Wie is die man op de bakfiets?

De vader als übermoeder

De maatschappij is competitiever geworden en kinderen moeten daar al vroeg op worden voorbereid. Vaders gaan daarin steeds meer voorop. Ze duwen hun kinderen in alles naar voren.

Medium def 20hipsterfietskindx

Door de gang van de Haagse Duinoordschool loopt een kleverig spoor van iets uit een lekkende tas. De kleuters zijn er opgewonden van, ze zijn achter elkaar de klas uit gekomen. ‘Pak een oude handdoek’, dicteert de juf, ‘en begin maar te dweilen.’ Twee jongens gaan aan de slag, op hun knieën, terwijl de toegestroomde kinderen door de juf terug naar hun stoeltjes worden gesommeerd. ‘Jij ook, meneertje kijkgraag.’ Een vader beziet het allemaal geamuseerd en als het niet opschiet besluit hij een handje te helpen.

Deze vader participeert op school, net als andere vaders die allerlei klussen doen die van oudsher door moeders werden gedaan. Ze gaan mee op schoolreisjes, zijn ‘luizenmoeder’, verven paaseitjes of maken kerststukjes. ‘Bij de jaarlijkse sportdag bestaat de groep hulpouders voor driekwart uit vaders’, zegt directeur Ruud Fabrie van de Duinoordschool. ‘Dit is typisch een mannending geworden.’ Verheugd meldt hij dat er dit jaar voor het eerst een mannelijke klassenouder is. ‘Dat betekent altijd veel kleine zaken regelen, dat doet hij heel efficiënt. In het algemeen zie je dat vaders rekening houden met hun eigen agenda en hulp op school eromheen organiseren. Ze genieten daar echt van.’

De betrokkenheid op school past in een trend: vaders nemen de zorg en de opvoeding van hun kinderen op zich, structureler en vanzelfsprekender dan zo’n tien jaar geleden en niet meer als een met nadruk benoemde ‘papadag’. Je ziet ze overal opereren met hun kroost. Op bakfietsen vol peuters, overdag in parken en speeltuinen of bij de supermarkt met jengelende kinderen aan hun broekspijp en het karretje vol luiers en gezonde hapjes. Ze bezoeken met een groepje vrienden de negenmaandenbeurs en komen met tassen vol informatie thuis. Ook zonder hun vrouw gaan ze naar het consultatiebureau en kennen ze alle ins en outs van hun baby. Op ouderavonden praten ze over de cognitieve en sociale vorderingen in de lessen.

Ruim tien jaar geleden verschenen de eerste boeken van het type ‘man krijgt kind’ of ‘help, ik word vader’, en sindsdien volgden tientallen, zo niet honderden boeken in dit genre. Ook in de literatuur hebben mannelijke schrijvers het ouderschap als thema ontdekt; ze schrijven over de private minikosmos vol geschipper en emotionele dilemma’s waarvoor vrouwelijke schrijvers altijd het predikaat ‘vrouwenliteratuur’ opgespeld krijgen (dé literatuur gaat immers over de grote wereld). De laatste ontsnapping (2014) van Jan van Mersbergen gaat bijvoorbeeld over de ontdekkingstocht van een vader naar de relatie met zijn tienjarige zoon. In de recente roman van de Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer Here I Am (vertaald als Hier ben ik) staat het gezinsleven centraal.

Als mannelijke journalisten een kind krijgen, zie je dat unieke feit terug in hun stukken of columns, alsof hun blik op de samenleving opeens totaal is veranderd. Dan zijn er nog de vele internetsites over het vaderschap, zoals Trotsevaders.nl – ‘door vaders voor vaders’ – met persoonlijke blogs over bijvoorbeeld de spanning voorafgaand aan de komst van de kleine; de eigen kwetsbaarheid bij de verzorging van de baby; hoe je je moet opstellen tegenover weerbarstige pubers; of tips over (stoere) activiteiten, (spannende) uitstapjes, voorleesboeken – kortom alles waar moeders zich ook mee bezighouden en waarover zij al eeuwen met elkaar praten rond de dorpspomp of op het schoolplein. Vaders hebben daar onderling net zo goed behoefte aan gekregen.

Medium hipsterfleskindx

In feite beginnen vaders nog maar net met hun nieuwe rol, en die is betrokken en bezorgd. Zij lijken daarin misschien meer op hun eigen moeders dan op hun vaders. Want gedragen jonge vaders zich soms niet als een übermoeder? Eindeloos tutten met de kids. Oeverloos onderhandelen met peuters en dan maar toegeven. Met apps de activiteiten van hun spruiten monitoren. In de speeltuin dragen hun kleuters een valhelm.

Of is het toch vooral een tijdsbeeld? Het is al vaak beschreven: beide opvoeders zetten zich fanatiek in voor het welzijn en succes van het nageslacht, ze ‘helikopteren’ met iedere stap mee. Dat geldt vooral voor de hoger opgeleiden die relatief laat zijn begonnen met kinderen, vaak slechts één of twee. Aan de helikopterouder voegt Alison Gopnik, hoogleraar psychologie en filosofie verbonden aan de Universiteit van Californië, een nieuw begrip toe: snowplough parenting. In haar onlangs verschenen boek The Gardener and the Carpenter: What the New Science of Child Development Tells Us about the Relationship between Parents and Children analyseert ze hoe middenklasse-ouders alle mogelijke obstakels voor het succes van hun kinderen wegschuiven. De vaders doen daarin niet onder voor de moeders, ze zijn volgens haar in hun micromanagement van het ‘project kind’ misschien wel ambitieuzer.

Deze stijl van parenting is volgens Gopnik een uitvloeisel van het maakbaarheidsideaal van hun eigen ouders, maar ook wijst ze op de tijd waarin deze generatie ouders leeft. ‘De grote wereld is chaotisch, ongewis en buiten onze controle, en om onze eigen angst en onzekerheid te minimaliseren, proberen we grip te krijgen op de toekomst van onze kinderen door hen tegen van alles te beschermen. De jeugd in de middenklasse duurt tot aan de universiteit – en vaak nog ver daar voorbij.’

Een ander recent boek uit Amerika,The End of American Childhood: A History of Parenting from Life on the Frontier to the Managed Child van historica Paula Fass, als hoogleraar verbonden aan Berkeley, plaatst het nieuwe vaderschap tegen de achtergrond van de grote veranderingen in Amerika na de Tweede Wereldoorlog. Het traditionele gezin, met de vader als hoofd van een patriarchale structuur, kwam vanaf de jaren zestig onder vuur te liggen. De familiehiërarchie verwaterde, familieverbanden werden losser. Het liberalisme dat zich na de Koude Oorlog over de wereld verspreidde heeft volgens haar grote invloed gehad op de westerse opvoeding: de maatschappij is competitiever en kinderen moeten daar al vroeg op worden voorbereid. Vaders gaan daarin voorop. Ze duwen hun kinderen in alles naar voren.

Met apps monitoren ze de activiteiten van hun spruiten. In de speeltuin dragen hun kleuters een valhelm

Vaders zijn net zo goed als moeders een product van hun tijd. Om zich te bemoeien met de kansen van hun kinderen nemen Nederlandse mannen daar in toenemende mate daadwerkelijk de tijd voor. Zij doen iets wat vroeger niet gebeurde: vrij nemen van hun werk om voor de kinderen te zorgen, ondanks het feit dat het geld kost en het mogelijk invloed heeft op hun carrière. Het wordt sociaal gezien niet meer raar gevonden dat zij er tijdelijk tussenuit gaan. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) meldde onlangs dat steeds meer vaders onbetaald ouderschapsverlof opnemen; in 2005 zes procent (tegen dertien procent vrouwen) en in 2015 was dat met elf procent (tegen 22 procent van de vrouwen) bijna een verdubbeling.

De toename is het gevolg van een regeling van de overheid die het voor beide ouders mogelijk heeft gemaakt om een periode van zes maanden (onbetaald) verlof op te nemen in de eerste acht levensjaren van hun kind. Omdat het wettelijk vastligt hoeft niet meer per individueel geval, vaak moeizaam, onderhandeld te worden met de werkgever.

Het betaald vaderschapsverlof daarentegen is in Nederland nog altijd karig. Nu bestaat dat uit twee dagen betaald verlof – het kraamverlof – en daarnaast hebben kersverse vaders recht op drie dagen onbetaald verlof – het partnerverlof. Vanaf 1 januari 2019 wordt, onder groot protest van werkgeversorganisaties, het gehele vaderschapsverlof vijf dagen betaald. Dat klinkt niet alleen moeizaam – vaderschapsverlof, kraamverlof, partnerverlof – dat is het ook. Minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft er vanaf vorig jaar hard aan moeten trekken om dit door de Kamer te krijgen zodat ‘ouders arbeid en zorg beter kunnen combineren’. Maar Nederland scoort ten opzichte van bijna alle Europese landen nog steeds belabberd, het vaderschapsverlof is guller geregeld in bijvoorbeeld Slovenië en IJsland met negentig betaalde dagen verlof, of in Duitsland met twee maanden.

De uitbreiding met drie dagen leidde tot hilariteit onder jonge vaders. Op de opiniepagina van de Volkskrant schreef Sjors Koppes uit Amsterdam vorige week bijvoorbeeld: ‘In Duitsland krijgt een vader minstens twee maanden verlof. Als het vier jaar duurt om drie dagen erbij te krijgen duurt het na 2019 nog ongeveer 73 jaar om ons vaderschapsverlof op Duits niveau te krijgen. Op 1 januari 2092 dus, zet het maar vast in uw agenda.’ >

Dat er bij jonge vaders grote behoefte is aan een vorm van verlof is duidelijk. Uit allerlei onderzoek in de laatste tien jaar – van het cbs tot de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) of het Vader Kennis Centrum – blijkt telkens dat vaders aangeven veel meer tijd aan hun kinderen te willen besteden, maar dat het toch vrij lastig te realiseren blijft, mede vanwege de financiën. Nu begint het te kenteren, en hoewel de regelingen zwak afsteken bij andere landen betekent het voor Nederlandse begrippen een stapje vooruit voor mannen, en daarmee ook voor werkende vrouwen en hun kinderen.

In dit verband is het goed om stil te staan bij het onderzoek Zorgende vaders in twee verzorgingsstaten: Een vergelijking tussen Nederlandse en Zweedse vaders en de invloed van beleid en cultuur op hun zorggedrag van de sociologen Loura Penning en Froukje van der Woude. Zij hebben in beide landen mannen geïnterviewd over de invulling van het vaderschap; wat hun wensen zijn, hun ideaalbeeld, hoe zij het regelen, wat de invloed is van overheidsbeleid en hoe hun omgeving er tegenaan kijkt. De conclusie verrast niet: in Zweden is het veel en veel beter geregeld voor beide ouders. Van een ruimhartig geboorteverlof voor vaders (tien dagen betaald), ouderschapsverlof (480 dagen betaald, samen te regelen, waarvan twee maanden voor beiden niet uitwisselbaar zijn) tot bijna gratis kinderopvang – het is een paradijs voor werkende ouders. Wat is de verklaring voor dat grote verschil terwijl beide verzorgingsstaten op elkaar lijken?

Volgens de onderzoekers komt dat voort uit diep gewortelde cultuurverschillen over het gezin en de opvoeding. Het gezinsbeleid van de overheid is daar een afspiegeling van. In Zweden gaat men over de hele linie uit van het ideaal van gendergelijkheid, en dat begint bij de opvoeding. Al decennia wordt er beleid gevoerd dat ernaar streeft om vaders en moeders gelijke kansen te geven op de arbeidsmarkt en in de zorgtaken voor kinderen en het huishouden. Gezinsbeleid is universeel en dus toepasbaar op iedereen die ermee te maken krijgt.

In Nederland willen ouders hun kinderen in een zo veilig mogelijke omgeving laten opgroeien en dat is thuis of binnen de familiekring; er wordt in en rondom het ouderlijk huis opgevoed. Kinderopvang kan, maar niet te veel en ouders willen onderling vrije keuzes kunnen maken over het verdelen van zorgtaken. Vanwege de hoge kosten voor kinderopvang worden grootouders ingezet als oppas, het liefst in het ouderlijk huis van het kind. Waar het Nederlands beleid het huiselijkheidsideaal ondersteunt en mogelijk maakt, ligt in Zweden het zwaartepunt dus bij de wens van gelijkheid. De overheid speelt een actieve rol bij het vergroten van de rol van vaders binnen het gezin. In Nederland is er helemaal geen afzonderlijk gezinsbeleid. Ook zijn er nauwelijks maatregelen of financiële prikkels die gericht zijn op vaders of een gelijkwaardige taakverdeling tussen de ouders.

Wat de sociologen in deze gesprekken met Nederlandse en Zweedse vaders opviel, was dat vaders uit beide landen bijna van hun stoel vielen van ongeloof wanneer ze op de hoogte gebracht werden van de verschillende situaties van vaders in de beide landen. De Nederlandse vaders waren perplex toen ze hoorden hoe de förskola, de kinderopvang, is geregeld. Iedereen die werkt in deze branche is hoogopgeleid en er wordt veel aandacht geschonken aan de emotionele, cognitieve en sociale ontwikkeling van de kinderen. De groepen zijn klein, per groepsleid(st)er zijn er vier kinderen. In Zweden gaan bijna alle kinderen vanaf anderhalf jaar naar de kinderopvang, en ook bijna altijd vijf dagen in de week. Toch wilden de Nederlandse vaders uiteindelijk niet dat de overheid zich sturend met hun keuzes bemoeit. Liever geen al te actief overheidsbeleid. Zij passen net als moeders in een lange traditie: liever zelf doen en niet uitbesteden aan niet-familie. De oplossing is een typisch Nederlandse: mannen gaan net als vrouwen deeltijdwerken.

Generaties lang waren mannen de kostwinner en zorgden hun echtgenotes voor het thuisfront. Dit model bleef ondanks de tweede feministische golf in ons land grotendeels overeind, de klassieke rolverdeling veranderde niet wezenlijk door het diep gewortelde huiselijkheidsideaal. Nederland werd wat betreft vrouwen kampioen deeltijdwerken (driekwart van de werkende vrouwen) zodat zij de scepter konden blijven zwaaien over huis en haard. Ondertussen werd – en wordt – stevig geklaagd over de mannen die maar niet wilden mee-emanciperen, geen werktijd wilden inleveren voor de kinderen en de huishoudelijke werkzaamheden – want ook dat besteden Nederlanders niet graag uit. De jonge generatie vaders is dat nu aan het doorbreken.

‘Muziek, huiswerk, honkbal, naar school. Als ik weer thuiskwam en aan mijn bureau zat, was ik uitgeput’

Maar terwijl mannen minder gaan werken, gaan vrouwen niet méér werken. Het huidige model is: beiden in deeltijd werken, en in overleg – of in geruzie – zorgen voor de kinderen. Volgens het cbs werkte in 2001 twaalf procent van de mannen in deeltijd, in 2012 zeventien procent en volgens een inschatting voor dit jaar zou dat twintig procent zijn. Opvallend zijn de generatieverschillen. Onder mannen van vijftien tot 25 jaar is een deeltijdbaan populair; in de afgelopen tien jaar groeide het aantal deeltijdwerkers van dertig naar 46 procent. Uit een ander onderzoek van het cbs bleek twee jaar geleden dat één op de vijf vrouwen meer verdient dan haar partner waardoor de rekensom aan de keukentafel over wie werkdagen inlevert niet meer automatisch uitkomt bij de moeder.

Ruud Fabrie van de Duinoordschool herkent dit beeld. ‘Wij zijn een school waar beide ouders werken en de taken aardig zijn verdeeld. Je ziet de laatste tien jaar dat het niet meer logisch is om fulltime te werken. Het plaatje is: ieder vier dagen werken zodat er twee dagen per week voor de kinderen overblijven. Het is bijna standaard, ook bij onze leraren. Het past bij een maatschappelijke ontwikkeling die in eerste instantie is begonnen met vaders die hun kinderen naar school brengen. Nu doen ze ook mee in de school en nemen ze na een schooldag de kinderen onder hun hoede.’

Werken in deeltijd is dus de Hollandse invulling van de emancipatie van het vaderschap. En net als werkende moeders moeten werkende vaders schipperen tussen baan en kinderen. Jonathan Foer is daar een prachtig voorbeeld van. Het nieuwe boek had lang op zich laten wachten, hij had zich de afgelopen jaren helemaal aan zijn gezin en zijn kinderen gewijd. In een interview met NRC Handelsblad zei hij daarover: ‘Het was een erg volle periode, dag na dag. Eén kind wordt te vroeg wakker, een ander kind te laat. Het ene kind wil dit voor zijn ontbijt, het andere dat. Muziek, huiswerk, honkbal, naar school. Als ik weer thuiskwam en aan mijn bureau zat, was ik uitgeput. Toen begreep ik dat ik het anders moest aanpakken.’ Het boek werd ‘very domestic’, hij wilde de details van het huiselijk leven vangen.

In Nederland gaat de verandering van de vaderrol, soms ook door een scheiding geforceerd, gepaard met een ‘wij vaders eisen’-ontwikkeling. De meest geprofileerde beweging is het Vader Kennis Centrum. Dat werd ruim tien jaar geleden actief met als drijvende kracht Peter Tromp en als een van de inspiratoren en adviseurs hoogleraar (inmiddels emeritus) pedagogiek Louis Tavecchio. Behalve het verzamelen van kennis over vaders in relatie tot pedagogiek heeft het centrum een activerende functie. Voor vaders die na een echtscheiding via de rechter niet de kinderen toegewezen krijgen of het moeten doen met een magere omgangsregeling. Vaders die zich betutteld voelen door vrouwen in hun aanpak van de opvoeding. De schrale verlofregelingen voor vaders terwijl ze meteen na de geboorte een hechte band met hun kind willen opbouwen. Mannen met een laag zelfvertrouwen in hun rol als vader. ‘Maar’, benadrukt voorzitter Peter Tromp, ‘we zijn in de kern gericht op de rol van beide ouders bij de opvoeding, en dat dit ouderschap met overheidsbeleid beter wordt ondersteund. Wij zijn niet tégen moeders gericht. We zetten in op betrokken vaderschap.’

En dat is nog niet zomaar ‘geregeld’. ‘De zorgende rol van de moeder zit in ons dna gebakken’, zegt Tromp. ‘Er is een sociale druk of je wel een goede moeder bent, terwijl de man van oudsher een kostwinnersrol heeft. Dat is nu aan het veranderen. Vaders zoeken naar hun nieuwe rol, ze willen meer betrokken zijn, maar zijn aarzelend bij het loslaten van hun kostwinnerschap. Vrouwen zijn op hun beurt bezig om minder angst te hebben om de opvoeding uit handen te geven of vaders voor te schrijven hoe het vervolgens allemaal moet. Beiden moeten zich losmaken van de klassieke rolpatronen en de beeldvorming. Een lange weg die pas sinds de jaren zestig, zeventig is begonnen.’

Wel, zegt hij, is het vooral een proces van de hoger opgeleide klasse, mede doordat inleveren van werktijd geld kost. ‘Daar staan weliswaar andere waarden tegenover, maar je moet het je wel kunnen permitteren. Werkgevers en hun organisaties blijven zeer terughoudend, hoewel bij bepaalde bedrijven, zoals in de ict en in de advies- en consultancywereld, maar ook bijvoorbeeld in sommige regionale ambtenaren-cao’s, een cultuuromslag begint. Daar wordt het steeds normaler gevonden dat nieuwe werknemers eisen stellen over verlofregelingen. Uit eigen onderzoek blijkt dat 86,2 procent van de aanstaande vaders en de vaders van kinderen in de basisschoolleeftijd en jonger dit meeneemt bij de keuze voor een werkgever.’

Een kleine overwinning in de emancipatie van vaders is dat in 2009 in het burgerlijk wetboek, artikel 247 over het ouderlijk gezag voor en na scheiding, ‘gelijkwaardig ouderschap’ is opgenomen. ‘Geweldig’, zegt Tromp, ‘er is een inhaalslag bezig.’ Jaarlijks reikt het Vader Kennis Centrum een Vaderdagtrofee uit en er wordt hard gewerkt aan een keurmerk voor ‘vadervriendelijke bedrijven’ met een ruimer betaalde verlofregeling en flexibele arbeidscultuur. Op het congres ‘Van vaders naar vaderschap’ op 7 oktober, dat samen met Women Inc, Trias Pedagogica en de Universiteit van Amsterdam is georganiseerd, staat ‘positief betrokken vaderschap’ op de agenda.

Medium hipsterleeskind

Een van de sprekers is Renske Keizer, die vorig jaar is aangesteld als de eerste hoogleraar vaderschap aan de UvA. Volgens haar stonden ook in de wetenschap vaders lange tijd langs de spreekwoordelijke pedagogische zijlijn. Maar door gestegen echtscheidingspercentages, hogere arbeidsparticipatie van vrouwen en meer egalitaire opvattingen over de taakverdeling tussen ouders, heeft de functie van vaders in de ontwikkeling van hun kinderen ook een steeds centralere plek ingenomen in het wetenschappelijk debat. Haar boodschap is: het meeste vaderschapsonderzoek richt zich op wat de vader doet en welke invloed dat gedrag heeft op de ontwikkeling van het kind. Onderbelicht blijft de omstandigheden waaronder de invloed van vader op de ontwikkeling van hun kind nu het grootst dan wel het kleinst is. Dat deze nieuwe aanstelling overigens door een vrouw wordt ingevuld heeft volgens Peter Tromp een praktische reden: er was geen man beschikbaar die met haar kon concurreren.

Wat is dat eigenlijk, betrokken vaderschap? Een soort tweede moeder? Tromp wijst op bijvoorbeeld ander spelgedrag: vaders die stoeien en daarmee kinderen leren risico’s nemen – het is goed voor de sociale en psychomotorische ontwikkeling. Of: vaders lezen anders voor, uit onderzoek blijkt volgens hem dat zij daarin in belangrijke mate bijdragen aan de taalontwikkeling, hoewel moeders vaker voorlezen. Mannen moeten vooral, wil hij maar zeggen, ruimte nemen voor hun eigen manier van opvoeden.

Die eigen rol van de vader sluit aan bij wat de twee Amerikaanse auteurs schetsen in hun boeken. Beiden dragen daarin argumenten aan tégen de valkuil van de intensieve coaching door moeders én vaders. Alison Gopnik is behalve hoogleraar ook grootmoeder. Vanuit die positie constateert zij dat haar kleinzoontje Augie gedijt onder wat minder controle en een beetje aanrommelen in de tuin of op straat. ‘Wij denken misschien dat we de toekomst van onze kinderen met micromanagement kunnen vormen, maar hersenonderzoek toont aan dat het niet werkt en een liefdevolle stap terug productiever is.’ Snowplough parenting is volgens haar zonde van de tijd, en zelfs erger: het kan een kind ervan weerhouden om stevig en autonoom te worden.

‘We zijn opgegroeid met het idee dat succes komt door goede examenresultaten’, stelt ze. ‘Maar je moet juist risico’s nemen, ondernemen buiten het pad.’ Uit haar eigen onderzoek blijkt dat iemand tot betere beslissingen komt na eerst niet-goede beslissingen te nemen, dat is effectiever dan iemand steeds van tevoren te corrigeren. Voor de resultaatgerichte ouders is haar advies dat ze moeten accepteren dat kinderen hun eigen mislukkingen ondergaan. De ouders als een tuinman in plaats van een timmerman, een kind niet vormen naar hun beeld maar uit liefde laten opbloeien door het te ‘begieteren’. ‘Liefde is belangrijker dan controle en targets – daar floreren ze onder.’

Historica Paula Fass beweert hetzelfde vanuit een historische benadering. Ze heeft gekeken waarom bepaalde families door de tijd heen succesvol zijn gebleken. Dat heeft er onder meer mee te maken dat kinderen al jong moesten werken en hun eigen verantwoordelijkheid leerden nemen en dan soms ‘keihard op hun bek vielen’. ‘De moderne ouders met hun micromanagement breken met een lange traditie van opvoeden tot zelfstandigheid – en dat staat zeker niet garant voor later meer succes in de maatschappij.’ Beide Amerikaanse hoogleraren verdedigen zeker niet een ouderwetse harde hand of een autoritaire, drillende vader. Ze verklaren het overbezorgde ouderschap passé en stellen daar tegenover een opvoeding waarin kinderen meer hun gang kunnen gaan en meer zelf risico’s mogen nemen. In feite pleiten ze voor ruimte voor de mannelijke rol in het ouderschap. Voor aanwezige moeders én vaders, die hun kinderen niet alleen koesteren maar ook vrijlaten. Die tijd breekt langzamerhand aan.