19 februari 1938

De val van Meierhold

Onder de vlag van ‘bolsjewistische waakzaamheid’ (…) zijn heel wat gevestigde reputaties gebroken. Zij heeft ook onder de kunstenaars huisgehouden. Schrijvers van naam, vermaarde toneelkunstenaars zijn op de achtergrond geraakt.
(…)

Een tijdlang kon hij zich als de enige ware drager van het socialisme (…) op het toneel voordoen. Deze schijn is echter maar van korte duur geweest. Allengs was het veeleer de voorstelling, welke men in het buitenland van Meierhold’s positie had dan dat zijn werkelijke plaats in de Sowjetmaatschappij daaraan beantwoordde.

(…)

Hij is zijn abstracte theorieën ook onder het Sowjetregiem getrouw gebleven. Aanvankelijk zag men daarin geen kwaad. Integendeel. Zoals het er in het algemeen om ging, het herstel van de feodaal-burgerlijke maatschappij zo volledig mogelijk te ontwrichten, zo zag men Meierhold op het toneel te werk gaan. Maar men kwam toen aan de opbouw van de Sowjetmaatschappij toe. Men ging zich de ‘nalatenschap van het verleden toeëigenen’ naar mate men meer ging beseffen hoe ver men bij de wereldcultuur ten achter was, hoeveel men nog leren moest, voordat men aan een algemene vernieuwing van de cultuur toe was. Maar Meierhold deed daar niet aan mee. Zijn houding bleef dezelfde als voorheen. Hij bleef een sloper. Hij bleef een experimentator. Dat wekte de argwaan van de Sowjetcritiek.

(…)

Natuurlijk is dit een zeer vereenvoudigde voorstelling van de manier waarop Meierhold als vooraanstaand toneeldirecteur ten val gekomen is. Zij heeft echter het voordeel, dat zij in het algemeen iets verklaart van hetgeen er in de wereld van de Sowjetkunst voorvalt. En indien zij het niet verklaart, althans duidelijk maakt, dat het een zaak met vele kanten is, principiële en toevallige, waartegenover het zuiver persoonlijke moment nauwelijks gewicht heeft.