De vader het monster

De nieuwe roman van Manon Uphoff werd geboren uit een afkeer van fictie, zo valt uit de openingspagina’s op te maken. Wat een drama. Dat juist haar dit moest overkomen, altijd trappelend en snuivend als een paard – naar eigen zeggen – zo gauw een vertelling het normale beloofde te overstijgen. Uitgerekend zij, met haar speciale honger naar tragedie, verloor de liefde voor buitenissige verhalen. Zo herinner ik me haar werk ook: duistere, broeierige verhalen waarin een stalknecht ’s nachts zijn paard bezoekt, waarin meisjes niet weten waar ze naartoe moeten met hun begeerte, gezinsleden elkaar gevangenhouden in rituelen van aantrekking en afstoting. Maar nu stagneerde het schrijven, onrust kwam ervoor in de plaats, innerlijke woelingen, aangedreven door onvrede met het laatste boek en tot ontploffing gebracht door de plotselinge dood van haar oudste zus. ‘Wie kan voorspellen wat zich op een dag zal losmaken uit het donker om ons te achtervolgen als een bange hond?’

Is deze roman zo autobiografisch? De suggestie in die richting is even dwingend als kunstmatig, met een verteller die zich vanaf de eerste regels weigerachtig toont. ‘Lezer, ik wilde dit verhaal niet vertellen.’ Het is de oudste retorische truc ter wereld, met gegarandeerd gespitste oren van het publiek tot gevolg. En dan is achter in de roman ook nog eens een stamboom opgenomen, die de duizelingwekkende reikwijdte van het nageslacht van Henri Elias Henrikus Holbein grafisch onderstreept. Want om dat nageslacht gaat het hier, inclusief ‘MM’, oftewel ‘ondergetekende’ zoals de schrijfster zichzelf gedurende haar vertelling betitelt, met overeenkomstig geboortejaar als dat van Uphoff.

Ze weet: dit verhaal moet het álleromzichtigst verteld worden

Vallen is als vliegen is een huiveringwekkende roman. Uphoff boorde in haar onrust en ellende een ader aan die zich niet meer liet wegduwen, die almaar obscener pulserend aan het oppervlak kwam te liggen. ‘Zie je, ik ben een van de kinderen Holbein. Dochter van Henri Elias Henrikus Holbein. De briljante architect van onze angst en opwinding, en grootmeester en regisseur van onze momenten van extreme verrukking en vrees.’ Net als zijn beroemde naamgenoot is deze Holbein kunstschilder, en wetenschapper, en vader van reeds vijf kinderen als hij in het huwelijk treedt met de Sophia Loren-knappe vrouw die al moeder is van twee, en die nog zes kinderen samen met hem zal krijgen, onder wie dus ‘ondergetekende’. Een zootje ongeregeld, ‘misfits’, buitenbeentjes zijn het, met allemaal is er iets aan de hand. Wat de meisjes zeker gemeen hebben zijn de nachtelijke bezoekjes van hun (stief)vader, die in de roman meestal wordt aangeduid met de even dreigende als koninklijke initialen HEHH, of als de Minotaurus zo gauw het over zijn nachtgedaante gaat die zich voedt met meisjesvlees.

Uphoff kent haar klassiekers. Altijd het dikkige leeskind met brilletje geweest, gepest op school en verwend door haar vader met de sprookjes van Andersen, is ze voorgoed behept met een hang naar mythen en magie, en een geloof in geesten. Als geen ander weet ze dat het verhaal dat zich na al die jaren heeft losgemaakt uit het donker, het álleromzichtigst en tegelijkertijd het állerwoedendst verteld moet worden. Niets mag zomaar plat op de grond neervallen, elk woord moet opnieuw geproefd worden. Slechts één keer laat ze het woord ‘incest’ vallen, tegen het einde, als ze de zussen bijeen heeft gebracht in een heksensabbat en laat dollen met de nagedachtenis van HEHH, en ze fantaseert over hoe zijn genitaliën met een stanleymesje, o nee beter een nagelschaartje tot een ander soort boeketje gerangschikt kunnen worden. Na het derde glas wijn zet ze een smartlap in, en dan staat het er dus, tussen haakjes in spot gevangen: Incest, de musical.

Geen incestroman alsjeblieft, geen slachtofferproza, geen sensationeel gekrabbel over het schandelijkste geheim, lijkt tussen de regels door het ongeschreven gebod in deze roman. Maar zo’n aardse schrijfster is Uphoff niet, nooit geweest ook. De zware deur naar de donkerste kamer laat zich alleen openen met koninklijke beeldspraak, mystieke vergelijkingen, verwijzingen naar Escher, en Alice die in het konijnenhol tuimelt. Haar eerdere werk komt door deze roman in een ander licht te staan. Misschien is het een verhelderend licht. Schrijnende passages wijdt ze aan het voornemen van ‘ondergetekende’ zich te concentreren op wat ze wil bereiken en waar ze naartoe wil, een glas robijnrode wijn voor zichzelf in te schenken als ze zo ver is. ‘Zelfs als je daarvoor een beetje of beetjeveel hebt moeten liegen.’

Het universum dat Uphoff optrekt is een volle, talige wereld, die bij mij reminiscenties oproept aan schrijvers als Joyce, O’Brien, Enright. Inderdaad, Ieren, met hun patent op die raadselachtige combinatie van cerebraal en fysiek, rauw en teder. Als lezer kun je af en toe bijna ten onder gaan aan zoveel wilde en poëtische vertellust, om dan weer aan je haren erbij gesleept te worden door nét dat ene naargeestige detail, of net weer een andere wending in de geschiedenis van de zussen en de moeder. Uphoff vertelt een verhaal van uitverkoren worden, ‘groot als een berg zijn, duizendtietig, duizendkontig’, en hoe flets het gewone leven daartegen kan afsteken. Het is een eng verhaal dat zij met een meesterhand tot een waarlijk piece of art heeft gesmeed.