De vagina als bom

EEN UNIFORM KAN een verademing zijn, een manier om te ontsnappen. Nieuwe kleren die je uit een benauwde omgeving tillen en je in een groep, een klas, een school, een leger planten. Eindelijk niet meer alleen, eindelijk onkwetsbaar; je hoort erbij en wordt niet meer aangesproken op je eigen wankele ego. Je bent opgegaan in het grote geheel. Totdat blijkt dat je door inlevering van je lastige ego in feite alles uit handen hebt gegeven en jezelf bent kwijtgeraakt.

Als het meisje Lula uit Buxton Spice, het debuut van Oonya Kempadoo (Guyana, buurland van Suriname), na jarenlang thuisonderwijs, op dertienjarige leeftijd naar de middelbare school gaat, mag ze zo'n felbegeerd uniform dragen. En dan is het om het even of je ‘Indiaas, zwart of gemengd, dik of dun’ bent. De school kan een enclave zijn, een beschermd domein. Maar in het Guyana van vlak na de onafhankelijkheid, als de zwarte linkse leider Linden Forbes Burnham steeds meer macht vergaart en via zijn volksmilities en gekochte spionnen als Big Brother fungeert, wordt de school een mini-wereld. En het werken in de schooltuin, onder leiding van een leraar die er niet echt in gelooft, wordt dan meer dan educatieve landarbeid. 'We hadden alles: de grond, water, gereedschap, zaad, maar geen deskundigheid of animo. Net als in de natie was de productiviteit nihil.’ Hier - bijna aan het einde van het verhaal over de vele raadselen die de kinderwereld kent en koestert - spreekt niet Lula, maar dringt zich de verteller op, die hetzelfde zegt als Oonya Kempadoo in interviews. En voor die verteller heeft de wereldpolitiek geen geheimen. Hij legt haarfijn uit dat Burnham een potentaat was in een rijke traditie. Hij leek ook op Idi Amin, zegt Kempadoo in interviews. 'Na de onafhankelijkheid (van Brits Guyana - gb) is het land onder Burnham langzaam uiteengevallen. Hij wakkerde de raciale spanningen aan om zijn macht te consolideren. Als je, zoals toen in Guyana het geval was, Afrikaanse en Indiase dorpen hebt die gescheiden van elkaar leven, hoef je mensen nauwelijks aan te moedigen om de kloof te verbreden. Ik denk dat iedereen aanleg voor racisme heeft; het zit in de menselijke natuur.’ HET BOEIENDE van Buxton Spice is echter dat Lula dergelijke dingen niet denkt of hardop formuleert (op de slotpagina’s na, waarin Kempadoo haar vertelperspectief vanuit een opgroeiend meisje helaas loslaat) maar zulke maatschappelijke fenomenen elke dag om zich heen ziet of aan den lijve ondervindt. Buxton Spice moet het hebben van de in zichzelf gekeerde meisjeswereld; van de fijnmazige en gedetailleerde waarneming van het hitsige lijf van zichzelf en anderen; van de grenzeloze nieuwsgierigheid van een kind naar de duistere gewelddadige volwassen wereld, van de gretigheid van het oog, het oor en de mond die nog geen abstracte politieke dilemma’s kan uitspreken. En op de achtergrond bevindt zich de overweldigende, vruchtbare en onverschillige natuur in de gedaante van een kolossale boom die alwetend lijkt maar die geen geheim prijsgeeft: 'In de bocht van het huis stond de grote dikke Buxton Spice, de mangoboom wist alles, maar vertelde me niks. Stond daar maar op te zwellen van alle geheimen.’ Dat doet Kempadoo’s verhaal ook: opzwellen, en zeker in de seksuele betekenis van dat woord. De vertelling over het jonge onafhankelijke en al snel gecorrumpeerde Guyana wordt in beeldende fragmenten gedoseerd zonder een blad voor de mond te nemen. Seksualiteit, etniciteit en politiek groeien uit tot een onontwarbare kluwen van verlangens, belangen, vooroordelen, jaloezie, geilheid, haat, liefde en andere, veelal onbeheersbare gevoelens. De drang tot macht, de lust een ander te bezitten, woekerende begeerte; het zijn menselijke eigenschappen die zowel op het terrein van de politiek als de seksualiteit ruimte opeisen. Het is een verademing een verhaal te lezen waarin geen ruimte is voor de moraal van volwassenen. De kinderwereld is nog magisch en onbedorven. 'Het droge knappen van een brekend takje was het geluid van toverij dat overal rondom knisperde en glinsterde.’ Kempadoo heeft als lokatie Tamarind Grove gekozen, een dorpje dat zich voegt naar de langs etnische lijnen denkende postkoloniale politici. DE AANVANKELIJK onbezorgde kinderwereld van Buxton Spice kent niet zoiets als een afgebakende homo- of heteroseksualiteit. Lula heeft een 'mannen-ik’ en een 'vrouwen-ik’. En wat een oudere wellicht verkrachting zou noemen, ondergaat Lula als een opwindende initiatie, een gebeurtenis die haar doet beseffen dat haar vagina een 'bom’ is die ze op elk gewenst moment tot ontploffing kan brengen. Na die ontdekking is de hele wereld geërotiseerd en experimenteert Lula met barbiepoppen, zusjes, vriendjes en vriendinnetjes om haar ontluikende lusthonger te leren stillen. Maar de idylle is schijn. Een 'Portugees’ meisje mag niet met een zwarte jongen vrijen, op straffe van een pak slaag. En wat heeft de vrouw van de dominee wel niet gedaan dat ze er zo voor gestraft wordt? 'Half in de modder, open mond, gevuld met modderig gras. Haar blote lichaam gedraaid, enkel een stukje van een rood truitje op haar ene schouder. Zwartig blauwe doffe huid in de zon. Een diepe snee glinsterde in haar hals en tussen haar benen stak nog meer gras omhoog dat in haar kut was geduwd. Een beetje water spoelde tegen haar buik en arm en vloeide toen kolkend in de moddergaten waarin mijn voeten stonden.’ Hier komt de raadselachtige wereld van de volwassenen in het blikveld van het meisje. Hier vervloeien seksualteit en politiek. Voor haar, die zich niet verliest in heilige verontwaardiging omdat ze niet weet waarop ze die moet richten, is het een nog niet te duiden teken. Het precieze verhaal van de domineesvrouw komt de lezer niet te weten, maar dat is ook niet essentieel. Van groter belang is dat het kinderdomein met voeten is getreden en dat er geen weg terug meer is. Langzaamaan verliezen Lula en het idealistische gezin waarin ze opgroeit (haar vader is een reislustige Indiër die zich geïnspireerd weet door de geweldloze politiek van Mahatma Gandhi) vaste grond onder de voeten en worden ze verdreven, samen met talloze andere Guyanen met een goede opleiding. BUXTON SPICE had met een paar minieme aanpassingen ook in Suriname kunnen spelen, als we het beeld van de schooltuin die niets oplevert ruim opvatten. En waarom noemen we dictator Linden Forbes Burnham van Guyana niet gewoon Desi Bouterse, de gewiekste cocäinehandelaar en politieke machthebber die de belangen van zijn land ondergeschikt maakt aan persoonlijk gewin en vriendjespolitiek die de vooruitgang van het land ondermijnen? Buxton Spice heeft een harde en een zachte kant. Het is een woedend boek als het erom gaat paternalistische en racistische politiek te bekritiseren, en het is een sensitieve vertelling over een onschuldige kinderwereld waarin seksuele gevoelens nog niet zijn besmet door machtsgevoelens en moordlust. Als dit debuut over Suriname zou gaan - maar het gáát ook over Suriname! - had iedere zichzelf respecterende krant allang aandacht aan dit prachtige proza van Oonya Kempadoo geschonken.