De ultieme heiden

IN MEI 1944 kocht de negentienjarige Jacques van Doorn in Maastricht het boek Intellect en macht van Sal Tas. Hij las het boek van de linkse en joodse politicus annex essayist met ‘rode oortjes’. De latere hoogleraar sociologie verbaasde zich erover dat een socialist als Tas zich vooral baseerde op Nietzsche en Machiavelli. Nietzsche werd wel vaker voor allerlei, soms zeer dubieuze, karretjes gespannen, maar Machiavelli was een auteur die over het algemeen slechts vol afgrijzen werd genoemd. En toch pleitte Tas in zijn uit 1937 daterende boek voor een ‘nieuw machiavellisme’, dat wil zeggen voor ‘een nieuwe maatschappelijke techniek, een politieke kunst’.

In 1941 werkte Tas zijn visie op Machiavelli uit in het fraaie boekje De grenzen van het machiavellisme, dat onder het pseudoniem F. van Warmelen verscheen bij uitgeverij Leopold. Tas zag Machiavelli onder meer als ‘de Swammerdam der sociale wetenschap’, als iemand die op een rationalistische wijze politiek wilde bedrijven, en als degene die ontdekte dat in de politiek een 'dubbele moraal’ vaak noodzakelijk was. Tas wijst Machiavelli’s opvatting af dat het in de verhouding tussen staten, en in die tussen individuen, gaat om een niet-aflatende strijd om het bestaan. Overigens niet verwonderlijk, in 1941. Maar toch neemt hij Machiavelli in bescherming tegen hen die, meestal zonder een letter van de Florentijn te hebben gelezen, hem belasteren. Als de westerse democratieën in de jaren dertig naar Machiavelli hadden geluisterd en op tijd hadden ingegrepen, was het niet zo ver gekomen en had Tas niet hoeven onderduiken.
De jonge Van Doorn mocht zich dan verbazen over deze positieve waardering van Machiavelli, Tas was niet de eerste en zeker niet de laatste auteur die Machiavelli wilde rehabiliteren. In zijn vaak aangehaalde artikel 'The originality of Machiavelli’ geeft Isaiah Berlin een opsomming van verschillende positieve Machiavelli-interpretaties. Evenals Rousseau zag Spinoza in Machiavelli een gepassioneerd patriot, een democraat, een voorvechter van de vrijheid. Bovendien, zo blijkt uit het onlangs vertaalde Theologisch-politiek traktaat, ontleende hij aan de Florentijn een instrumentele opvatting van godsdienst. Benedetto Groce zag in hem een gekwelde humanist, die walgde van het feit dat politieke doelen uitsluitend op moreel verwerpelijke wijze konden worden gerealiseerd, en die daarom maar een scheidslijn aanbracht tussen politiek en ethiek. Voor Ernst Cassirer was Machiavelli een politieke techneut, terwijl Francis Bacon en Ferdinand Lassalle hem bewonderden als superieure realist en bestrijder van utopisme. Ook Marx en Engels lieten zich lovend over hem uit, en voor Antonio Gramsci is hij een revolutionaire innovator, wiens Il principe het 'antropomorfe symbool’ is van de komende dictatuur van het proletariaat.
Zelf ziet Berlin Machiavelli vooral als de onbedoelde grondlegger van het pluralisme, en daarmee van het door hem verfoeide idee van tolerantie. Hij maakte immers een onderscheid tussen twee soorten moraal. Enerzijds was er de heidense moraal van de virtù, de energieke en agressieve drang naar zelfbevestiging en het verlangen naar macht, en anderzijds waren er de christelijke deugden als nederigheid, wereldverachting, berusting in het lijden en het geloof in verlossing na de dood. Hoewel de heidense moraal noodzakelijk is voor de vorst en de christelijke moraal ervoor zorgt dat het gewone volk zich koest houdt, is de ene moraal niet beter dan de andere. Ze bestaan naast elkaar en zijn onverenigbaar. Dit besef dat er verschillende, onverenigbare waardenstelsels naast elkaar kunnen bestaan, is volgens Berlin het begin van onze moderne pluralistische opvattingen. Machiavelli als founding father, zij het tegen wil en dank, van de multiculturele samenleving.
Berlins indrukwekkende lijst van auteurs die positief over Machiavelli hebben geschreven laat zich gemakkelijk uitbreiden en in iedere geschiedenis van het politieke denken neemt hij een prominente plaats in. Zijn populariteit heeft Machiavelli niet in de laatste plaats te danken aan zijn literaire stijl. Niet alleen zijn brieven, novellen en een toneelstuk als La mandragola, maar ook Il principe en de Discorsi tintelen en bruisen van het leven, en doen de lezer al na enkele bladzijden vergeten dat ze zijn geschreven door een man die vijf eeuwen geleden leefde en werkte. Op grond hiervan noemde Jan Blokker hem in de Volkskrant van 25 juli dan ook 'een tijdgenoot’.
Machiavelli lijkt dus een 'man for all seasons’, een denker bij wie iedereen iets van zijn gading kan vinden, een man die, met zijn nare kanten èn zijn kwaliteiten, 'bij ons hoort’. Maar klopt dat wel? Dat Machiavelli’s vijanden zijn kwaliteiten ten onrechte hebben verduisterd, mag inmiddels wel als bewezen worden beschouwd. Maar hebben zijn postume vrienden hem niet al te veel opgepoetst tot een respectabele intellectuele erflater, hebben ze deze vurige Italiaan uit de even schitterende als wrede renaissance niet te veel gedomesticeerd tot een humanist in de traditie van de Verlichting?
Er wordt vaak een scherp onderscheid gemaakt tussen de twee boeken waarmee Machiavelli de geschiedenis is ingegaan. Il principe (De vorst) zou een klinische analyse van de dictatuur zijn. De Discorsi daarentegen laten zien dat Machiavelli eigenlijk een republikein en zelfs een democraat was, waarbij men zich altijd haast te benadrukken dat zijn opvatting van democratie niet mag worden verward met ons parlementaire stelsel. In het eerste boek heeft Machiavelli slechts de middelen beschreven, volgens sommigen zelfs in de vorm van een satire, terwijl hij het doel in het tweede boek uiteenzet. In ieder geval zou de 'ware’ Machiavelli pas te vinden zijn in de Discorsi, die heel wat minder bekend zijn. Terwijl Il principe zeven keer in het Nederlands is vertaald, waarvan vier keer in deze eeuw, waren de Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio (Verhandelingen over de eerste tien boeken van Titus Livius) nog maar tweemaal integraal vertaald, voor het laatst in 1704. Dank zij het monnikenwerk van Paul van Heck - die Machiavelli’s tekst niet alleen heeft overgezet in sprankelend Nederlands maar bovendien heeft voorzien van een voorbeeldige inleiding en een indrukwekkend notenapparaat - kunnen we nu dan eindelijk kennis maken met deze 'echte’ Machiavelli.
MAAR IS ER wel zo'n groot verschil tussen de Machiavelli van Il principe en die van de Discorsi? Is de tweede minder cynisch, minder gevaarlijk dan de eerste? In de Discorsi hamert Machiavelli er bij voortduring op dat de Romeinen, zijn grote voorbeeld, 'altijd de middenweg vermeden en voor categorische oplossingen kozen. Want regeren is niets anders dan je ondergeschikten zodanig bejegenen dat ze geen kans of geen reden hebben je kwaad te doen. Dat doe je door hen óf totaal onschadelijk te maken door hun alle wapens uit handen te slaan, óf dermate goed te behandelen dat ze geen reden hebben om verandering te willen.’ Akkoord, in Il principe stond het er pregnanter - 'mensen moet je strelen of kelen’ - maar stond er ook wezenlijk iets anders? In zijn even vlammende als doorwrochte studie Citizen Machiavelli (Princeton 1983) stelt de Amerikaanse politicoloog Mark Hulliung dat Machiavelli op dezelfde wijze onschadelijk is gemaakt als Rousseau of Nietzsche. De tanden zijn eruit getrokken. De meest verontrustende aspecten in het werk van deze denkers worden verzwegen en met de mantel der liefde bedekt. Over Rousseau hoor je zelden of nooit dat hij de Europese beschaving met wortel en tak wilde uitroeien, en bij Nietzsche wordt meestal 'vergeten’ dat hij niet alleen de doodsvijand van het christendom was, maar ook van de Verlichting en haar erfgenamen. En bij Machiavelli zwijgt men meestal over wat de doelstelling van de ideale republiek dient te zijn.
Machiavelli is in de ogen van de meeste geleerden de boodschapper van slecht nieuws - namelijk van het feit dat een nietsontziende machtspolitiek soms noodzakelijk is - en het is nogal primitief om zo'n koerier de schuld van de slechte tijding te geven. Machiavelli heeft laten zien dat machthebbers vaak rigoureus moeten optreden, dat het maken van 'vuile handen’ noodzakelijk is. 'Necessità’ is volgens veel deskundigen dan ook het sleutelbegrip in Machiavelli’s werk. Voor het behoud van de staat is het veelal noodzakelijk om gewelddadig, wreed of leugenachtig op te treden. De machthebber moet kunnen inschatten of hij als leeuw - met geweld - of als vos - met leugen en bedrog - moet optreden.
Deze interpretatie van Machiavelli klopt volgens Hulliung enkel als je je beperkt tot de lectuur van Il principe. Maar volgens veel deskundigen moet de 'ware’ Machiavelli toch worden gezocht in de Discorsi? Daar zou de republikeinse Machiavelli toch te vinden zijn? Dat klopt volgens Hulliung, en hij wijst erop dat in dat boek 'noodzakelijkheid’ helemaal niet zo'n prominente plaats inneemt. Sleutelbegrippen hier zijn namelijk 'gloria’ en 'grandezza’. Een vrije staat heeft volgens Machiavelli twee doelstellingen: 'ten eerste expansie, en ten tweede het behoud van zijn vrijheid’. De volgorde hier spreekt boekdelen.
Machiavelli verheerlijkt in de Discorsi inderdaad de Romeinse republiek, maar dat was, zoals Hulliung opmerkt, een 'democracy on the march’. Rome streefde naar de wereldheerschappij, en dat is waarom Machiavelli haar bewondert. Waar hij bijvoorbeeld Rome en Athene met elkaar vergelijkt, komt de laatste er vanwege haar 'egalitaire excessen’ niet best vanaf. En als hij zijn eigen tijd beschouwt, is Venetië inferieur aan zijn vaderstad Florence, omdat het geen expansionistische politiek voert.
Machiavelli is niet voor een democratische republiek uit een gevoel van rechtvaardigheid, uit humanitaire overwegingen, maar eenvoudig omdat een republiek die wordt geleid door een min of meer democratische elite beter in staat is een wereldrijk te vestigen dan een staat die wordt geregeerd door een alleenheerser. Een imperium bouw je immers niet in een paar jaar, daar gaan verschillende generaties overheen. En het probleem met alleenheersers is nu juist de erfelijke opvolging, die er dikwijls voor zorgt dat na een vorst die zijn rijk flink heeft uitgebreid een of meer zwakkere vorsten de troon bestijgen. En gezien de welig tierende inteelt was het aan de macht komen van volstrekt incapabele monarchen aan de orde van de dag. De titel van hoofdstuk 19 van het eerste boek van de Discorsi geeft aan hoe lang dat volgens Machiavelli goed kan gaan: 'Na een voortreffelijke vorst kan een zwakke vorst zich nog handhaven; maar als er na een zwakke vorst weer een zwakke komt, is geen enkel rijk daartegen bestand.’ Het volgende hoofdstuk vertelt waarom een republiek superieur is aan een monarchie: 'Twee bekwame vorsten na elkaar brengen grote dingen tot stand; en omdat in een goed georganiseerde republiek een opvolger per definitie bekwaam is, worden daar grote dingen tot stand gebracht.’ Daarom ging het met Rome vanaf Julius Caesar ook bergafwaarts.
DE MACHIAVELLI die Hulliung ons toont, en die ook oprijst uit de Discorsi, is een typische renaissancedenker, een humanist. Maar het is niet het humanisme van de vredelievende Erasmus of van Thomas More, die geheel in de traditie van Augustinus de trots zag als wortel van alle kwaad. Trots, glorie, grootheid, virtù - dat is Machiavelli. 'Hij bidt zoals de antieken dat deden, rechtop staand, als hij al bidt’, aldus Hulliung. En met het Humanistisch Verbond heeft het al helemaal niets te maken, wel met het humanisme van de zestiende-eeuwse Venetiaan Gianmichele Bruto, die schreef: 'Wij zijn niet onderwezen door de inactieve en onvruchtbare filosoof, maar door de gewapende Scipio; niet in de Atheense scholen maar in de Spaanse legerkampen. Wij zijn niet opgevoed met redevoeringen maar met daden en voorbeelden.’
In het laatste hoofdstuk van zijn boek veegt Hulliung op eloquente wijze de vloer aan met de talrijke Machiavelli-interpretaties. Hoewel iedere auteur benadrukt dat we Machiavelli in zijn tijd moeten zien, spelen bij vrijwel iedere interpretatie uiteindelijk vraagstellingen een rol die voor ons misschien belangrijk zijn, maar waarop Machiavelli slechts zou reageren met de sardonische glimlach die hij heeft op het schilderij dat Santi di Tito lang na zijn dood van hem maakte. Het spanningsveld tussen doel en middelen? Voor ons, na de onmetelijke bloedbaden die in naam van utopische idealen zijn aangericht, misschien een belangrijk thema, maar voor Machiavelli een non-issue. 'Een belastende daad dient haar excuus te vinden in het resultaat; en als dat resultaat goed is, zoals bij Romulus die zijn broer doodde - rh), dan zal ook het excuus altijd goed zijn; want geweld dient veroordeeld te worden als het af wil breken, niet als het beoogt op te bouwen.’
OOK HET DEBAT over de relatie tussen idealisme en realisme mag voor ons interessant zijn, voor Machiavelli, die het Romeinse verleden zonder scrupules idealiseerde, lag het ver van zijn bed. De vergelijking die dikwijls wordt gemaakt tussen Machiavelli en Nietzsche met zijn Wille zur Macht, slaat volgens Hulliung al evenzeer de plank mis. Bij de 'filosoof met de hamer’ ging het immers om de strijd van het individu tegen de gemeenschap, terwijl bij Machiavelli de gemeenschap alles was. Ook Berlins these dat Machiavelli als eerste het naast elkaar bestaan van twee onverenigbare waardenstelsels erkende, wijst Hulliung af. Zijn tolerantie van het christendom is slechts schijn. Religie is vaak nuttig, maar ondergeschikt aan het doel. Machiavelli is de ultieme heiden. En juist daarin is hij modern. Hij is de jonge, niets en niemand ontziende, agressieve carrièremaker, de egoïstische opportunist, die wetten noodzakelijk acht en ze respecteert zolang hij er profijt van heeft maar ze overtreedt als het uitkomt, voor wie stilstand stagnatie betekent en wiens ideaal eeuwige groei en onbeperkte expansie is. Hij is de moderne mens ten voeten uit, zonder masker. En dat maakt hem zo beangstigend. Daarom willen we hem graag confectioneren tot een eerbiedwaardige voorloper van onze idealen. Maar als we daar zelf al niet naar leven, hoe kunnen we dat dan verwachten van iemand die al 470 jaar dood is?