De vader, de zoon en de literaire geest

James Joyce, Ulysses. Vertaald door Paul Claes en Mon Nys, uitg. De Bezige Bij, 861 blz., f119,- (na 1 jan. 1995: f150,-)
OP DE AVOND van woensdag 22 juni 1904 probeert de jonge James Joyce, die dan tweeentwintig jaar is en nog niet verknocht aan Nora Barnacle, een meisje te verleiden dat hem op straat in het centrum van Dublin voorbijloopt. Misschien komt het door zijn slechte ogen, maar hij ziet niet dat zij in mannelijk gezelschap verkeert. De begeleider van het meisje rekent met de onhandige charmeur af. De veelbelovende dichter en toekomstige balling blijft achter met een blauw oog, een pijnlijke pols, een verstuikte enkel en snijwondjes aan kin en hand. ‘Voor een man van eer ben ik niet in de wieg gelegd’, zegt hij de volgende dag tegen een vriend, die niet krijgt te horen dat een ‘barmhartige Samaritaan’ hem het stof van zijn sjofele kleren heeft geslagen en hem naar huis heeft gebracht.

Die hoffelijke man heet Alfred Hunter. Hij wordt het model voor een korte schets die Joyce van plan is te schrijven: ‘Ulysses’. In dat bescheiden verhaal zal Hunter Dublin doorkruisen en uiteindelijk de reddende hand bieden aan een verdoolde jongeman, natuurlijk een alter ego van Joyce, die ik voor het gemak maar Stephen Dedalus noem. Over Alfred Hunter gaat het gerucht dat hij jood is en een overspelige vrouw heeft. Meer weet Joyce niet, maar dat schept juist mogelijkheden.
DE TOEVALLIGE ontmoeting en de schaarse gegevens over zijn redder moeten een epiphany zijn geweest voor Joyce, een flits van inzicht die uiteindelijk een roman oplevert waarin de joodse advertentieverkoper Leopold Bloom uitgroeit tot de 'reddende vaderfiguur’ voor Stephen Dedalus. Bloom, wiens zoontje Rudy in de wieg stierf, vist de bezopen, vleugellamme Stephen uit de goot in 'Nachtstad’ - het bordeel van hoerenmadam Bella Cohen - en begeleidt hem naar zijn huis, Eccles Street 7, waar zijn vrouw Molly in bed ligt te mijmeren over mannenlijven en zoete zonden. 'Hoort mij thans aan’, zegt Stephen in de kraamkliniek waar een vrouw aan het baren is. 'In een vrouwenschoot is het woord vlees geworden doch in de geest van de maker wordt alle vlees dat vergaat het woord dat niet zal vergaan. Dat is postcreatie.’ Deze zinnen gaan niet alleen op voor de wellustige woorden van Molly maar gelden voor de hele Ulysses, een boek dat de eeuwige cyclus van leven en sterven op vele niveaus beschrijft. Alles speelt zich af tussen schoot en dood.
Vlak voor ze zijn huis betreden, vraagt Bloom voorzichtig aan Stephen waarom hij bij zijn vader is weggegaan. Om me in het ongeluk te storten, is Stephens antwoord. Een vader is een noodzakelijk kwaad, beweert Stephen in de bibliotheekscene (de Scylla en Charybdis-episode) waarin hij zijn Hamlet-theorie ontvouwt: 'Hamlet, ik ben uws vaders geest.’ Shakespeare zou Hamlets zoon zijn.
Het prille begin van Ulysses (2 februari 1922), de oerbron van het meesterwerk, wordt opgetekend door Joyce-biograaf Richard Ellmann in zijn nawoord bij de eerste Penguin-editie van 1968. Dat boek, met een sober maar opvallend zwart-witomslag, kocht ik in de zomer van 1970 op het Londense Charing Cross Station voor tien shilling, toen vier gulden. Zeventien was ik en het tegelijkertijd gretige en moeizame lezen van Ulysses kegelde al mijn pas verworven, stellige literaire opvattingen omver. Kon er zo worden geschreven, zo plat en pornografisch, zo verheven en helder? Ja, het kon. Joyce schakelde moeiteloos over van de hij-vorm (beschrijving) naar de ik-vorm (innerlijke monoloog); wisselde van stijl en toon - van vulgair tot hoogdravend; vermengde poezie, proza en drama; excelleerde in eindeloze opsommingen; parodieerde op bijna wetenschappelijke wijze het vraag-en- antwoordspel van de catechismus en citeerde op elke pagina zonder bronvermelding. Had Joyce wel een eigen stijl, plagieerde hij niet, leunde hij niet te sterk op bestaande vormen en teksten (Homerus, Shakespeare, Ibsen, Walter Pater, Sacher-Masoch, Swift, de bijbel, volkswijsjes, libretti, enzovoort)?
Het is waar, Ulysses put uit de gehele wereldliteratuur zonder dat Joyce per zin uitlegt waar hij zijn mosterd vandaan haalt. Als een strandjutter sleepte hij overal zijn materiaal vandaan en hij bouwde een imposant kasteel van taal zoals dat nog niet bestond. Wie Ulysses echt heeft gelezen, zal zich voortaan wel tien keer bedenken alvorens iemand te beschuldigen van plagiaat. Maar ik vrees dat de nieuwe, sublieme vertaling van Paul Claes en Mon Nys meer gekocht dan gelezen zal worden. Ulysses, om van Finnegans Wake maar te zwijgen, wordt nog steeds geassocieerd met onleesbaarheid. De leesbereidheid in Nederland om Joyce van a tot z te lezen is nooit groot geweest, ondanks pionierswerk van Simon Vestdijk, Jacques den Haan en de eerste Ulysses-vertaler John Vandenbergh. Zelfs nu Ulysses is bijgezet in de kast van de wereldklassieken zal de leeshonger niet groter worden.
Frans Thomese schreef in NRC Handelsblad een zuinig, zeer Hollands stuk waarin hij zich, ruim zeventig jaar na verschijning, beklaagde over al die malle fratsen van Joyce. Geef mij Thomas Mann maar, las ik tussen de regels door. Ik had niet het idee dat Thomese het boek helemaal had uitgelezen. 'Als Ulysses onleesbaar is, is het leven onleefbaar’, zei Joyce over de moeilijkheidsgraad van zijn boek. Onleesbaar en onleefbaar. Joyce de taaljongleur en liefhebber van woordspelingen zou de bijna-gelijkenis van juist die twee woorden amusant hebben gevonden.
IN ULYSSES, dat zich afspeelt op donderdag 16 en de vroege vrijdag van 17 juni 1904, groeit Dublin uit tot de navel of beter gezegd de omphalos van de wereld. Ierland is de achterbuurt van Europa, het eiland van het lot of kismet, het Turkse woord dat een paar keer in Ulysses opduikt en dat de vertalers niet nader verklaren omdat het keurig in Van Dale staat.
Het boek is onderverdeeld in achttien episoden die verwijzen naar de Odyssee, het Griekse heldendicht. De eerste drie episoden - Telemachus, Nestor en Proteus - zijn te lezen als een vervolg op A Portrait of the Artist as a Young Man (1916). Stephen Dedalus, pas teruggekeerd uit Parijs omdat zijn moeder op sterven lag, ontwaakt in de Martello Tower in Sandycove, even buiten Dublin, geeft geschiedenisles in Dalkey en laat op het strand van Sandymount zijn gedachten de vrije loop. Hij is als Japhet, zoon van Noach, op zoek naar een vaderfiguur en houdt vast aan zijn credo 'non serviam’, waaraan hij ondanks zijn dronkenschap honderden pagina’s later, in de Circe-episode - een surrealistische vaudeville-voorstelling in toneelvorm waaruit Sacher-Masochs Venus im Pelz niet weg te denken valt - blijft vasthouden met de woorden: 'De verbeelding van de geest! Voor mij helemaal of helemaal niet.’
Het is een lichtelijk pathetische echo van wat Stephen Dedalus aan het slot van A Portrait of the Artist as a Young Man verwoordt. Hij wil gezin noch land noch kerk dienen en wenst zich in leven en kunst zo vrij en zo compleet mogelijk uit te drukken, 'en voor mijn verdediging slechts die wapens hanteren die ik mezelf toesta: stilzwijgen, ballingschap en listigheid’. Stephen neemt geen blad meer voor de mond en wordt Lucifer, de opstandige, de onafhankelijke intellectuele verbeelding. Hij wantrouwt 'waterigheid van gedachte en taal’ (Ulysses, Ithaca-episode). Er bestaat geen tussenweg, alleen compromisloos denken en schrijven, zonder zich te storen aan conventies, moraal of fatsoensregels.
HET SYMBOOL van de Ierse kunst is voor Stephen de 'gebarsten spiegel van een dienstmeid’. De geschiedenis, die hem natrapt, is 'een nachtmerrie waaruit ik wil ontwaken’. Het is dit beroemde Ulysses- citaat dat vaak buiten zijn context wordt geciteerd. De vertalers sluiten, na enkele opmerkingen gemaakt te hebben over de veeltaligheid van Ulysses en hun eigen Vlaamse afkomst, hun verantwoording af met een zin waarmee ik het van harte eens ben: 'Ook naar de vorm is deze vertaling dan een eerbetoon aan de antiparticularistische, antinationalistische en antiracistische roman die Ulysses is.’
Deze slotzin heeft alles te maken met het feit dat Joyce van Leopold Bloom een door Dublin wandelende jood vol seksuele fantasieen heeft gemaakt, die een begrafenis meemaakt, op de krant werkt, zich als voyeur verlustigt in een mank meisje dat zich aan het strand aan hem vertoont. Bloom wordt op deze dag regelmatig met antisemitische opmerkingen geconfronteerd, vooral in de kroeg (Cycloop-episode): 'En ook ik, zegt Bloom, behoor tot een volk dat wordt gehaat en vervolgd. Nog altijd. Nu, op dit moment. Op dit ogenblik.’
Wanneer Stephen in de Nestor- episode zijn honorarium als leraar geschiedenis ophaalt bij het schoolhoofd Mr. Deasy, meester in het verdraaien van historische feiten, reageert hij met zijn 'geschiedenis als nachtmerrie’-metafoor op een filippica van Deasy, een pro- Engelse Schot uit Ulster, tegen 'de joodse samenzwering’ in handel, industrie en pers. De joodse handelaars zuigen de levenskracht uit Engeland en slopen het land. Maar een handelaar is toch iemand die goedkoop inkoopt en duur verkoopt, jood of geen jood? werpt Stephen tegen. 'Zij hebben tegen het licht gezondigd (…) En je ziet de duisternis in hun ogen. En daarom zwerven zij tot op de huidige dag over de aarde rond.’ Wie niet, reageert Stephen, waarna hij de nachtmerrievergelijking maakt. De openbaring van God is het doel waarnaar de mens zijn hele wereldgeschiedenis lang streeft, antwoordt Deasy. God is een schreeuw op straat, is de nuchtere en veelbetekenende tegenwerping van Stephen.
ULYSSES is een lofzang op het dagelijks leven, op het menselijk lichaam dat eet en drinkt en zich ontlast en zich opwindt. Hoewel ik misschien het tegenovergestelde heb gesuggereerd door zo uitgebreid in te gaan op het 'antisemitische’ karakter van het boek, is Ulysses in de verste verte geen ideeenroman. De dingen die ertoe doen liggen verscholen in details: een kreet in een donkere steeg, een stukje zeep in een achterzak, een vergeten sleutel, het vinden van een boekje dat Zoete zonden heet, een misverstand, een erotisch visioen of geile dagdroom, een toevallige ontmoeting. Het broeierige stadsleven in Dublin groeit in Ulysses uit tot een netwerk van nietigheden en lijfelijke lust. Joyce laat een door Dublin dwalende pater mijmeren over de 'dwingelandij van de driften’.
Ik lees de roman als een hommage aan het menselijk instinct, het lichaam dat bevrediging van zijn verlangens eist en uiteindelijk de geest verslaat. In dat licht bezien doen woorden als ontrouw en overspel er niet meer toe omdat die tot het domein van de moraal horen. Er is geen moraal in Ulysses, alleen het vlees, dat Joyce omtovert tot woord. Dat gaat zo in de wervelende gedachtenwereld van Leopold Bloom: 'Koosjer. Nooit vlees en melk samen. Hygiene heet dat nu. Vasten op Jom Kippoer lenteschoonmaak vanbinnen. Vrede en oorlog hangen af van de een of andere z'n spijsvertering. Godsdiensten. Kerstkalkoenen en -ganzen. Kindermoord te Bethlehem. Eten, drinken en blijde zijn. Daarna volle asielen.’
De kunst moet ideeen onthullen, geestelijke essenties zonder vorm. Via het kunstwerk komt onze geest in contact met de eeuwige wijsheid, Plato’s ideeenwereld. Dat allemaal roept een gesprekspartner van Stephen Dedalus uit in de Scylla en Charybdis-episode in de bibliotheek. Stephen verbindt lichaam en geest in zijn pagina’s lang uitgestelde antwoord, benadrukt de eeuwige opeenvolging van generaties en relativeert de gangbare opvatting over het ik in het 'Shakespeare is Hamlet’-debat: 'Zoals wij (…) dag aan dag ons lichaam weven en weer ontrafelen (…), zo weeft de kunstenaar zijn beeld en ontrafelt het weer. En zoals het moedervlekje op mijn rechterborst nog altijd zit waar het zat toen ik geboren werd, ook al is mijn gehele lichaam keer op keer uit nieuwe stof geweven, zo kijkt door de geest van de rusteloze vader het beeld van de niet levende zoon ons aan. Op dat hevige moment van de verbeelding, wanneer volgens Shelley de geest een uitdovende sintel is, is dat wat ik was, dat wat ik ben en wat ik mogelijk nog worden kan. Zo zal ik misschien in de toekomst, de zuster van het verleden, mezelf hier slechts zien zitten in het spiegelbeeld van wat ik dan zal zijn.’
In zijn Joyce-biografie geeft Richard Ellmann een gesprek weer dat in 1919 of 1920 in Triest tussen Joyce en een Italiaanse vriend plaatshad. Ideeen, systemen en politiek jargon, zei hij, lieten hem koud. 'Dat zijn zaken waar je bovenuit stijgt. Intellectuele anarchie, materialisme, rationalisme - terwille daarvan komt een spin niet uit zijn web.’
De vertalers Paul Claes en Mon Nys hebben niet zozeer de pioniersvertaling uit 1969 van John Vandenbergh willen verbeteren of overtreffen, ze zijn helemaal opnieuw begonnen vanuit de veranderde eisen die tegenwoordig aan het vertalen worden gesteld, waarbij ze soms gebruik hebben gemaakt van vondsten van Vandenbergh. In hun verantwoording tonen ze, ondanks de scherpe kritiek, respect voor Vandenberghs werk, dat uiteindelijk te dicht op het Engels bleef zitten. Claes en Nys hebben iets meer naar de geest dan naar de letter vertaald, waardoor er een zeer soepele en uiterst moderne Nederlandse tekst is ontstaan. Uitdrukkingen als 'alles kits’, 'blitse Boylan’, 'ik lach me een breuk’, 'vader gaat op stap’ (naar een liedje van Toon Hermans), 'duizend bommen en granaten’ (kapitein Haddock in Kuifje), 'noppes’, 'stoot’, 'spetter’ (meisje), 'gatver’, 'kloterij’ en 'krijg de kelere, klootzak’ maken van de Nederlandse Ulysses een actueel 'staalboek van stijlen’, zoals Claes en Nys het boek omschrijven. Dat is hun vertaling ook geworden.
ONDANKS DAT IK me twee keer gestoord heb aan een Vlaamse vertaling waar het niet functioneel was ('nonkel’ op blz. 215 en 'vermits’ op blz. 438), is de rijkdom van het Nederlands - van het Middelnederlands van Mariken van Nieumeghen (de duivel Moenen) tot plat Mokums en koket Vlaams - op alle niveaus uitgebuit. Sommige vondsten versterken de ironisch-humoristische toon van Ulysses en de citaatdrift van Joyce, bijvoorbeeld in de opsomming van namen die met bomen te maken hebben: Mevr. Irmgard van de Eikenterpen en Mevr. Els Schot. Zou een Nederlandse vertaler daarop gekomen zijn?
Ik heb een kritische opmerking. De vertalers gaan in hun verantwoording wel erg snel en gemakkelijk voorbij aan wat Bruce Arnold 'the Scandal of Ulysses’ noemt. Van Ulysses is in 1984 een gecorrigeerde versie gemaakt, onder leiding van Hans Walter Gabler, die zeer omstreden is omdat de oertekst van Ulysses nooit meer is te achterhalen. Met name John Kidd heeft zich met talrijke voorbeelden teweergesteld tegen de niet altijd even heldere en al te rigoureuze werkwijze van Gabler. Claes en Nys hebben voor een eclectische werkwijze gekozen. Ze volgen Gabler maar nemen soms correcties van Kidd en andere critici over. Tenminste, voor zover ik dat kan overzien, want hier blijft de verantwoording in gebreke. Daarom moet ik er maar naar raden waarom de vertalers een cruciale passage in de Scylla en Charybdis-episode hebben gehandhaafd, daar waar Kidd en later ook Richard Ellmann (ondanks zijn positieve inleiding bij de commerciele Vintage-editie van Ulysses: The Corrected Text, 1986) grote bezwaren hebben gemaakt. Het gaat om een passage die zijn echo heeft in de surrealistische Circe- episode, als Stephen aan het sterfbed van zijn moeder staat en geen berouw toont voor zijn ongelovigheid. 'Zeg me het woord, moeder, als je het nu weet. Het woord dat iedereen kent.’ Dat woord is liefde, blijkt nu op blz. 211 van de Nederlandse vertaling, volgens Ellmann het kernthema van Ulysses.
Het is jammer dat Paul Claes en Mon Nys vluchtig en te luchtig over de controverse Gabler-Kidd heen wandelen en niets zeggen over het waarom van hun keuzen. Welke vertaling lezen we nu precies, waarom deze mengvorm?
Maar er blijft zeer veel over om van te genieten. Ulysses is in de Nederlandse vertaling een springlevende roman waarin de taal welig tiert. De acrobatiek van James Joyce’s woorderotiek en woordwellust is in het Nederlands geevenaard. Dat kan maar een ding betekenen: de Martinus Nijhoff-prijs.