Opheffer

De valsemunters van het woord

Het is gestructureerde onmacht. Ik kan het niet anders zien en ik wil het zo graag anders zien. Natuurlijk moet een burgemeester, een minister-president, een volksvertegenwoordiger, een columnist, een imam, een vriend, «de boel bij elkaar houden» na een ramp. Maar dat «bij elkaar houden» is niet niets doen.

Nu al vier maanden wacht ik op een daad. Goed, er zijn wat jongens gearresteerd en er is van alles aangekondigd, maar wat wordt er daadwerkelijk gedaan? Welke actie wordt er ondernomen? Welke beleidsbeslissingen zijn er? Er is niets ondernomen. Er is geen enkel actief beleid gevoerd.

Nu vermoedde ik eerst dat dit het beleid was: we doen gewoon niks, we kijken het aan, en als het uit de hand loopt grijpen we in. Maar dat werd niet verteld; er werd alleen maar opgeroepen tot dialoog, opgeroepen tot een vorm van mildheid, opgeroepen tot verdraagzaamheid, opgeroepen tot redelijkheid (alsof ik onredelijk was). Ondertussen werd ik een «handelaar in angst» genoemd. Maar als u het eerlijk wilt weten: ik kon mijn angst moeilijk verkopen in de drie maanden dat ik werd beveiligd, en dat had ik wat graag gedaan.

De «verstandige woorden» (wees tolerant, mild, ga in dialoog, wees verdraagzaam, lief, vriendelijk) werden natuurlijk vooral uitgesproken door lieden die zelf deze nobele gedragingen tot zich hadden genomen – tjongejonge wat gingen ze in dialoog en wat waren ze mild. Het bleken allemaal synoniemen te zijn voor «niets doen», voor apathie, voor «het zal wel loslopen».

De valsemunters van het woord.

Vooral veel zachte woorden gebruiken om daarmee aan te tonen hoe sadistisch de anderen – waaronder ik dus – eigenlijk zijn. De valsemunters van het woord haalden daar ook nog de volgende zinnen bij aan: «Het is onze schuld, wij zijn namelijk niet tolerant genoeg geweest.»

Onze schuld. Mijn schuld dus ook. Mijn schuld dat mijn vriend daar ligt. Mijn «antisemitische vriend», volgens Geert Mak, geslacht, nou, «gedood» noemen de valsemunters dat, door een kwajongen die een beetje de weg is kwijtgeraakt; je kunt hem eigenlijk niets kwalijk nemen. Tuurlijk is het fout wat hij heeft gedaan, maar waren wij toleranter geweest, meegaander, vriendelijker, waren er meer buurthuizen gebouwd, dan was het misschien wel niet zo ver gekomen…

Eigenlijk… eigenlijk… ja, je mag het niet zeggen, maar we denken het wel… eigenlijk, zo zeggen de valsemunters van het woord, was het natuurlijk wel een heel klein beetje, een klein beetje veel, eigenlijk helemaal Theo’s eigen schuld dat hij was vermoord. Want hij gebruikte niet de woordjes «mild», «tolerant», «meer buurthuizen», «begrip», maar «geitenneukers», «onderdrukking» en «onrecht». Eigen schuld, twee messen in je bult.

Zo krijg je nooit een dialoog…

De tijd verstrijkt. Theo’s as is stof op de eeuwigheid. Links heeft z’n bek niet opengetrokken dan alleen om rechts ervan te beschuldigen dat het eigenlijk halve fascisten zijn. Of halve? Zeg maar gerust hele. Wouter Bos zegt dat hij in een crisis terecht is gekomen door de moord, en verder niks, en Femke Halsema houdt voor GroenLinks een volstrekt onzinnige rede waarin ze nota bene Eline Vere aanhaalt om de «hysterie» te beschrijven waarin volgens haar Nederland is terechtgekomen. Hysterie, een ziekte die niet meer bestaat, terwijl depressie, angst, haat, wel bestaan, maar ja, de crisis wordt volgens haar vooral aangewakkerd door columnisten, want ze refereert aan Paul Cliteur, Leon de Winter, Afshan Elian, et cetera.

Met wie voert zij eigenlijk de dialoog? En waarover?

De valsemunters van het woord? Wie zijn dat? Cliteur? Of Halsema?

Welke woorden gebruik ik eigenlijk zelf? Woede, haat, onmacht ook.

Onmacht? Ben ik net zo onmachtig als al die anderen? Als de burgemeester? Als Femke, als Wouter, als Geert, als andere Geert, als Jozias, als Jan Peter?

Nee. Hun onmacht — niet van allemaal maar wel van de meesten – hun onmacht is gestructureerde onmacht. Of misschien wel systematische onmacht. Het is politiek met een slag om de arm; onmacht als joker kunnen inzetten om aan te tonen dat je wel wilt, maar niet kunt.

«Wij hebben er alles aan gedaan, maar we kunnen niets doen.»

Er verschijnt een rapport, pagina 3 in de Volkskrant, waarin Amsterdam de resultaten bekendmaakt van een onderzoek naar «de Marokkanen in de stad». Ik hoef de uitslagen niet te herhalen, je wist ze en je weet ze. Het waren meelijwekkende uitslagen. Riepen ze op tot mildheid, tolerantie, meer buurthuizen, dialoog?

Misschien wel, maar ik werd er voornamelijk bang van. Ik, handelaar in angst, werd bang van die resultaten omdat ik twee dingen duidelijk weet. Dat de dialoog niet gaat tussen wij en zij, maar tussen wij en wij. En ik weet ook dat dat «hun» niets interesseert. Ligt er één Marokkaan wakker van de beschuldigingen die Geert Mak doet aan Elian? Of die Leon de Winter doet aan Geert Mak? Of die ik doe aan de burgemeester? Of die Femke doet aan de vrienden van Theo van Gogh?

En dat is nu juist waar hem de kneep zit. «Zij» moeten met elkaar in dialoog. «Zij» moeten vooral tolerant zijn, voor elkaar buurthuizen bouwen, elkaar uitschelden en met elkaar op de vuist gaan. Maar dat gebeurt niet.

Dat is mijn angst.

De Marokkanen hebben een slechte naam, en ze krijgen weinig respect, maar dat moet ik noch de burgervader noch Wouter noch Femke noch Leon, Geert of Afshan constateren; dat moeten zij constateren, en dan niet de oplossing zoeken in moord, maar in de oorzaken van die slechte naam.

Maar beweer je dat, dan word je terecht gewezen door de valsemunters van het woord. «Waarom nou zo… wees mild, vriendelijk, lief, aardig, zacht, tolerant…»

Ik heb al te veel gekotst – ik heb alleen nog zuur.