Kunst: Naar zee

De vangst van de dag

‘’k Zal ’t Godlijk schouwspel zien van de onbedwingbre baren’, zo verheugde zich in 1837, onderweg naar Zandvoort, de ‘gevoelige mens’ van J. van Oosterwijk Bruyn; eenmaal daar aangekomen viel ’t tegen. De zee, de duinen, daar was voor de gevoelige kunstenaar eigenlijk weinig aan te beleven – alles plat, geen schilder achtige stoffering, geen watervallen, rots formaties, woudreuzen, alleen maar licht en lucht, soms een vissersboot.

Romantici konden daarin natuurlijk wel drama forceren; in De Hallen te Haarlem was drie jaar geleden nog het fijne tafereel Schipbreuk op een rotsachtige kust van Wijnand Nuyen (1813-1839) te zien, een groots spektakel, waarbij de emoties door de kunstenaar met kracht op de werkelijkheid werden geprojecteerd, niet andersom. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen de schilders zich wat ontvankelijker opstelden ten opzichte van wat de natuur zelf zoal te bieden had, komt het zeegezicht tot volle bloei.

De tentoonstelling Naar zee heeft er veel van, handig verdeeld in een paar segmenten – schilderkunst tot 1900 en schilderkunst daarna, werken op papier, fotografie, en wat ander spul. Het is een prettig overzicht. Er zijn een paar zeer fijne stukken te zien. Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915) schilderde twee jonge vrouwen onder een witte parasol, in de duinen bij Zandvoort, gemaakt vóór Hart Nibbrig het in de bol kreeg en hij pointillistisch en luministisch en theosofisch ging werken. In zo’n ingetogen stuk zet Hart Nibbrig de twee vrouwen in de schaduw, in een ruil tussen het fijne heldere wit van de parasol, die alle zon vangt, en de tempering daaronder, zacht rood, de gezichten niet zo goed te herkennen, en daaromheen de heldergroene vegen van het helmgras. Dat zet de toon voor een contingent Isaac Israelsen, een mooie Mauve. De Hagenaars komen liever als het weer wat slechter is; Jacob Maris zet De vangst van de dag rond zo’n bomschuit op het strand, in het grijs (die vissersvrouwen, daar kan nooit een lachje vanaf), om dan met plotse brille de zon verderop voluit op zee te laten vallen. Die veranderlijkheid beheerst ook Weissenbruch, die een enorme lucht maakt met grijs en geel en blauw en dan nóg een keer, in het natte zand, als een spiegel.

Dat zijn allemaal nog schilderijen rond een object, een stuk stoffering, een scène. Er zijn er ook die alléén het water aandurven. Mesdag won in 1870 in Parijs een gouden medaille met een ‘pure’ zee; in Haarlem liggen kleine schetsen daarvoor. Er hangt ook een Goedhart (Kielzog bij rustige vaart), een stormachtige golf van Oscar Mendlik en een Zuiderzee van W.B. Tholen, merkwaardige schilderijen, want er staat niks op. Grappig genoeg werd die golf van Mendlik, een dreigend groenblauw zwellend gevaarte, ‘leegheid’ verweten; Tholens lege Zuiderzee, niets dan bruingrijs water, kalme golfjes, geen schuim, geen wolk, niks, saai en bruin als kippensoep, dat toonde nu juist, zei men, de ‘kalme verhevenheid’ van het grijs waar de Nederlander zo op gesteld zou zijn. En zo verder: driemaal Edgar Fernhout, die het misschien wel het allermooiste kon van allemaal, een meesterwerk van Guido van der Werve, en het flesje Green Spot van Schippers, welja.

Daartussen hangt ergens een snel tekeningetje door Toorop van ‘Pater M.C. Nieuwbarn O.P. op Walcheren’. De priester zit op zijn kont in het duinzand, zijn hoge zijen hoed nog op, maar ook de broekspijpen frivool opgetrokken. Nieuwbarn was professor aan het Dominicus College Nijmegen, schrijver van Het Roomsche kerk­gebouw, een man van gezag op het gebied van letterkunde en schilderkunst. Hij zit er tevreden, in het Godlijk schouwspel.


Naar zee: De zee in de Nederlandse kunst sinds 1850. De Hallen Haarlem, t/m 2 september. www.dehallen.nl