H.J.A. Hofland

De Uruzgan-val

Weer twee soldaten gesneuveld. Het kabinet toont zich geschokt, duizenden hebben het condoleanceregister getekend, deskundigen ontdekken dat de ‘bermbommen’ van de Taliban steeds beter worden, de steun van het volk voor de missie in Afghanistan is tot een kwart geslonken, de militaire vakbonden afmp en acom willen meer soldaten sturen en het cda vindt dat de Afghanen nu haast moeten maken met de vorming van een eigen politiemacht. Natuurlijk is dit een rampzalige gebeurtenis. Maar verrassend? Nee. De laatste keer dat we dit zullen meemaken? Waarschijnlijk evenmin. Dit kabinet heeft in 2007 besloten dat ‘we’ – de omstreeks 1700 soldaten – tot de zomer van 2010 in Uruzgan zullen blijven, onvoorwaardelijk, ongeacht veranderingen in de omstandigheden, op hoop van zegen.

Dat is een onverantwoordelijke beslissing, in vijf opzichten. Minister Van Middelkoop is er toen kennelijk van uitgegaan dat meer bondgenoten in de Navo ertoe konden worden overgehaald een handje te helpen; dat de Afghanen steeds beter zouden leren hoe ze hun eigen land moesten organiseren; dat de Taliban verder zouden worden teruggedrongen; dat de Amerikanen in een groter kader voortgang zouden maken met het oplossen van een zee van problemen, en dat door deze voortgang de grote meerderheid in Nederland de missie zou blijven steunen.

Vijf vergissingen. Een paar van onze bondgenoten hebben besloten nog anderhalve man en een paardenkop naar de gevaarlijke gebieden te sturen en daarmee was de solidariteit uitgeput. Er zijn wel Afghanen die begrijpen dat het beter is voor een land als het op een enigszins westerse manier wordt bestuurd, zonder corruptie, maar in een samenleving die op een volstrekt andere manier is georganiseerd en waar de papaverteelt een van de belangrijkste bronnen van inkomsten is, mag dat nauwelijks een naam hebben. Dat de Taliban zich met toenemende kracht laten gelden is sinds meer dan een jaar oud nieuws. Op wat er in Amerika gebeurt, kom ik hieronder terug. En dat, na alle gebrek aan succes, hier de steun voor de missie verdwijnt, is een logisch gevolg van het voorafgaande.

Bij de discussie over de Nederlandse missie gaan politici en de meeste opiniemakers er impliciet van uit dat we hier in principe te maken hebben met een bilaterale verhouding. ‘Wij’ bouwen scholen en ziekenhuizen, ‘wij’ heroveren Uruzgan op de Taliban. In werkelijkheid zijn we daar niet meer dan een onderdeel van een onderdeel. In januari heeft de Amerikaanse minister van Defensie Gates zich nog misprijzend uitgelaten over de manier waarop de Navo in het algemeen het vraagstuk benaderde: te soft. In Washington is geopperd de papavervelden met een plantendodend middel te bespuiten. Daar gaat het inkomen van de boeren.

Over de sleutelrol die Pakistan in de oorlog speelt, wordt in de Nederlandse politiek nauwelijks nagedacht. De Taliban ravitailleren en rekruteren in het ontoegankelijke grensgebied tussen de beide landen. Welke rol de Pakistaanse strijdkrachten daarin spelen, is onduidelijk – om het voorzichtig te zeggen. Amerikaanse commandanten in Afghanistan willen een uitbreiding van de oorlog, zodat ze ook Pakistaanse militanten in dit gebied kunnen aanvallen. In Washington wordt dit geen goed idee gevonden. Door deze uitbreiding zouden de Amerikanen de nieuwe regering in Islamabad van zich vervreemden, en zonder de hulp van Pakistan gaat het niet in Afghanistan.

Het wordt nog onoverzichtelijker. Het bewind van president Bush duurt nog acht maanden. De lasten van de oorlog in Irak drukken zwaar op het militaire apparaat. Al een jaar geleden meldde Time uitvoerig dat de strijdkrachten uitgeput raakten. En of men nu van mening is dat het in Irak voor- of achteruit gaat, de oorlog blijft de Amerikaanse reserves aftappen. Vorige week publiceerde de Rand Corporation een rapport waarin gemeld wordt dat als gevolg van bijna zeven jaar oorlog in Afghanistan en Irak driehonderdduizend veteranen psychische schade hebben opgelopen. De grote meerderheid van het volk is oorlogsmoe. De opvolger van George Bush, Democraat of Republikein, zal gedwongen zijn ‘de oorlog tegen het terrorisme’ een andere wending te geven.

In deze met de dag onzekerder wordende situatie bevindt zich in de gevaarlijke uithoek Uruzgan de Nederlandse missie, indertijd aan het volk verkocht als ‘opbouwmissie’. Ook toen al kon iedereen die enigszins het wereldbeleid van Bush volgde vermoeden dat het daar niet de goede kant op zou gaan. Vorig jaar, toen Den Haag voor twee jaar bijtekende, was dat vermoeden nog veel sterker. Het is de hoogste tijd voor een parlementair onderzoek, naar ons aandeel in Irak, Afghanistan en het benul dat Den Haag in het algemeen van buitenlandse politiek heeft.