De vakbeweging winkelt niet na zessen

‘Nederlanders willen gewoon op normale kooptijden boodschappen doen. Een moeder wil ’s ochtends als ze haar kind naar school heeft gebracht, om negen uur bij Albert Heijn terecht kunnen. Ik vind het onterecht om via verruiming van de winkeltijden het cultuurpatroon te veranderen.’

Is hier het GPV aan het woord? Nee, deze woorden tekende de Volkskrant vorige week op uit de mond van L. Voormeulen, bestuurder van de FNV Dienstenbond.
Voormeulen presenteerde de resultaten van een onderzoek naar de behoefte aan ruimere sluitingstijden van winkels. Tegen de zin van de FNV Dienstenbond heeft het nieuwe kabinet namelijk laten doorschemeren dat het van de huidige beperkingen af wil. De bond vreest dat het winkelpersoneel daardoor naar het pijpen moet dansen van een kleine minderheid van tweeverdieners en alleenstaanden die geen tijd hebben om voor half zeven boodschappen te doen.
En zowaar, het FNV-onderzoek lijkt dat te ondersteunen. Bestuurder Voormeulen wees de verzamelde pers er fijntjes op dat tachtig procent van het volk de noodzaak van het vrijgeven van de winkeltijden niet ziet. Daarbij was wel in de vraag vermeld dat ruimere openingstijden zouden kunnen leiden tot prijsstijgingen van drie procent. Dat zonder dit dreigement uit hetzelfde onderzoek blijkt dat 75 procent van het volk ruimere openingstijden wenselijk acht, werd door de bestuurder afgedaan met ‘wenselijkheid is hetzelfde als vragen om mooi weer’.
Het verzet van de FNV Dienstenbond staat niet op zich. Het is het zoveelste bewijs dat de vakbeweging er niet in slaagt om haar syndicalisme te combineren met een aansprekende cultuurpolitieke visie op de moderne tijd. Toen in Leiden een aantal jaren geleden werd voorgesteld om de Openbare Bibliotheek ook op zondag te openen, schreeuwde de ABVA/KABO dat dit een aanslag betekende op het personeel. Dat heeft echter niet mogen verhinderen dat wegens grote belangstelling inmiddels een groot aantal bibliotheken op zondag open is.
Toen Nova een paar maanden geleden een reportage maakte over een bedrijf waar de leiding niet zonder succes het toyotisme had ingevoerd, kostte het geen enkele moeite om een vakbondsbestuurder voor de camera te krijgen die het vakbondswantrouwen tegen zulk management-modernisme wilde onderstrepen door het oppoetsen van een paar cliches over solidariteit onder werknemers en het beschermen van de zwakke broeders in het bedrijf.
Het zijn enkele willekeurige voorbeelden van een hang naar syndicalistisch conservatisme waarvoor elke vakbeweging op haar hoede zou moeten zijn. Het beroemdste voorbeeld daarvan staat nog altijd op naam van de Engelse vakbonden, die lang na invoering van de elektrische trein nog actie voerden om er voor te zorgen dat naast een machinist ook een stoker op de trein bleef meerijden. Zo fraai dient de Nederlandse vakbeweging haar conservatisme tegenwoordig niet meer op. Maar van de discussie die zo'n vijftien jaar geleden werd gevoerd over een brede, visionaire vakbeweging is alleen in het hoofdkantoor van de FNV nog een echo te horen. De afzonderlijke bonden lijken er in ieder geval geen boodschap meer aan te hebben.