Vondels Lucifer

De ultieme rebel

Deze week voert Het Toneel Speelt in Amsterdam «Lucifer» op. Dit toneelstuk van Vondel maakte indertijd de machtige dominees van de hoofdstad zo woedend dat ze het verboden. Jammer, want Vondel beschrijft weergaloos de schoonheid van de mens.

«Het toneel is in den Hemel.» Met deze simpele en tegelijk ronkend ambitieuze regieaanwijzing begint Vondel zijn treurspel Lucifer. Het leverde in 1654 de toen 63-jarige zijdehandelaar zowaar zijn eerste «succes de scandale» op. De dominees van Amsterdam, machtige mannen in de pas sinds kort onafhankelijke republiek, waren uitzinnig van woede. Had niet deze Vondel, nota bene een bekeerde katholiek, al vaker heilige bijbelse figuren tot leven gebracht in de schouwburg, dat oord van ontucht en verderf? Werden niet in die schouwburg na de opvoering van die zogenaamde treurspelen veile kluchten ten tonele gebracht, waar in elke scène dronkenschap, overspel en blasfemie ter vermaak van het volk werden getoond? Kwam het bij binnenkomst reeds beschonken publiek niet naar die schouwburg gewapend met schillen en noten, die ze naar de acteurs konden gooien wanneer het spel hen niet beviel? Hoe vaak zou het niet al zijn gebeurd dat Mozes, David of Noach of een van de andere heiligen die Vondel op het toneel loszong van de Schrift, bedekt met schillen de coulissen in vluchtte? En nu waagde deze roomse vlegel, deze Vondel, die al menigmaal in zijn hekeldichten de Amsterdamse predikanten belachelijk had ge maakt, een toneelstuk te schrijven dat zich afspeel de in de hemel zelve? Had dan iedereen zijn verstand verloren en was men vergeten dat de tweede Wet van Mozes overduidelijk stelde: «Gij zult u geen gesneden beeld noch enige gelijkenis maken van hetgeen dat boven in de hemel is.»
De predikanten legden hun klachten neer bij de burgemeesters van Amsterdam, die geen zin hadden in een ruzie met de hysterische farizeeërs: het stuk werd verboden. Het was tot dan toe twee keer gespeeld, overigens met groot succes. Waar de predikanten geen rekening mee hadden gehouden was de gedrukte versie. Door de ontstane publiciteit was de eerste druk van duizend exemplaren binnen twee dagen uitverkocht — een record. Er zouden nog acht nieuwe drukken volgen om aan de grote vraag te kunnen voldoen.
Vondel reageerde zoals gewoonlijk stoïcijns en ironisch op de commotie. Over de leider van de predikanten, de hondsdolle Zeeuwse dominee Petrus Wittewrongel zei hij: «Trompetter van de Zeeuwen, gij tergt een nest vol spreeuwen.» Veel minder onaangedaan was de directeur van de Amsterdamse schouwburg. Zijn zorg gold niet het feit dat zijn grootste toneelschrijver de mond werd gesnoerd, maar wel dat hem een geheide kaskraker door de neus was geboord. Bovendien had hij veel in deze voorstelling geïnvesteerd. Hij had als decor een prachtige sterrenhemel laten bouwen vol geluids- en lichteffecten en in- en uitschuivende delen, en dat was nu ineens onbruikbaar geworden. Vondel stelde de arme man gerust door hem te beloven dat hij in zijn volgende stuk scènes zou inbouwen waarbij de werkeloze sterrenhemel hergebruikt kon worden.




In zijn treurspel vertelt Vondel het verhaal van Gods uitverkoren engel Lucifer, stedehouder van de hemel, de mooiste en machtigste onder alle engelen, die gedreven door nijd en hoogmoed (staatzucht) tegen God in opstand komt. Lucifer was, terecht, tot het besef gekomen dat sinds God de aarde en de mens geschapen had, hij niet meer de eerste was in de gunst van God. Hij had zijn plek moeten afstaan aan de «grimmelende mier» Adam en diens «ribbe» Eva. Hij voorzag dat de engelen de slaven van de mensen zouden worden en dat hij daarom in opstand moest komen.
Het beeld van de duivel in de literatuur van voor en na Vondel verschilt sterk van Vondels duivel. Meestal is de duivel een persoonlijke verleider, die probeert stervelingen hun eeuwige zielenheil te ontfutselen door hen te interesseren voor aardse rijkdom of macht. De slachtoffers zijn er grofweg in twee soorten: de karakterzwakken en de ambitieuzen. Bij die twee soorten slacht offers horen twee verschillende duivels: respectievelijk die van de gezellige en die van de intellec tuele soort. Bij het karakterzwakke/gezellige duo hoort bijvoorbeeld Mariken van Nieumeghen en haar Moenen, of Tom Rakewell en Nick Shadow (uit de Stravinsky-opera The Rake’s Progress). Hier staan altijd de vleselijke verleidingen centraal. De slachtoffers van de duivel zijn lui en geneigd tot alles wat gemakkelijk genot en gratis plezier oplevert. De achtergrond van dit soort stukken wordt daarom altijd gevormd door gezellige locaties als kroegen, bordelen en speelhallen. Het voort durende succes van deze verhalen ligt dan ook meer in de aantrekkelijke uitbeelding van al dat verboden genot dan in de morele les die in de verhalen schuilt.
Verreweg het bekendste voorbeeld van het ambitieuze/intellectuele duo is Faust en Mefistofeles. De eindeloze reeks Fausten of Faust achtigen die vanaf de Renaissance de Europese literatuur bevolken, zijn nauwelijks geïnteres seerd in genot, maar wel in macht en vooral in macht die wordt veroorzaakt door kennis. Daarom is Mefistofeles altijd een welbespraakte knaap, en daarom ook evolueert hij van het pure kwaad (dat hij in Marlowes drama nog vertegenwoor digt) tot de veel dubbelzinniger figuur die hij in Goethes tragedie is. Faust is ambitieus en hovaardig. Hij wil geen aardse maar geestelijke macht en daarom vormt hij een directe bedreiging voor Gods eigen heerschappij. Om die reden lijkt hij natuurlijk wel wat op Lucifer, ware het niet dat Lucifer natuurlijk Faust en Mefistofeles ineen is.
Maar er is een veel groter verschil tussen Lucifer en deze persoonlijke verleiders. Al deze kleine duivels houden zich bezig met de corrumpering van één persoon. Daarom gaat het in die verhalen altijd om persoonlijke morele problematiek. Het zijn de plaatselijke kruideniers van de ondeugd vergeleken met de grote multinational van het kwaad die Lucifer is. Lucifers geschiedenis gaat over de bestaansreden en de aard van het kwaad zelf.




Lucifer is als personage veel zeldzamer dan de verschillende soorten diabolische verleiders. Tegenover de talloze uitbeeldingen van Mefistofeles in literatuur, kunst en muziek (opera!) vinden we maar een paar Lucifers. Natuurlijk is er Paradise Lost van John Milton, Vondels Engelse tegenhanger. Igor Stravinsky voerde in zijn werk maar liefst drie keer de duivel ten tonele, waarvan één Lucifer. Hij had dan ook een oudtestamentische vrees voor de grote gehoefde demon. Hij geloofde in de baarlijke duivel en was onder zijn altijd hypermodieuze pakken en opzichtige dassen behangen met gouden amuletten die de Boze op een afstandje moesten houden.
Zowel in L’histoire de soldat als in The Rake’s Progress speelt de duivel als persoonlijke verleider een belangrijke rol. Pas in 1960, op nog latere leef tijd dan Vondel, durft Stravinsky het aan de val van de engel zelf te verbeelden. Het korte stuk heet The Flood en het zou vooral over Noach moeten gaan, maar Lucifer/Satan krijgt evenveel aandacht, al duurt het dan bij elkaar nauwelijks meer dan tien minuten. Aardig is dat we bij Stravinsky, anders dan bij Vondel, de val van Lucifer live mee maken. «All goes down! Out, out, horror! Helpless, hot, hot, hot», zingt hij als hij in de brandende zwavel wordt geworpen.
Toch is het bij Stravinsky niet anders dan bij Vondel. Trots en ambitie zijn de aartskwaden die hebben geleid tot alle ellende in de wereld. Vondel neemt ruim de tijd om uit te leggen dat elke opstand tegen wettelijk gezag en zeker tegen goddelijk gezag een zware zonde is. Zijn er misstanden? Zoek dan de weg van het overleg en van de geleidelijkheid. Alle rebellie is fout. Alle rebellie? Misschien hadden de protestanten inderdaad goede redenen om Lucifer, het anti-opstanddrama van de katholiek Vondel, als een directe provocatie op te vatten.
Maar voor de moderne toeschouwer lijkt dit een wat magere oogst. Wie graag iets meer had geleerd over de natuur van het kwaad wordt niet veel wijzer van Vondel. Er is spektakel, en spectaculaire poëzie, maar gaat het ook ergens over? Toch wel. In het eerste bedrijf komen een paar van Lucifers makkers terug van een kort bezoek aan het paradijs, waar zij Adam en Eva bespied hebben. Hun verslag over de schoonheid van de mens, over de eenheid van lichaam en geest, over zijn prachtige redelijke natuur, behoort tot de mooiste poëzie die Vondel heeft geschreven. Voor het eerst wordt in het Nederlands het nieuwe humanistische mensbeeld met zoveel luister en zelfbewustzijn voor het voetlicht gebracht. Daardoor wordt de opstand van de engelen een stuk begrijpelijker. Ze zijn oprecht verbaasd over de schoonheid van het menselijk leven en teleurgesteld met hun eigen situatie. Hun destructieve verlangen om in opstand te komen tegen de Almacht lijkt dan gesteund door een onbewust onbehagen met het geestelijke leven dat ze leiden en een diep, onvervuld verlangen naar een aards, sensueel en sterfelijk leven. En in de paar momenten dat dat besef door de regels zweeft, weet Vondel niet alleen, zoals altijd, te verbazen, maar ontroert hij zelfs.

Première donderdag 25 januari in de Stadsschouwburg van Amsterdam