De uivariaties

Is er iemand in de buurt die onder wisselende omstandigheden aan eigen voeten of vingers ruikt? Node onderbreek ik deze wekelijkse impasse. Voor een geslaagde vingerruiktip. Op de achtergrond fabulerende ruis. Alsof de pan vol zit met hardop slissende cedille’s – tijdens waarvan wij onszelf verzachten met een Spaanse wijn – in welks middelpunt een snuifje laurier, dat altijd weer aan Irving Penn doet denken – en gunnen de eeuwige ui vandaag uitstel van evoluerende executie (naar luim van de dag in drie- of zessnijding) – en bouwen voort op de veronderstelling dat het niet waarschijnlijk is dat Jacques Prévert de enige is die in dichtvorm over zijn eigen voeten heeft geschreven. Daar staat weer tegenover dat de precieze inhoud ervan in mijn eigen inhoud is zoekgeraakt. Een enkele scherf rommelt wat na: ‘C’est jolie les pieds.’ In vertaling is in dezelfde hoek van de hersenpan nog wat ander débris op te rapen. Zoiets als: 'Wanneer je uitgaat, gaan ze met je mee, maar wil je liever thuisblijven, dan doen zij dat heel gezellig ook.’ Van je herinnering moet je het maar hebben. Glissando van voet naar vingers. Via tenen. Uit dat seizoen waar ik het eerder over had. Omdat wij verlicht zijn. Mogen wij ook jonge knoflook eten. Wat ook vermengd met totale inhoud van bol jonge knoflook wordt smakelijk. Dat is wat wij, minder tot meer heimelijk, willen. Neem ergo vis, of nota bene vlees, of kip (sic?). Alles wordt van eetbaar in richting toppunt van genietbaar gestuwd na toevoeging van jonge knoflook. Niets anders jongs kan hier helpen. Geen regel van Kopland. Of zelfs de jonge Aafjes. Blijven wij daarnaast hopen dat in de toekomst aandacht wordt geschonken aan onbezonnen, pasgeboren wilde spinazie. Met even ongeremde olie.