De uniformen van links en van rechts

Het optreden van de Utrechtse politie, die om ongeregeldheden in de binnenstad te voorkomen antifascisten naar uiterlijk selecteerde en vervolgens op Chileens recept opsloot achter hekken in de catacomben van het Stadion Galgewaard, is allerwegen afgekeurd. Ook het openbaar ministerie zag er maar van af mensen te vervolgen omdat ze een Palestijnen-sjaal droegen of punkerig geknipte haren hadden. De rechter zou daar ook waarschijnlijk geen misdrijf in hebben gezien. De burgemeester verklaarde geschokt dat hij niet op de hoogte was geweest van de achtergrond van het artikel waarop de arrestaties hadden plaatsgevonden, hij noemde het ‘besmet’, omdat het iets met de NSB te maken had gehad en dus had volgens hem maar in vijf gevallen (van de 161) de arrestatie op uiterlijke kenmerken plaatsgevonden. In de Tweede Kamer vroegen de linkse partijen om afschaffing van artikel 435a van het Wetboek van Strafrecht, het zogenaamde ‘uniform-verbod’.

Daarmee nam de discussie wel een heel vreemde wending. Artikel 435a heeft betrekking op het dragen van kleding of opzichtige onderscheidingstekens ‘die de uitdrukking zijn van een staatkundig streven’. Het is misschien wat moeizaam geformuleerd, maar het werd in 1933 ingevoerd om de zwart geuniformeerde WA'ers van het weerkorps van de NSB te kunnen aanpakken. In Utrecht anno 1995 werd het artikel in alle opzichten verkeerd gebruikt. Het was onnodig, omdat een verboden demonstratie beter op andere manieren kan worden tegengegaan. Het was willekeurig, omdat ook mensen die toevallig ter plekke aanwezig waren op grond van een vaag alternatief uiterlijk in het gevang zijn beland. Het was een volstrekt oneigenlijk gebruik van het artikel, omdat een enigszins afwijkend uiterlijk toch nauwelijks als een uitdrukking van een 'staatkundig streven’ kan worden beschouwd. Maar het werd toch vooral gebruikt tegen de verkeerde partij; niet tegen de extreem-rechtse Centrumpartij '86, maar tegen degenen die daadwerkelijk willen laten zien dat ze herleving van NSB- achtige ideeen weigeren te accepteren.
Zo'n vijftig, zestig jaar geleden had dat betekend dat niet de NSB werd aangepakt, maar degenen die zich tegen het fascisme verzetten. En dat was natuurlijk ook precies wat indertijd de Utrechtse politie deed. In die zin was het wel een adequate demonstratie van de kant van de overheid van Utrecht om te laten zien waar zij in de strijd tussen neonazi’s en antifascisten staat.
Maar om nu de conclusie te trekken dat het hele uniformverbod moet worden afgeschaft, gaat al te ver. Dat zou betekenen dat de extreem-rechtse partijen weer rustig weerkorpsen kunnen vormen en in de gehate zwarte uniformen van de WA zouden kunnen rondmarcheren, inclusief koppelriemen en zwarte laarzen. De oorlog is inderdaad vijftig jaar voorbij, maar de herdenking heeft vanuit Utrecht wel een heel rare vorm gekregen. De discussie ging niet meer over de vraag wat er tegen extreem-rechtse demonstraties kan worden gedaan, niet over de vraag of antifascistische protesten evengoed verboden moeten worden als demonstraties van neonazi’s, maar over afschaffing van een artikel dat juist bedoeld was om de opkomst van het fascisme tegen te gaan.