Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis

De val van de jonge Amos Oz

Amos Oz
Een verhaal van liefde en duisternis
Uit het Hebreeuws (Sipoer al ahava wechosjech, 2005) vertaald door Hilde Pach
De Bezige Bij, 647 blz., e 29,90

Als Ariël Sharon nog bij zijn positieven mocht komen, smaakt hij het genoegen nu al de necrologieën te kunnen lezen die anders na zijn verscheiden zouden verschijnen; en vergenoegd zou hij zien hoe kort van memorie de zogenaamde publieke opinie is. Het commentaar van Amos Oz betrof maar een klein stukje, maar met zijn laatste boek vers in het geheugen – de omvangrijke roman met de wat misleidende soaptitel Een verhaal van liefde en duisternis – was het een veelzeggend krantenstuk. Oz kenschetst Sharon als de mannetjesputter, de door hem altijd verfoeide ijzervreter die zwoer bij geweld. Over die geharnaste en pathetische generatie gaat Oz’ roman, breder: over de pioniers ten tijde van de oprichting van de staat Israël, 1947/48, de kater erna, en over veel meer. Als iets voor die generatie – van veelal uit Oost-Europa afkomstige Israëliërs – kenmerkend was, waar Oz de nadruk op legt, is het hoe men collectief én individueel aan het beeld van de door machteloosheid deemoedige diasporajoden probeerde te ontsnappen. Grote verbazing, ook bij Oz, toen Sharon een paar jaar geleden opeens de taal van zijn tegenstanders leek over te nemen. Maar hij deed het: hij ontruimde Gaza, zij het in oude stijl, met bulldozers, en zonder ooit met iemand te praten, laat staan met de Palestijnen. En dan in het krantenstuk het dodelijke zinnetje: «Hij kreeg echter maar twee jaar de tijd om ongedaan te maken wat hij in 35 jaar had aangericht.»
De roman laat de voorgeschiedenis van de staat Israël zien. Ik moet zeggen: zelden heb ik zo veel uit één boek geleerd. De roman is alleen al bijzonder omdat Oz er werkelijk in slaagt persoonlijke geschiedenissen begrijpelijk te maken in de context van de emigratiegolven (1919, 1933), en omgekeerd de gemiste kans van 1947/48 (twee staten naast elkaar) op locatie te verslaan. Het verschil met (de generatie van) Sharon is dat Amos Oz (1939) zijn hele jeugd doorbracht in een wijk van Jeruzalem waar niet alleen elke bewoner een andere (Oost-Europese) taal sprak, geografisch uit een andere plaats en politiek-ideologisch uit een totaal andere windstreek afkomstig was, maar waar joden en Arabieren op elkaars lip zaten zonder elkaar het leven zuur te maken of erger. Terzijde: en het verschil tussen rijk en arm niet te vergeten, en dat tussen mannen en vrouwen niet te vergeten. Het is ook nog eens een schitterende stadsroman: daar kan geen socio-economische studie tegenop.
Oz, die in alle oorlogen van Israël ge vochten heeft, maar ook een van de oprichters was van de vredesbeweging, heeft het nooit over vrede, laat staan vriendschap tussen joden en Arabieren, maar ziet alleen heil in coëxistentie, hoe hard en pijnlijk ook, een gewapende vrede dus. De roman bewijst dat het niet zomaar een idee of slogan is geweest, maar gebaseerd op persoonlijke ervaring, waarbij men wel dient te bedenken dat Oz werd grootgebracht in een agressieve rechts-conservatieve omgeving. «In die tijd was ik geen kind maar een verzameling deugdzame argumenten. Een kleine chauvinist vermomd als vredes gezinde. Een schijnheilige, zoetgevooisde nationalist. Een negenjarige zionistische propagandist. Wij waren de goeden, wij hadden gelijk, wij waren het onschuldige slachtoffer…»
Zo zag hij zichzelf toentertijd natuurlijk niet. Eén misverstand bij zo’n auto bio grafisch getint boek mag meteen ont zenuwd worden. Oz reconstrueert misschien zijn verleden – en dat van zijn ouders en voorouders is meer fictie dan geschiedschrijving, een fabelachtige familiesaga – maar dat is iets heel anders dan het ophalen van herinneringen, hoewel ook dat heel plastisch gebeurt. Maar wat interesseert ons wat een jongetje van acht in 1947 zag en hoorde? Veel interessanter is het commentaar van de zestigjarige in 2001. Wat de jongen toen ook begrepen moge hebben, veel, hij had er toen de woorden niet voor. Of liever gezegd: hij had er de juiste woorden niet voor, of nog beter: geen eigen woorden. Hij was «een woordenkind», praatjes had hij genoeg. De schrijver heeft er anno 2001 wél woorden voor, en hij concludeert nu dat de jongen niets begreep. Snel van begrip was hij wel, anders had zijn «bekering» zich nooit zo snel voltrokken.
Het zal wel goeddeels mystificatie zijn, maar het verhaal is te mooi om niet na te vertellen. Toen hij, na een paar jaar particuliere school bij twee juffrouwen aan huis, op een zeer religieuze school zat, was hij weliswaar een buitenbeentje maar nationalistischer gezind dan ooit. Op z’n twaalfde, in 1952, maakte zijn moeder een eind aan haar leven en daarmee eindigt de roman. Het is ook geen autobiografie; daarom zijn de paar uitstapjes naar volgende stadia belangrijk. Door zijn grootvader Alexander werd de jongen meegenomen naar een toespraak van Menachem Begin, die als legendarische commandant van de ondergrondse tegen de Britten zijn voornaamste idool in die jaren was. Voor een zaal vol vurige gelovigen beklom een mager mannetje het spreekgestoelte om een vlammende rede af te steken. Daar ging Begin af in de ogen van de jongen – Oz noemt het de val van zichzelf; het was hooguit een val uit het nest. De natie zou nooit door de knieën gaan, oreerde Begin, mits – mijn broeders en zusters, Volksgenoten – het leiderschap een nationaal leiderschap zou zijn. Daarom, eerst weg met «de zwakke, moede en moedeloze, verachtende en verachtelijke regering van Ben Goerion».
Iedereen boven de 25 in Israël sprak een Hebreeuws dat hij uit boeken had. De jonge generatie sprak een taal die als spreektaal voor een deel op nieuw moest worden uitgevonden, het Ivriet, een woord dat Oz niet gebruikt. Er waren ouderen, zoals opa Alexander, die het Hebreeuws aanbaden maar het tot het eind van hun leven gebrekkig spraken. Een deftig heerschap kon denken dat hij het over zijn vest had en een woord gebruiken dat voor jongeren bustehouder betekende; of een dame betoonde zich geschokt, niet wetend dat «schok» ook het woord voor «scheet» was.
Begin was op dreef en begon aan een retorische escalatie: «President Eisenhower neukt het regime van Nasser! (…) De hele wereld neukt dag en nacht onze Arabische vijanden. (…) En wie neukt de regering-Ben Goerion?» Er klonk wat aarzelend applaus van de bejaarde asjkenazim, maar de jongen van twaalf kon zijn lachen niet meer houden en schaterde het uit. Schande! Amos werd door zijn grootvader aan zijn oor de zaal uit gesleurd. De meesten in de zaal hadden niet door dat de woorden «bewapening» en «wapen» in de spreektaal misschien wel dezelfde klank hadden, maar een andere betekenis hadden gekregen.
Twee jaar later zal de jongen met alles van zijn vaders wereld breken en naar een kibboets gaan (Choelda, waar hij tot 1985 zou blijven). Hij veranderde ook van naam: de naam Klausner werd bepaald door zijn beroemde geleerde oudoom Josef, in wiens slagschaduw vaders ambities verpieterden. Oz betekent in het Hebreeuws kracht; maar misschien was het ook een verwijzing naar de tovenaar, en zelfs een eerbetoon aan zijn moeder als vertelster van wonderbaarlijke verhalen. Amos wilde toentertijd geen smachtende, onanerende dichter meer zijn, maar een bruinverbrande pionier – hij wilde herboren worden. Tot zijn verbazing zag hij dat al die stoere meiden en jongens in de kibboets niet alleen veel lazen, maar tot op het veld intellectuele discussies voerden.
Ook andere stelligheden bleken minder vanzelfsprekend. Een van de oprichters van de kibboets legde hem uit dat het onderscheid van Begin – en van Amos’ eigen vader, de kamergeleerde – tussen het kruiperig diaspora-achtige en het mannelijke He breeuws zelf een door de diaspora gegenereerde tegenstelling was. Wat de kibboetsnik Begin en zijn vrienden echt kwalijk nam, was dat ze het dag en nacht over macht hadden zonder enig benul van macht te hebben. Op een nacht, toen Amos met dezelfde man wacht liep, legde deze hem uit dat de Arabieren hen terecht als indringers beschouwden. Het «conformistische product van de zionistische werkelijkheid», zoals Oz de jongen van toen noemde, wist niet wat hij hoorde. De Oz van nu vindt trouwens nog steeds dat de Arabieren – lees de vijf Arabische staten, de leiders ervan – in 1947 een enorme kans gemist hebben door de mogelijkheid van twee gescheiden staten, een idee dat op 29 november 1947 bij meerderheid door de VN werd aangenomen, met een gewapende overval de grond in te boren.
Op die zaterdagavond in ’47 zat de hele wijk Kerem Avraham rond een radiootje in het tuintje van de familie Klausner naar het nieuws te luisteren, een prachtige scène: «De hele menigte begon langzaam om zichzelf heen te bewegen alsof ze werd rond gedraaid in een reusachtige betonmolen.» De situatie herhaalt zich op 14 mei als David Ben Goerion de geboorte van de staat Israël afkondigt. Eén minuut na middernacht vallen de Arabische legers het land binnen. Moeiteloos wisselt het verhaal van perspectief: «En ik had een schildpadje.» Zijn vader had dat uit Jordanië meegebracht. «Op de dag dat Greta en moeders vriendin Piri Ja nai gedood werden, werd ook mijn schildpad Mimi gedood. Een granaatscherf die in onze tuin landde, sneed hem in tweeën.»
Iets verderop stelt Oz vast: «Voorbij waren de ‹heroïsche jaren›, de jaren van de Tweede Wereldoorlog, de genocide op de Joden in Europa, de partizanen, de massale rekrutering voor het Britse leger en de Joodse Brigade die de Britten hadden opgericht voor de oorlog tegen de nazi’s, de jaren van de strijd tegen de Britten, de ondergrondse, de illegale immigratie…» Zulke opsommingen hebben in het boek een soms bijna muzikaal effect, het zijn coda’s in de vertellingen; eens te meer een teken dat het niet zomaar om herinneringen gaat.
Het woord «vertellingen» past bij de voorgeschiedenis, waarbij Oz zijn fantasie meer de vrije loop kan laten dan bij de eigenlijke familiegeschiedenis die de ro man ook of vooral is, die van moeder-vader-zoon. Dat verhaal uit de eerste hand wordt meer in scène gezet of verteld in scènes: elke scène bevat beknopt veel langere en ingewikkelder verhalen. Eén situatie als voorbeeld, waarin de grote teleurstelling zich al aftekent: na de euforie een kater van jaren. Vader, moeder en zoonlief zitten aan tafel. Alles is nog mogelijk. De soms wat geëxalteerde vader, Jehoeda Klausner, haalt de voorspelling van de zionist Herzl aan: «En nu is er precies vijftig jaar verstreken en de staat staat daadwerkelijk voor de deur.» De moeder is wat sceptischer: «Hij staat niet. Er is geen deur. Er is een afgrond.» In het Pools, zodat de jongen het niet verstaat, berispt de man zijn vrouw. Amos: «En ik, met een vrolijkheid die ik tevergeefs voor hen probeerde te verbergen: ‹Er komt binnenkort oorlog in Jeruzalem! En we gaan ze allemaal verslaan!›» Oz verheelt niet met hoeveel angst het oorlogs enthousiasme bij hem vermengd was.
Maar wat een werelden verschil alleen al tussen deze drie in hun kelderwoning volgestouwd met boeken. En dat gold voor de hele stad: «Iedereen praatte en niemand luisterde.» Van de ouders zegt Oz dat ze beiden rechtstreeks uit de negentiende eeuw in Jeruzalem beland waren. Voor de moeder was de wijk meer Tsjechov dan strijdtoneel. De roman is een monument voor de moeder – bij leven en later door Amos aanbeden, na haar daad gehaat omdat ze geen afscheid had genomen. De roman is ook een poging om de motieven van haar zelfmoord te achter halen: die lagen in het Poolse Rovno, het op school geïdealiseerde Palestina, het troosteloze huwelijk, de algehele malaise en natuurlijk ook de persoonlijke aanleg. Niet dat hij een verklaring zoekt, maar hij wil het begrijpen. De vader is een beetje een karikatuur. Na de dood van de moeder praten de twee nooit meer over haar: «Als ik hier zou opschrijven waarover we niet gesproken hebben, mijn vader en ik, had ik twee boeken kunnen vullen.»
Voor beide ouders moest de jonge Amos veel goedmaken wat zij zelf gemist hadden: de vader een wetenschappelijke carrière (hij werkte niet als academicus, maar op de persdienst van de bibliotheek), de moeder wenste dat de zoon de woorden zou vinden die zij ontbeerde. Misschien is dat wel het kernthema van de roman: de kloof tussen de idealen van mensen die wisten dat hun dagen in Europa geteld waren, het Europa waar ze thuis waren, en het harde leven dat hun in de woestijn stond te wachten. Het is het drama, en ook wel melodrama van het zionisme.
Een grootse roman: familiesaga, ge denkschrift voor de moeder, nagelaten werk van de vader, historische roman van de oprichting van de staat Israël, stads roman, een sociologische veldstudie van Jeruzalem, maar ook van het Hebreeuws, een ontwikkelingsroman (hoe een gehersenspoelde chauvinistische betweter zelfstandig leert denken), en niet te vergeten een kunstenaarsroman: hoe al toekijkend én lezend een jongen schrijver werd. In tijden heb ik niet zo’n veelzijdig boek gelezen. Zoals voor veel goede boeken geldt, bevat het veel romans tegelijk; ook eerdere van Amos Oz.