De val van Eva

Zelden heb ik zoveel strepen, uitroeptekens, vraagtekens en scheldwoorden in een essaybundel gezet als in deze. Dat is natuurlijk een goed teken, ik heb me erdoor op de kast laten jagen, ik heb erover lopen peinzen en daar gaat het bij essays om. Otten probeert zijn rooms-katholieke geloofsovertuiging, die ik niet deel, in zijn prozawerk en dichtkunst tot leven te brengen. Hij weet heel goed dat dit een riskante zaak is. Het komt erop aan, weet ook hij, als schrijver zo veel mogelijk te zwijgen over waar het je om begonnen is. Sterker nog, je moet ervoor zorgen dat je dat zo lang mogelijk ook zelf niet beseft. Anders hoor je jezelf ineens de verschrikkelijkste clichés zeggen - ‘er moet meer liefde zijn’ - of ben je de zoveelste kletsmeier op tv die zijn roman of gedichten in een 'actueel kader’ komt zetten.
In zijn proza en poëzie laat Otten zich dus niet al te expliciet in zijn geloofskaart kijken, hij is geen zemelaar, dat geeft er iets bevrijdends aan. Je kunt Ottens proza en dichtwerk lezen (en waarderen) zonder je al te veel zorgen te hoeven maken of er wel aan het juiste christelijke gedachtegoed wordt vastgehouden. Ik begrijp dat dit voor een gelovige als Otten niet altijd meevalt, ik bedoel dit niet ironisch, je wilt als gelovige ook graag zendeling zijn en ik heb er dus begrip voor dat Otten in zijn essays wél pogingen onderneemt om zijn werk in een rooms-katholiek geloofskader te plaatsen.
Ik heb me altijd verbaasd over het begrip 'geloven’ dat christenen in verband met hun religie hanteren. Er is bij hen geen sprake van 'geloven’ in de godheid, maar van een principieel 'zeker weten’. Otten is niet een gelovige maar een zeker-weter, zijn essays bestaan eruit dat te bevestigen. Dit zet mij direct op achterstand, ik ben blijkbaar te dom om zeker te weten, in ieder geval kijkt Otten altijd meewarig op me neer. Je ziet dat bij zeker-weters wel vaker: uitsluiting van anderen. Otten is hier geen uitzondering op. Dit verbaasde me. Voortdurend hamert hij op de 'koele’, 'weinig passievolle visie’ van sceptici (niet-weters) op kunst en leven. Hij doelt dan op abjecte figuren zoals ik, die Nijhoff, Achterberg en Gerhardt waarderen zonder de 'christelijke grondslag’ van deze dichters daarbij te betrekken. Hier heb ik, eerlijk is eerlijk, je gaat op de kast of niet, drie keer 'schandelijk’ en 'gelul’ in de kantlijn geschreven. Wat heb ik een hekel aan dit type exclusief denken!
Regelmatig opereert Otten als een theoloog, dan wil hij zijn 'geloof’ een rationele basis geven, wat uiteraard altijd een probleem is. Het zou beter zijn wanneer hij schrijver bleef. In vier lezingen over literatuur die hij in Berlijn hield, probeert hij bijvoorbeeld het rooms-katholieke leerstuk van de vrije wil overeind te houden. Hij polemiseert hiermee met sceptici die volgens hem iedere vrijheid ontkennen en alleen spreken in termen van determinatie door bijvoorbeeld de economie, erfelijk materiaal of de media. Het heeft volgens hem binnen een dergelijke gepredestineerde wereld geen zin om verhalen te vertellen, iedere illusie is er eentje te veel. Vrijheid van de wil is dus in de ogen van Otten een noodzakelijke voorwaarde voor schrijven. Maar die vrijheid bestaat ook niet als je de almacht van de godheid als zekerheid aanneemt. Toch probeert Otten, geheel in de lijn van rooms-katholieke theologen, die vrijheid overeind te houden en hij zet daartoe een nauwelijks te volgen betoog in dat van cirkelredeneringen aan elkaar hangt. Hij doet dat onder meer in een uitvoerige interpretatie van het scheppingsverhaal dat gebaseerd is op de overtreding van een gebod. Hij wil aantonen dat de hap in de appel door Eva een daad is uit vrije wil. En dan schrijft hij hoogst eigenaardige zinnen als deze: 'Pas tijdens de daad (de hap van de appel - kth), het splijtende ene ogenblik waarop zij los raakt van het gebod, is zij vrij. Zo vrij als God!’
Ik heb hier hartelijk om gelachen. Otten als theoloog. Mij lijkt het allemaal op een misverstand te berusten. De godheid lokt met zijn verbod op het eten van de appel Eva in de val. Hij weet van tevoren, je bent almachtig of niet, dat Eva van de appel gaat eten, dat is precies zijn bedoeling, hij wil de mens uit het paradijs verjagen. Eva is zijn instrument, van vrijheid is in dit verhaal geen sprake.
Overigens kreeg ik bij lezing van deze essays toenemend het gevoel dat Ottens geloofsovertuiging nog niet erg diep is verankerd. Hij is zelf nog niet overtuigd. Zijn steeds opduikende polemische toon wijst daarop, ook zijn exclusieve manier van denken, die kenmerkend is voor de beginnende gelovige. Otten is bovendien heel goed in zelfmedelijden, bijvoorbeeld wanneer hij zich weer eens beklaagt over zijn porno-obsessie of wanneer hij bij de poëzie van Gerhardt overdreven dramatisch meldt dat die voor hem is geschreven: 'Voor mijn leven bedoel ik. Om mij te helpen dragen.’ Ook de moeite die hij heeft echt goeie grappen over zijn 'geloof’ te maken wijst daarop. Hij maakt ze wel, maar hij zegt er zelf bij dat het tragische grappen zijn. Al die ernst, maak jezelf toch belachelijk, zie de verwoestende grappen van Reve over het rooms-katholicisme, want iedere religie, net als poëzie en literatuur, is in de grond vooral belachelijk. Ik kan erover meepraten.