Nederland: kennisland of het land aan kennis?

De universiteiten worden halvarinefabrieken

De regering investeert steeds minder in de ooit zo gekoesterde academische traditie. Het onderwijs wordt uitgekleed en onderzoek wordt meer en meer gesponsord door de markt, natuurlijk niet belangeloos. Tijd voor een contrarevolutie.

AAN DE NEDERLANDSE universiteiten is het al een halve eeuw lang heisa, hommeles en trammelant. Steeds opnieuw steekt de onrust de kop op en vooral de laatste tijd zwelt het rumoer weer aan, gezien bijvoorbeeld de kritische boeken en artikelen die recent zijn verschenen, zoals If You’re So Smart, Why Aren’t You Rich?, onder redactie van Chris Lorenz, Topkitsch en slow science van René Boomkens en Bachelor-mastersysteem is uitgelopen op een grote flop van Menno Lievers. Wat is er toch aan de hand?
Het begon allemaal in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen in het kader van de democratisering van het wetenschappelijk onderwijs het aantal studenten explosief toenam, wat een evenredige stijging van de kosten voor de overheid met zich meebracht. Om de universiteiten betaalbaar te houden voelde de overheid zich gedwongen tot een serie ingrijpende structurele en financiële maatregelen met betrekking tot de twee belangrijkste taken: wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Sindsdien is het beleid van de overheid erop gericht om wat als elitaire wildgroei werd beschouwd te beteugelen, door van de vrije academische cultuur een gecontroleerde bedrijfscultuur te maken.
Met het volledig doorschieten van dit beleid is de kern van het probleem meteen blootgelegd. De universiteit is door de opgelegde transformatie van academie naar bedrijf beroofd van de mogelijkheden om de haar van oudsher toegekende taken naar behoren uit te voeren, en het valt van oprecht bij de wetenschap betrokken onderzoekers en docenten niet te verwachten dat zij dit proces, door Rudy Kousbroek eens treffend omschreven als ‘de zachte, schunnige verwoesting’, met lede ogen blijven aanzien. Daarom wordt er door het deel van de wetenschappelijke wereld dat zich direct bezighoudt met academisch onderwijs en vrij onderzoek voortdurend geprobeerd om naar buiten toe, naar de politiek en de belastingbetalers, duidelijk te maken dat de zo kritisch en objectief mogelijke waarheidsvinding van de universiteit zich moeilijk laat rijmen met de structuur en het winstoogmerk van een bedrijf.
Kort en ongenuanceerd samengevat zit de spanning tussen universiteit en bedrijf in het verschil tussen ‘waarde’ en ‘prijs’, een tegenstelling die meer dan een eeuw geleden al door Friedrich Nietzsche op zijn bekende hamerende wijze aan de kaak is gesteld, toen hij schreef: ‘Alles wat betaald kan worden is van weinig waarde. Deze leer spuw ik de kruideniers in het gezicht.’
Het zal tot de samenleving moeten doordringen dat met het economisch breidelen van universiteit en wetenschap met het oogmerk van profijt op korte termijn, op lange termijn de scharrelkip met de gouden eieren wordt geslacht. Het behoeft toch geen betoog meer dat alles waarmee het Westen zich op het gebied van welvaart positief onderscheidt van de rest van de wereld is terug te voeren op de succesvolle voortgang van de wetenschap?

LATEN WE EENS op een rijtje zetten welke kostenbesparende overheidsmaatregelen tot op heden zijn getroffen en wat daarvan de gevolgen zijn voor het wetenschappelijk onderwijs.
In de eerste plaats is de gemiddelde studieduur door een reeks herstructureringen en herprogrammeringen – achtereenvolgens de tweefasenstructuur, de Harmonisatiewet, de Reparatiewet, het wetsontwerp Heroriëntatie Studiefinanciering, de Wet op het hoger onderwijs en het Angelsaksische bachelor/master-model – zo’n jaar of twee verkort. De herhaaldelijke ministeriële toevoeging dat de maatregelen niet zijn bedoeld als kostenbesparing maar in de eerste plaats als kwaliteitsverbetering klinkt tamelijk belachelijk als blijkt dat de resterende tijd van vier of vijf jaar niet eens meer toereikend is voor het overbrengen van de pure vakkennis. Er heeft ook een totale kaalslag plaatsgevonden met betrekking tot al het aanvullende onderwijs dat de opleiding academisch maakt. De geschiedenis en de filosofische grondslagen van het vak, de relatie tot andere vakgebieden en het aanleren van een kritische denkwijze, zo noodzakelijk om de eigen wetenschappelijke bezigheden in de maatschappelijke, ethische en culturele context te kunnen beoordelen, komen in het onderwijs niet meer, of in ieder geval veel te weinig aan de orde.
Ten tweede heeft zich een aanzienlijke massificatie van het onderwijs voorgedaan. Als het aantal studenten toeneemt maar het aantal docenten niet meer groeit, leidt dat ertoe dat de colleges door soms honderden studenten tegelijk gevolgd moeten worden. Persoonlijk contact tussen studenten en docenten is dan totaal onmogelijk. Docenten kennen zelfs de namen van hun eigen studenten niet meer, terwijl toch bekend moet zijn dat een goede student-docentrelatie de motivatie van alle betrokkenen en daarmee de kennisoverdracht zeer ten goede komt. In de geesteswetenschappen verslechterde de staf-studentratio van 1 op 31 in 2000 tot 1 op 42 in 2007. Omdat de overheid nalaat de geesteswetenschappen van voldoende financiering te voorzien, moet de toename van veertig procent meer studenten opgevangen worden door vijf procent meer staf. In de praktijk zet deze situatie stafleden vaak zo onder druk dat zij parasiteren op hun onderzoekstijd. Ondanks deze massificatie, verkorting en verschraling van hun onderwijs moeten de studenten tegenwoordig aanzienlijk meer collegegeld betalen. De overheid betaalt per student aanzienlijk minder.
Een andere voor het onderwijs fnuikende ontwikkeling is het financieringsmodel dat de overheid met betrekking tot de universiteit hanteert. Het betreft de outputfinanciering, die inhoudt dat de overheid de universiteit afrekent op iedere student die de universiteit met een diploma verlaat. Op deze wijze wordt de universiteit ertoe verleid haar inkomsten veilig te stellen en zelfs te verhogen door zo veel mogelijk studenten af te leveren. Dat kan worden bereikt door het slagingspercentage te verhogen of, wat op hetzelfde neerkomt, het onderwijsniveau te verlagen. Komen de geslaagde vwo-leerlingen de universiteit al binnen met serieuze lacunes in hun kennis, dan komt dat ook gedurende hun universitaire studie niet meer goed.

OP HET GEBIED van wetenschappelijk onderzoek staat de zaak er minstens even belabberd voor. Willen onderzoekers voor overheidsfinanciering in aanmerking komen, dan dienen zij vanwege de zuinigheid een plan ter goedkeuring in te dienen waarin vermeld wordt wat er onderzocht gaat worden, wat de verwachte resultaten zijn en hoeveel tijd dat in beslag zal nemen. Valt er voor het eerste criterium nog wel iets te zeggen – een onderzoeker moet kunnen uitleggen wat hem bezielt –, over wat de resultaten zullen zijn en op welke termijn die zich zullen aandienen tast ook de meest getalenteerde onderzoeker in het duister. Anders zou het hele onderzoek immers overbodig zijn.
Een typisch kenmerk van onderzoek is dat zich gaandeweg onverwachte wendingen en ontdekkingen kunnen voordoen waardoor het proces, willen de beloftevolle zijwegen niet over het hoofd worden gezien, vertraging oploopt. Er bestaat zelfs de kans dat het hele traject moet worden verlegd. Wat een succesvol onderzoek behalve een gefascineerde onderzoeker behoeft is tijd, geduld en geld. Hoe dat laatste is besteed, valt meestal achteraf wel uit te leggen, maar vooraf niet.
Een andere manier om aan extra onderzoeksgeld te komen is betaalde opdrachten aan te nemen van overheid en bedrijfsleven. Maar daarbij geldt nog meer dan bij het voorgaande dat de opdrachtgever haast heeft en geen als nutteloos beoordeelde uitstapjes of zijpaden tolereert. Historisch is gemakkelijk aan te tonen dat vrijwel alle belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen niet zijn gedaan als resultaat van gepland onderzoek, recht onder het oog van de onderzoeker, maar in de ooghoeken, aan de rand van het gezichtsveld. Ook in deze gevallen geldt dus dat wie haast heeft de meest interessante, en mogelijk ook meest profijtelijke ontwikkelingen links moet laten liggen.
Dit allemaal nog los van het feit dat opdrachtgevers doorgaans positieve verwachtingen koesteren over de uitkomsten van een onderzoek – waarom zouden ze er anders de opdracht toe geven – en tegenvallende resultaten niet willen of kunnen accepteren. Dat kan leiden tot een publicatieverbod of tot manipulatie van de uitkomsten, bijvoorbeeld door de eis van een tegenonderzoek waarna alleen de gunstigste resultaten worden gepubliceerd. Uitkomsten van onderzoek worden zachtjes in de gewenste richting gemasseerd, waarbij van de onderzoeker wordt verwacht dat hij een loopje neemt met zijn wetenschappelijke integriteit.
Een paar schrijnende voorbeelden staven deze beweringen. Zo is daar de fysicus die, als hoogleraar in dienst van een bedrijf dat een kernreactor in eigendom heeft, naar eer en geweten beweerde dat kernreactoren onveiliger zijn dan wordt gesuggereerd, en die daarop een publicatieverbod kreeg opgelegd op straffe van ontslag. Of de geoloog die van zijn broodheer het door hem aangetoonde verband tussen de aardbevingen in Noord-Holland – in de buurt van de kernreactoren van de ECN – en de daar uitgevoerde gasboringen niet mocht publiceren. Even zorgwekkend is de uitkomst van een vergelijkend metaonderzoek naar de resultaten van enkele studies naar de werkzaamheid van precies dezelfde medicijnen. Die luidt dat er grote verschillen bestaan tussen door farmaceutische bedrijven gesponsord onderzoek en ‘vrij’ onderzoek, uiteraard ten gunste van de farmaceutische bedrijven. Van drie geneesmiddelen voor dezelfde ziekte die door drie verschillende farmaceutische bedrijven zijn geproduceerd, kwam uit het ene onderzoek naar voren dat A beter werkt dan B, uit een ander onderzoek dat B beter is dan C, en uit een derde dat C beter is dan A.
Uit het metaonderzoek bleek ook dat de onderzoeken die de andere medicijnen diskwalificeerden betaald werden door de bedrijven die de ‘beste’ op de markt wilden brengen. Onnodig te vermelden dat er in deze gevallen niet alleen een loopje wordt genomen met de wetenschappelijke integriteit, maar ook met onze gezondheid.

DE BELANGRIJKSTE ontwikkeling die zich op het gebied van management en bestuur heeft voorgedaan is, zoals gezegd, de overgang van de academische naar een bedrijfscultuur. Om slagvaardig te kunnen ingrijpen in de structuur van het onderwijs en het vrije onderzoek efficiënt naar maatschappelijk toepasbaar en op korte termijn economisch rendabel onderzoek te kunnen verplaatsen, was het eerst nodig lastige en tijdrovende vormen van inspraak uit te bannen. De universiteitsraden met vertegenwoordiging van medewerkers en studenten zijn omgevormd van medezeggenschapsraden naar vrijblijvende adviesorganen.
Daarnaast zijn er nieuwe raden van toezicht ingesteld met een sterke vertegenwoordiging uit de top van het bedrijfsleven. In de hogere bestuurslagen werden de wetenschappers steeds meer vervangen door beroepsmanagers die wel verstand hebben van efficiency, rendement en profijt op korte termijn, maar geen enkel idee hebben welke randvoorwaarden er gesteld kunnen worden aan het op langere termijn veel profijtelijker wetenschappelijk onderwijs en onderzoek.
Als gevolg hiervan zijn de universitaire laboratoria en werkkamers van creatieve ateliers of broedplaatsen van wetenschappelijke kennis waar inspiratie en verbeelding horen te heersen, geleidelijk aan omgebouwd tot bedrijfsruimten waar aan de lopende band volgens standaardprocedures het product kennis wordt gefabriceerd en verhandeld. En dat dan op basis van criteria als input, output en toegevoegde waarde, compleet met designmanagement en corporate identity, wat de universiteit in wezen ononderscheidbaar maakt van een halvarine- of wasmiddelenfabriek. Kenmerkend voor de tijdgeest waarin dat allemaal kon gebeuren is dat technische hogescholen en managementopleidingen bij decreet van de universitaire status zijn voorzien en bestuurders van grote ondernemingen die financiën doneerden daarvoor eredoctoraten en bijzondere leerstoelen kregen en krijgen aangeboden.
Wat het onderzoek betreft heeft één op de vier hoogleraren tegenwoordig een bijzondere leerstoel en wordt benoemd en betaald door een bedrijf of instelling. Ahold, Shell, Philips, Nedlloyd, KLM, Vroom & Dreesmann, de farmaceutische bedrijven, Smith’s Food Company en Sara Lee/Douwe Egberts, allemaal hebben, hadden of sponsoren ze hun eigen chique leerstoel alsof het om een zetel in een skybox in een voetbalstadion gaat. In dit verband kwam laatst het treurige geval aan het licht van de aanstelling bij een van de technische universiteiten van een bijzonder hoogleraar wiens leeropdracht het is om de studenten te informeren over het nut van het gebruik van aluminium onderdelen in de bouw, en die betaald wordt door een bedrijf dat is gespecialiseerd in de productie van aluminium bouwonderdelen. Het allerschrijnendst is nog dat de studenten die dat college volgden en die in deze calculerende en no nonsense-tijd zijn opgegroeid, zeiden dat ze dat een volstrekt normale zaak vonden.

HET IS OM al deze redenen dat door een aantal bij de universiteit betrokken onderzoekers en docenten de eerder genoemde boeken en artikelen geschreven zijn. Dat er vanuit de universiteit ook andere, veel positievere geluiden te horen zijn is alleen maar toe te juichen. De universiteit moet kritisch zijn en zelfkritiek hoort daar ook bij. Aparte vermelding verdient de bespreking van de genoemde publicaties door Ewald Engelen in dit blad. In onvervalste PVV-taal schrijft deze recensent en columnist van De Groene Amsterdammer met verwijzing naar de auteurs: ‘Schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit! De academische werkelijkheid ontbreekt volledig in de twee boeken, wat vragen oproept over de motieven van de auteurs. Hoe kunnen wij ervan op aan dat ze geen behartigers van eigen belangen zijn die via de omweg van grote woorden, diepzinnige frasen en imponerende maatschappijkritiek uiteindelijk niets anders dan de bescherming van de eigen privileges dienen?’
Wie zoals Engelen naar de motieven achter de meningen van anderen vraagt, speelt de man en niet de bal. Engelen beweert dat de academische werkelijkheid in de gewraakte boeken volledig ontbreekt, maar toont dat geenszins aan. Niet alleen zijn de auteurs ervaringsdeskundigen die niet blind zijn voor wat om hen heen gebeurt, ze beroepen zich ook op zowel kwalitatief als kwantitatief wetenschappelijk onderzoek naar het hoger onderwijs. Hun bevindingen worden onderstreept door de analyse van het rapport Duurzame geesteswetenschappen van de commissie Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen. Ook daaruit blijkt dat de kwaliteit van onderwijs en onderzoek zwaar onder druk staat.
Wie zich tegenwoordig kritisch uitlaat over het hoger onderwijs krijgt nog andere verwijten dan die van Engelen naar het hoofd geslingerd. Serieuze kritiek op managers die het hoger onderwijs verkwanselen wordt al snel afgedaan met de frase ‘manager-bashing’. Maar mag men tegenwoordig niet meer naar de legitimiteit van hun handelingen vragen en ze ter verantwoording roepen? Een ander veelgehoord verwijt is dat critici van de toestand aan Nederlandse universiteiten hopeloze romantici of nostalgici zijn die met de rug naar de toekomst staan en het verleden verheerlijken. Het tegendeel is waar. De auteurs van bovengenoemde kritische studies, onder wie ondergetekenden, zijn geenszins van mening dat de academische wereld vroeger paradijselijk was. Het is juist uit zorg voor de toekomst van de universiteit dat zij aan de bel trekken. Een ander verwijt dat critici te vaak te horen krijgen is dat ze niet zo moeten zeuren omdat Nederland nog altijd tot de top hoort. Maar hoe kan het dan zijn dat de onderwijsuitgaven van kennisland Nederland als percentage van het bruto binnenlands product in 2005 met 5,1 procent onder het gemiddelde van zowel de OESO (6,2 procent) als de EU (5,4 procent) lagen?

HIER RAKEN we aan de uiterst pijnlijke kern van de problematiek waarin het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in dit land verzeild zijn geraakt, en die simpelweg beschreven kan worden als de oorverdovende desinteresse van de nationale politiek voor de toekomst van het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Aan grote woorden is geen gebrek bij onze bestuurders: de premier zelf gaf leiding aan het zogeheten Innovatieplatform dat het wetenschappelijk onderzoek nieuwe impulsen diende te geven (Nederland is een kenniseconomie!), maar hij vergat erbij te zeggen dat dat hele platform eigenlijk een ordinaire bezuinigingsoperatie was.
Die werd nog eens bezegeld door de huidige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, zelf een succesvol wetenschapper, die honderd miljoen euro van de vaste onderzoeksfinanciering van de universiteiten overhevelde naar de voorwaardelijke financiering (de competitie tussen onderzoekers om gelden te verwerven via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Dat alles zou onderzoekers dynamischer en ondernemender moeten maken – we kennen de orwelliaanse newspeak inmiddels – maar laten we eerlijk zijn: toont een regering die honderd miljoen weghaalt uit de vaste financiering van de universiteiten enig vertrouwen in die universiteiten?
Hecht zo’n regering enig belang aan de continuïteit en kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek op de wat langere termijn? Het antwoord op die vragen is nogal eenduidig: nee. Alle retoriek over kenniseconomie en science parks, innovatieplatforms en valorisatie van wetenschappelijk onderzoek moet verhullen dat Nederland steeds minder in de kwaliteit van zijn eigen academische traditie investeert. En inderdaad: de afbraak gaat voort. Overal staan nu de kleinere opleidingen op de tocht, de kleine talen om te beginnen.
Is dit alles te keren? Het tijdperk van de universitaire democratie moet niet geïdealiseerd worden, maar herstel van de zeggenschap van docenten en onderzoekers over beheer en bestuur van de universiteiten en uitbreiding van de zeggenschap van studenten over op z’n minst het aangeboden onderwijs aan universiteiten, zouden een zeker tegenwicht kunnen bieden aan het heilloze en ook zielloze verheerlijken van een bedrijfsmatige aanpak van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Maar meer universitaire democratie is op zichzelf geen oplossing, simpelweg omdat de problemen niet bij het universitaire bestuur liggen, maar bij de nationale politiek.
Het wordt tijd dat onze minister van OCW zijn tuttige hoedje deemoedig afneemt ten overstaan van de wereld waar hij zelf vandaan komt en eerlijk toegeeft dat hij een regering vertegenwoordigt die niet bereid is echt te investeren in de toekomst van de wetenschappen in dit land. Als hij dat doet, mag hij nog een keer paraderen op het Boekenbal en op vakantie naar Antarctica. Dat geven we hem dan gewoon cadeau.

René Boomkens is hoogleraar sociale en cultuurfilosofie aan de faculteit der wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen;
Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus en publicist;
René Gabriëls is als filosoof en sociaalwetenschapper verbonden aan de faculteit der cultuurwetenschappen van de Universiteit Maastricht;
André Klukhuhn is scheikundige, filosoof en docent academische vorming, van 1973 tot 2005 was hij als medewerker en later als directeur verbonden aan het Studium Generale van de Universiteit Utrecht