De uni is geen zakenbank

Bestuurders van de UvA hebben doelbewust gekozen voor een financieringsmodel dat alle financiële risico’s legt bij afdelingen, onderwijsinstellingen en faculteiten. Studenten en docenten moeten wijken voor vastgoed.

Afgelopen najaar stond in een vakblad voor bestuurders in het hoger onderwijs de meest afzichtelijke nieuwspraak die ik ooit ben tegengekomen. En ik ben toch echt gepokt en gemazeld in het genre. Ik schreef er twee weken geleden in mijn column ‘Bevrijding’ over. Maar het loont de moeite de passage in zijn geheel te citeren. Hou je vast:

‘De UvA beschouwt haar mensen als haar werkelijke kapitaal. Maar kapitaal moet niet stilstaan. Om te renderen moet het dienstbaar zijn aan de bestaansreden: de resultaten van onderwijs en onderzoek. Gebruikmakend van de disciplinerende werking van geld heeft de UvA de afgelopen jaren het onderwijs en het onderzoek centraal gesteld en de budgettering strak verbonden aan de onderwijsvraag, met zoveel mogelijk vermijding van perverse prikkels. Dat geeft beweging, met de daarbij horende interne onrust en ongerustheid. Bestuurlijk geeft het juist veel rust en voorspelbaarheid in het op koers houden van de instelling tegen minimale beleidskosten. Bij de Instellingstoets Kwaliteitszorg bleek dat dit de UvA geen windeieren heeft gelegd.’ (mijn cursiveringen)

Het is om verscheidene redenen een krankzinnige tekst. ‘Kapitaal’, ‘renderen’, ‘disciplineren’, ‘perverse prikkels’, ‘beleidskosten’, ‘onderwijsvraag’: het is de taal van de beleidseconoom die in Nederland iedere inhoudelijke argumentatie over het publieke domein heeft weggedrukt. Twintig jaar geleden zou het ondenkbaar zijn geweest dat zo’n dorre knopentellerstekst uit de vulpen van een universiteitsbestuurder zou zijn ontsproten. Maar ja, twintig jaar geleden zou het al evenzeer ondenkbaar zijn geweest dat een universiteit een Hoofd Strategie in dienst zou hebben gehad.

Erger is wat hier zonder blikken of blozen, met onmiskenbaar ponteneur wordt erkend. Hier staat namelijk met zoveel woorden dat de bestuurders van de UvA doelbewust hebben gekozen voor een financieringsmodel dat alle financiële risico’s legt bij afdelingen, onderwijsinstellingen en faculteiten. Het gaat dan om risico’s voortvloeiend uit dalende studentenaantallen, vergrijzende staf, afnemende subsidie per student en, zeker in het geval van de UvA, hoger dan begrote huisvestingskosten.

‘Bestuurlijke rust en voorspelbaarheid’ wordt gekocht tegen de prijs van ‘interne onrust en ongerustheid’

‘Bestuurlijke rust en voorspelbaarheid’ – kennelijk het hoogste doel van de moderne universiteitsbestuurder – wordt gekocht tegen de prijs van ‘interne onrust en ongerustheid’. Oftewel, als ergens de studentenaantallen dalen of als de overheid kort op de bijdrage per student is het resulterende tekort niet langer de zorg van het college van bestuur maar wordt het afgewenteld op de faculteiten, afdelingen en onderwijsinstituten – en uiteindelijk op de medewerkers. Een schaamtelozer staaltje over de schutting gooien ben ik in mijn academische carrière niet tegengekomen.

Maar liefst 55 procent van het onderwijzend personeel aan de UvA heeft een flexcontract. Dat is de schil van medewerkers die als eerste het haasje is als de studentenaantallen dalen of iets anders tegenzit. We zien het nu gebeuren aan de faculteit geesteswetenschappen: de studentenaantallen lopen terug en dus worden de flexcontracten niet verlengd terwijl de (oudere) vaste staf wordt gespaard. Het lijkt zo afgekeken van een Britse of Amerikaanse zakenbank. Zoals Joris Luyendijk in zijn Dit kan niet waar zijn (en eerder Karen Ho in haar Liquidated) heeft laten zien, kennen zakenbankiers geen ontslagbescherming. Dalen de winsten, dan slinkt de bank; stijgen de winsten, dan groeit de bank.

Maar een uni is geen bank. Niet alleen zijn de salarissen van de huidige generaties academici pakweg de helft van een eerstejaars zakenbankier, een universiteit heeft geen winstdoelstelling maar een maatschappelijk mandaat dat bestaat uit het conserveren en beschikbaar houden van een eeuwenoud repositorium van kennis en wijsheid. Dat klinkt duur maar komt neer op het in dienst hebben van saaie academici die zo op het oog maatschappelijk onnutte dingen doen, het beheren van kostbare collecties van boeken, manuscripten, allerhande artefacten en vondsten, en het inwijden van nieuwe generaties in die kennis en wijsheid. Het wat truttige, burgerlijke, oerconservatieve instituut dat daar bij hoort is het absolute tegendeel een Anglo-Amerikaanse zakenbank. En dus onverenigbaar met de sociaal-darwinistische arbeidsorganisatie die daar bon ton is.

De schrijver van dit afzichtelijke proza doet het voorkomen alsof de UvA een strategische keuze heeft gemaakt

Maar het krankzinnigste is nog dat de schrijver van dit afzichtelijke proza het doet voorkomen alsof het een strategische keuze van de UvA is geweest. In werkelijkheid is dit strakke financieringskader een direct gevolg van megalomane vastgoedplannen die ervoor hebben gezorgd dat de UvA al haar interne reserves heeft moeten aanspreken om aan haar financieringsverplichtingen te kunnen voldoen. De ‘interne onrust en onzekerheid’ waar het citaat van rept is daar een direct gevolg van. Een organisatie zonder reserves is immers een organisatie die op iedere negatieve omgevingsverandering (dalende studentenaantallen, afnemende staatssubsidie, hogere bouwkosten, hogere financieringslasten, lagere vastgoedprijzen) reageert met aantasting van het primaire proces.

Daar proeft aan de UvA momenteel niet alleen de faculteit geesteswetenschappen de wrange vruchten van. Afgaand op de begroting voor dit jaar krijgen alle faculteiten daarmee te maken. Het water staat de UvA kennelijk zozeer aan de lippen dat de interne huurprijzen voor vastgoedgebruik niet geleidelijk gaan stijgen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, maar per direct met 35 procent worden opgehoogd. Door de afwezigheid van reserves betekent dit dat faculteitsbesturen gedwongen worden om ofwel hun studentenaantallen flink te verhogen of de student-staf-ratio verder te verslechteren, oftewel: meer studenten per docent en striktere rentabiliteitseisen aan vakken en opleidingen.

Het ziet ernaar uit dat het laatste gaat gebeuren; studentenaantallen heb je immers niet in je greep. Volgens recente berichten is de minimale studentomvang van mastercursussen aan de faculteit mens- en maatschappijwetenschappen verhoogd naar 35 studenten. Vakken met minder dan 35 studenten zijn stomweg niet ‘rendabel’. Overigens zijn van die 35 studenten er dertien nodig om te voorzien in de personeelskosten van het onderwijzend personeel. Maar liefst 22 studenten zijn er nodig om overhead, vastgoed en financieringskosten te kunnen financieren. Dan ben je toch echt een eind van je maatschappelijk mandaat afgedwaald.

Want dat is het echte drama van de UvA. Met de megalomane vastgoedprojecten is zij forse financiële verplichtingen aangegaan, heeft zij haar bestuurlijke slagkracht moeten vergroten, heeft zij voor een sterk hiërarchisch bestuursmodel gekozen en heeft zij een extreem kostbare organisatie gecreëerd. De 21ste-eeuwse versie van de ‘tragedie van de gemeengronden’ is niet langer dat de wol van schapen prevaleert boven het vreten van mensen maar dat studenten en docenten moeten wijken voor vastgoed. En die tragedie doet zich niet alleen aan de UvA, en niet alleen aan Nederlandse universiteiten voor.