met opeens, was de gewone klant de slager niet ongewoon genoeg meer en zocht hij het in de hogere horecasfeer. Kun je hem alleen nog per twee meter kopen. Sindsdien meer bloedworst op het bord dan daarvoor. En slang op de trap.

Eens komt de dag, en er komt een eind aan die dag en kijk ik neer op de laatste vijfentwintig centimeter van de worst. Drijvend in eigen bloed. Hij ziet eruit als de pijnlijk duistere larve van de vlinder des doods. Of, laat ik het niet uit de weg gaan, de rimpelloze roede der rinoceros. Alles om op te eten.