De ultieme beach boy

Een krachtige jongen uit Hawaï met enorme handen en voeten verraste de wereld met zijn zwemprestaties. Duke Kahanamoku, sinds 1912 een aantal keren Olympisch zwemkampioen begenadigd kanovaarder, legendarisch surfer en mensenredder.

IN 1962 BEZOEKT John F. Kennedy Hawaï. Korzelig werkt hij zich langs een rij grijze politici. Hij geeft ze een hand en maakt verplichte praatjes, totdat hij aankomt bij een oude Hawaïaan, met donkere, sprekende ogen en grote handen. Een grijns verschijnt op het gezicht van de president en de twee mannen spreken lang en geanimeerd met elkaar. De oude man is Duke Paoa Kahina Mokoe Hulikohola Kahanamoku (1890-1968), de ultieme beach boy. ‘Ga zo ver als je wilt, wees nooit bang voor het water’, is de les die zijn moeder hem als kleine jongen meegeeft. Duke Kahanamoku junior - wiens gelijknamige vader is genoemd naar de Duke of Edinburgh, die in 1869 de eilandengroep bezoekt - leert zwemmen op de Hawaïaanse manier. Zijn vader en zijn oom nemen de kleine jongen mee in een kano en gooien hem in de branding. Het is spartelen of verzuipen. Duke houdt zijn hoofd boven water en begint aan zijn leven als held. En zoals het echte helden betaamt, laat hij in zijn tienerjaren de school voor wat die is. Kahanamoku sluit zich aan bij de jongens die zich iedere dag verzamelen onder een oude boom op het strand van Waikiki. Gezonde snaken van zout, zee en wind. Ze surfen, duiken, zwemmen, repareren netten, maken surfplanken en zingen natuurlijk. Kahanamoku is altijd de beste en wordt de natuurlijke leider van de groep. Hij rookt niet, drinkt niet en als hij al in een gevecht terechtkomt, is dat door anderen uitgelokt. Zelfs dan slaat hij niet met zijn vuisten, maar met de vlakke hand. Nooit verheft hij zijn stem. Hij gebruikt vooral zijn donkere ogen om zich uit te drukken, zoals Hawaïanen dat gewoon zijn te doen: 'Speak low and wear loud shirts.’ De Duke, zoals hij al snel wordt genoemd, is een bekende verschijning op de stranden van Waikiki. Een krachtige jongen met witte tanden, donkere haren en een bronzen huid. Wat echter het meest opvalt, zijn de enorme voeten en handen. Voor de grap gooit hij af en toe wat water naar iemand toe. Of er een emmer over je heen wordt leeggestort, zo herinneren de oude Hawaïanen zich. Door zijn bouw is Kahanamoku een uitzonderlijke zwemmer. Zijn slag is zo krachtig dat hij golven genereert waarop gesurft kan worden. Als hij in 1911 wordt aangemoedigd om mee te doen aan de HAAU (Hawaiian Amateur Athletic Union)-zwemwedstrijden in de haven van Honolulu, zwemt hij, tot ontsteltenis van de aanwezigen, de honderd yard (91 meter) vrije slag 5,4 seconden sneller dan iemand voor hem ooit gedaan heeft. Zes keer wordt de baan nagemeten. De resultaten van de wedstrijd worden naar het vasteland getelegrafeerd, maar de officials geloven die resultaten niet. Of ze soms een wekker hebben gebruikt in plaats van een stopwatch, wordt er spottend teruggetelegrafeerd. Dat een totaal onbekende jongen het belangrijkste wereldrecord aan gort zwemt in het zoute water van de Stille Oceaan wordt onmogelijk geacht. Het nieuwe wereldrecord wordt niet erkend. TOCH WEKT Kahanamoku de interesse. Hij wordt naar the mainland gehaald om een paar wedstrijden te zwemmen. (Hoewel Hawaï pas in 1959 als vijftigste staat wordt toegevoegd aan de Verenigde Staten, valt het gebied al langer onder de Amerikaanse vlag.) Kahanamoku krijgt op het vasteland al snel de bijnaam 'de menselijke vis’. Hij kwalificeert zich voor de Olympische spelen in Stockholm, waar hij echter in slaap valt als zijn rivalen zich klaarmaken voor de start van de 100 meter vrije slag. Gelukkig weet een juist op tijd ontwaakte Kahanamoku de officials te overreden om de start een paar minuten uit te stellen, zodat hij de gelegenheid heeft om zijn zwembroek aan te trekken. De Duke wint de wedstrijd, en uit handen van koning Gustaf ontvangt hij de gouden medaille. Op slag is Kahanamoku de meest bekende Hawaïaan. De medaille van 1912 is het begin van een mooie Olympische carrière, met drie gouden en twee zilveren medailles. Het topjaar is 1920 met twee keer goud (100 meter vrije slag, 200 meter estafette). De tweeëndertigjarige Kahanamoku wordt in 1924 in Parijs onttroond door zijn vriend Johnny-Tarzan-Weissmuller, die dan pas twintig is. Kahanamoku moet genoegen nemen met zilver. 'Tarzan was er voor nodig om me te verslaan’, grapt de Duke, die aanvankelijk weinig waarde hecht aan zijn Olympische successen. (In 1932 maakt Kahanamoku nog deel uit van de waterpoloploeg.) Hij beweert in een interview zelfs dat hij de medailles ooit bijna heeft weggegooid. HET VERHAAL van de vreemde Hawaïaanse superman trekt de aandacht van Hollywood, en vanaf 1913 pendelt Kahanamoku tussen Californië en Hawaï. Hij speelt in verscheidene films, zoals The Wake of the Red Witch, met als tegenspeler die andere Duke (John Wayne), en Mr. Roberts, met Henry Fonda. Kahanamoku speelt het opperhoofd, de Azteekse priester, de Arabische prins of de diefachtige Hindoestaan. 'Ik heb alle inboorlingen gespeeld, behalve Hawaïaanse’, zegt hij later over zijn filmcarrière. En dat is misschien maar goed ook, want zijn echte leven als native Hawaiian is moeilijk te overtreffen op het witte doek. Op 14 juni 1925 zit Duke Kahanamoku te picknicken met een groep bevriende acteurs en actrices, bij Corona del Mar, tachtig kilometer ten zuiden van Los Angeles. De branding is ongewoon wild. Vanaf het strand is te zien dat een vissersboot in de problemen komt. Een enorme golf beukt tegen het scheepje en een paar mensen slaan overboord. Kahanamoku aarzelt niet, grijpt zijn surfplank en gaat enkele keren de golven in, 'wild als de Niagara-watervallen’. Negentien mensen verdrinken en slechts twaalf personen overleven de ramp. Van de twaalf zijn er acht gered door de Duke. Tussen de films en het surfen door demonstreert de Duke vanaf 1912 wereldwijd zijn Kahanamoku kick, een variatie op de slag die we nu de borstcrawl noemen. Maar meer indruk maakt hij in zijn vrije uren, met zijn demonstraties van het brandingsurfen, een discipline die aan het begin van deze eeuw buiten Hawaï nog maar nauwelijks bekend is. Door de Duke slaat het surfvirus over naar Amerika en Australië. Duizenden komen kijken naar zijn demonstraties in Californië. Hij is de vader van het Australische surfen. In 1915, als hij down under is voor een zwemwedstrijd, maakt hij van een pijnboom een surfplank. Een grote menigte ziet ademloos wat er allemaal mogelijk is met een plank in het water. De Duke maakt de show compleet door een mooi meisje op zijn plank mee te nemen. Isabel Letham wordt sindsdien door de Australische surfgemeenschap geëerd als een godin. Zij is de eerste Australische ingezetene die surft. Surfend Australië treurt bij haar overlijden in 1995. In het midden van een kring van surfers wordt Lethams as uitgestrooid achter de branding van Freshwater Beach. DE DUKE MAG dan goed kunnen zwemmen en leuk kunnen acteren, in zijn hart is hij een surfer. En een surfer is geen surfer als hij ’s(nachts niet droomt van the big one, die ene ultieme golf. In het boek The World of Surfing, een autobiografie die Duke Kahanamoku schrijft met de hulp van journalist Joe Brennan, herinnert de Duke zich 'zijn golf’. In Waikiki zijn jaren voorbijgegaan zonder bluebirds, zoals de echte hoge golven liefkozend worden genoemd. De golven die worden opgewekt door rampen en onheil: aardbevingen, cyclonen en atoomproeven. Maar die ochtend in 1923 zijn ze er dan, en groter dan ooit. Mede door de aflandige wind zijn het prachtige golven, met toppen van tien, vijftien meter. De oude Hawaïanen praten er nog steeds over. De golven aan de Hawaïaanse kust getuigen van de grote Japanse aardbeving van 1923, die een acht scoort op de schaal van Richter en kustlijnen verandert. Een apocalyps waarbij 140.000 mensen het leven laten en die het welvarende Japan terugwerpt in de duistere periode voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. Kahanamoku beschrijft in The World of Surfing hoe hij de spanning voelt als hij vanaf het strand de golven bestudeert. Paradijselijk weer, een spiegelglad wateroppervlak, en dan ineens die enorme bobbels die naar het strand rollen. De Hawaïaanse bevolking is uitgelopen om te kijken naar het natuurgeweld en om te zien of er iemand durft te surfen. De krachten die vrijkomen als dergelijke muren van water instorten zijn zelfs een Olympische zwemmer als Kahanamoku teveel. Het naspel van zo'n golf, het explosief kolkende water en de grillige stromingen zijn levensgevaarlijk. Daarnaast is er het gevaar dat je te pletter wordt geslagen tegen de koraalriffen vlak voor de kust. Een paar surfers zoeken elkaar op en komen tot een simpele conclu sie: een wipe out zou fataal zijn. Er is een surfer die het aandurft: de Duke. 'You try it, just because it’s there’, zegt hij later met Hollywood-flair. WORSTELEND, ZICH als een schildpad vastklemmend aan zijn plank, lukt het hem om achter het kolkende water en het witte schuim te komen, in het deinende schemergebied achter de branding, ver buiten de kust. Van de andere kant ziet hij hoe de enorme bulten naar Waikiki rollen, aanscherpend en uiteindelijk in elkaar stortend met een donderend geraas. Intussen wordt de Duke telkens opgetild en naar beneden gesleurd. 'Diep als een liftschacht’, zo herinnert hij zich. Hij weet niet of hij bang is om te gaan surfen of dat hij wacht op de juiste golf, totdat hij zich erop betrapt dat hij begint te peddelen om zijn plank in de juiste positie te manoeuvreren en de volgende golf te 'pakken’. Kahanamoku schrijft: 'Het was of hij mij had uitgekozen, in plaats van andersom. Het leek een hele persoonlijke en speciale golf - het soort dat ik zag met mijn innerlijk oog, gedurende een nacht met onrustige dromen. Wij tweeën hadden iets af te rekenen met elkaar.’ Het lukt de Duke om te gaan staan. De linkervoet iets naar voren, de knieën licht gebogen. Hij weet dan nog niet dat dit het begin is van een gevierde en legendarische ervaring. 'Alles wat ik wist was dat ik een gevecht begon met de grootste, snelste golf die ik ooit had gezien. Ook besefte ik, meer dan ooit, dat gegrepen worden door de rollende massa hetzelfde zou zijn als bedolven worden onder een instortende fabriek.’ De Duke vecht voor zijn balans. Het gedrum van water onder zijn plank herinnert hij zich later als het tromgeroffel van een psychopaat. Een paar paniekerige seconden dreigt hij zijn evenwicht te verliezen en te worden opgeslokt door de golf. De Duke zal het moment nooit vergeten. Hij herwint de controle en ziet in een flits de mensen op het strand die allen naar hem kijken, met de handen hun ogen beschermend tegen de felle zon. De Duke vervolmaakt een legendarische ride van meer dan twee kilometer, waar vijfhonderd meter al uitzonderlijk veel is, en komt duizelig terecht in de branding nabij het strand. 'Ik drukte het bord tegen mijn heup, mijn beide armen eromheen, en droeg het uit het water. Zonder naar de mensen te kijken die zich om me heen verzamelden, liep ik door. Ik hoorde ze opwindende dingen mompelen. Ik grinnikte naar de mensen die naar me toekwamen en me op de schouder sloegen, en ik lachte naar de mensen die me zeiden dat dit de meest uitzonderlijke rit was.’ Later zei de Duke: 'Ik heb nooit meer een golf als deze bereden en nu de verjaardagen zich opstapelen weet ik dat er nooit meer zo een zal komen.’ En in harmonie met de Amerikaanse traditie volgt een heroïsch dankwoord: 'Het is een gouden herinnering en ik ben dankbaar dat God haar me gegeven heeft.’ IN DE JAREN dertig bereikt Duke Kahanamoku de ultieme heldenstatus en treedt hij in de voetsporen van zijn vader die politieagent was. Kahanamoku wordt de sheriff van Honolulu. Een gouden zet, want er was geen Hawaïaan die met de Duke in discussie durfde te gaan. Een rustige tijd breekt aan. Kahanamoku reist veel als ambassadeur van het surfen en het Hawaï-shirt. (Er wordt een Aloha-kledinglijn naar hem genoemd.) Met name in de jaren zestig nemen de surfsport en de populariteit van het Hawaï-shirt een grote vlucht. Er ontstaat een opmerkelijke surfcultuur met veel Hawaïaanse mystiek en Japanse oorlogstermen en met de gewoonte om, waar mogelijk, een complete zin te vervangen door een bijvoeglijk naamwoord (crucial, unreal, insane). De Beach Boys zingen het surfgevoel, met de romantiek van auto’s, beachbunnies en cagparties, de wereld over. Het bezorgt de ware surfer nog steeds koude rillingen dat een stelletje gremlins met het surfen aan de haal is gegaan. Alleen Brian Wilson heeft wel eens op een plank gestaan. En in Honolulu wordt nog steeds schande gesproken over het feit dat de Beach Boys het lef hadden om Hawaï-shirts van kunststof te dragen. (Een echte Aloha is van katoen of rayon, handgeschilderd met houten knopen en een dubbele zoom bij de mouwen.) De surfcultuur wordt ten slotte omarmd door de hippies. De groet 'Aloha’ en het gelijknamige shirt vinden hun weg over de gehele wereld. Ook het 'tsjakka’ van Emile Ratelband en Youp van ’t Hek is een typische surfterm. Je zegt het met de vuist omhoog en een uitgestoken pink en duim: 'Zo gaat-ie goed!’ Kahanamoku maakt deze tijd nog mee. Hij overleeft Jack Kennedy en is getuige van het morele verval in de jaren erna. De Duke beziet het met bezorgde blik. De traditionele Hawaïaanse surfwaarden zijn hem lief: 'Surfen is de sport van de koningen, het maakt je sterk van lichaam en nobel van geest.’ Na de Duke trotseren nog vele legendarische surfers de golven van de wereldzeeën. Ze dragen intrigerende namen als Greg The Bull Noll, Bud Barracuda Browne, Dale The Hawk Velzy, Rabbit The Rabbit Kekai of John Doc Ball. Maar nooit zal er een surfer komen die durft te zeggen dat hij groter of beter is dan de Duke. Zijn naam zal altijd met respect worden uitgesproken. Wanneer Duke Kahanamoku in 1968 overlijdt, neemt de surfwereld afscheid van hem met de woorden: 'Duke, wherever you’re riding, we hope you can hear our thanks… and a great big Aloha.’