Jean-Luc Mylayne en de aard van zijn foto’s

De vasthoudende blik

Het werk van Jean-Luc Mylayne lijkt een omkering van de antropocentrische blik: de mens is overal de context, maar nooit het middelpunt.

Jean-Luc Mylayne, N° 450, januari februari maart 2007. C-print 183 x 228 cm © Jean-Luc Mylayne

Het zou wat ver gaan het museum voor moderne kunst in Hannover als een volière te omschrijven, maar de witte muren van het Kestner Gesellschaft zijn gevuld met vogels. De foto’s zijn groot. Soms zelfs gigantisch. Maar de afgebeelde dieren zijn zelden groter dan ze in werkelijkheid zullen zijn. Vaak zijn ze prominent in beeld gebracht, maar zo nu en dan zijn ze ook een tijdlang onzichtbaar. En als je dan eindelijk ziet waarnaar je op zoek bent – want inmiddels weet je dat op elk beeld een vogel te vinden moet zijn – dan word je beloond en zie je er meteen twee of drie.

De informatie bij de foto’s is, op zijn zachtst gezegd, summier. Ze zijn genummerd als door een archivaris. De afmetingen worden vermeld, evenals het moment waarop het beeld is gemaakt. Nu ja, het moment? Al bij de eerste foto, Nº 303, valt op hoe het tekstbordje vermeldt dat hij dateert van maart én april 2005.

De schaduw van een boom klimt van onderen het frame binnen, precies zoals de takken die de schaduwen produceren dat van bovenaf ook doen. Er loopt een onverharde weg door het beeld, het soort weg dat nergens naartoe gaat. Het is lastig je voor te stellen dat het kleine lichtbruine vogeltje dat halverwege het beeld op een tak zit daar zo lang heeft stilgezeten dat de ene maand is overgegaan in de volgende. En dat lijkt toch de suggestie te zijn die hier wordt gewekt.

Een paar meter verderop hangt een andere foto, gemaakt op dezelfde locatie. Ook de hoek van waaruit dat is gebeurd, is gelijk. Alleen de schaduwen zijn iets langer. Op de tak zit nu een knalrood vogeltje (een kardinaal?) op vrijwel exact dezelfde plek als waar eerder (of later?) het bruine beestje zat.

Het is een landschap dat je over de hele wereld zou kunnen tegenkomen, maar je kunt instinctief geneigd zijn Amerika erin te ontwaren. Het is vast het gevolg van de culturele hegemonie van het land, maar die heuvels in de verte, die hebben iets onmiskenbaar Amerikaans. Net als die twee vogeltjes trouwens. Het is hun vorm. Het is lastig uit te leggen maar ook zij hebben een Amerikaanse uitstraling. Het is meer dan alleen hun dikkige wintervacht. Of misschien is het gewoon die roestige windmeter die in de verte naast die verlaten benzinepomp staat? Als er een benzinepomp op een foto staat is hij negen van de tien keer in Amerika gemaakt. Vaker dan niet ten westen van de continentale waterscheiding.

Jean-Luc Mylayne leest als één naam, maar wat onder de noemer verschijnt is het werk van twee mensen: Jean-Luc en Mylène Mylayne. Is hij de fotograaf en zij zijn assistent? Het is allemaal niet zo helder, geloof ik, en in zekere zin doet de rolverdeling er niet toe. Ze hadden beiden een andere achternaam voordat ze zich op het fotograferen van vogels stortten. Het pseudoniem brengt hun beider voornamen samen – die van haar anders geschreven maar hetzelfde uitgesproken. Mylène Mylayne, een naam als een verzuchting of een lokroep.

De suggestie wordt gewekt dat dat kleine bruine vogeltje maanden heeft stilgezeten

Twee mensen die amper over hun werk spreken en die louter vogels fotograferen. Dieren waarvan mijn kennis niet veel verder reikt dan het feit dat ze altijd uit een ei komen en in verreweg de meeste gevallen kunnen vliegen. Ik speel al mijn halve leven met de gedachte een trouw luisteraar van Vroege vogels te worden, maar tot op heden is het er niet van gekomen. Is dit het moment waarop ik daar spijt van krijg? De uitdaging is natuurlijk altijd het vinden van woorden voor dat wat door de kunstenaar in een ander medium werd gecommuniceerd. Soms zijn die woorden ruimschoots voorradig, geleverd door anderen in een dikke laag discours of door de kunstenaar zelf in een eindeloze reeks interviews. Soms vraag je je af of er überhaupt woorden zijn die uitdrukking kunnen geven aan een werk. Wat is de reden van hun zwijgzaamheid? Is de reden dat ze in stilte jaar in jaar uit foto’s van soms zingende maar nooit sprekende wezens maken de overtuiging dat woorden fundamenteel tekortschieten? De vraag is in hoeverre zulke kunst zich in het verbale domein laat trekken.

Jean-Luc Mylayne, N° 498 – 499, januari februari maart 2007. Diptiek, c-print, 183 x 228 cm © Jean-Luc Mylayne

Een zaal verder hangt een foto die onverwachts een beetje houvast biedt. Nº 450 toont, dit komt inmiddels niet meer als een verrassing, een landschap met een vogel. Recht in het midden van de foto zit, op het uiterste puntje van een verticaal het beeld instekende dode tak, een kleine blauwe vogel. Het dier is haarscherp in beeld gebracht, terwijl over de heuvels in de achtergrond een vreemde gloed ligt. De dode tak lijkt doorschijnend, het landschap erachter is zichtbaar. Hoe dit effect kan zijn ontstaan is niet duidelijk, maar dat er geen Photoshop aan te pas is gekomen begrijp je meteen. De vogel doet ondertussen wat alle vogels overal en altijd doen: met een niet te penetreren geslotenheid vanuit kleine, gitzwarte kraaltjes de wereld in ogenschouw nemen. Misschien is het de lark in zijn naam, maar de heuvels in de achtergrond brengen een regel van Philip Larkin in herinnering. ‘And death seems like long hills, a range/ We ride each day towards, and never reach.’ In het gedicht, ‘Past Days of Gales’, schrijft de dichter, zoals zo vaak, over de dood. Maar op de een of andere manier lijkt de regel toch ook vooral te spreken over de vreemde wijze waarop het verstrijken van de tijd tegelijk altijd aanwezig en op een diepgevoelde manier onwerkelijk of zelfs onvoorstelbaar is.

Pas dan zie ik boven op de heuvelrug twee witte koepels prijken. Vraag niet hoe, maar ik herken ze. Ze maken deel uit van het McDonald Observatory in Fort Davis, een gehucht in het dunbevolkte verre westen van Texas dat is vernoemd naar de gewraakte president van de confederale staten, Jefferson Davis. We reden erdoorheen, precies een week voor de verkiezingen van 2016, en een van mijn reisgenoten, de enige die serieus rekening hield met een Republikeinse overwinning, kreeg het aan de stok met de uitbater van het levensmiddelenwinkeltje, een Trump-aanhanger. Het observatorium was gesloten, meen ik, maar het openluchtzwembad in Balmorhea, een paar kilometer verderop, was hoe dan ook een betere dagbesteding.

De vogel is een eastern bluebird, een dier dat in deze contreien overwintert. De Nederlandse naam negeert het helblauwe verendek volledig: wij spreken van een roodkeelsialia, naar zijn roestbruin gevederde borst. De vogel is het onbetwiste middelpunt van de foto, maar de aanwezigheid van het observatorium is geen toevalligheid. De wereld van de mens is op foto’s van Mylayne zelden ver weg. Het is nooit de echte wildernis waarin de vogels worden gefotografeerd. Altijd weer zijn er kleine sporen te vinden. Bandenafdrukken of gebouwtjes, een vlaggenstok ergens in de verte, een schoen die het beeld in komt piepen. Verwaarloosd gereedschap of een door zijn assen gezakte kar. Er is een schier eindeloze hoeveelheid fotografie die zich bezighoudt met de wijze waarop de mens wordt omgeven door de natuur, maar het werk van Mylayne lijkt dat perspectief om te draaien en de natuur te fotograferen waar ze wordt omsloten door de mens. Een soort omkering van de antropocentrische blik. De mens is overal de context, maar nooit het middelpunt.

Wat de beelden niet prijsgeven – althans, niet direct – is de hoeveelheid tijd en moeite die erin is gestoken. De planning die aan elke foto vooraf is gegaan. Want dat is wat de maanden die op de titelbordjes worden vermeld aanduiden. De weg die door de tijd is afgelegd naar het moment waarop het eindresultaat het frame in fladderde. De wijze waarop er een locatie moest worden gekozen, net als een vogel die op juist die plek een bepaalde rol moest gaan vervullen. De omstandigheden die moesten worden uitgedacht en afgewacht. Wilde dieren zijn immers notoir slecht in het zich houden aan de zorgvuldig opgestelde scripts van Franse kunstenaars. In de periode die voorafgaat aan het maken van een foto moeten de vogels bekend worden gemaakt met de grote, logge apparatuur, met de lichten en de aanwezigheid van twee mensen. De toevalligheid die van de beelden afstraalt is bedrog, met pijn en moeite en engelengeduld tot stand gekomen. Het enige wat helpt is dat het brein maar al te bereid is de aanwezigheid van een vogel op een foto, zeker wanneer die is genomen in de vrije natuur, als onvermijdelijk toevallig te registreren.

De beelden zijn met pijn, moeite en engelengeduld tot stand gekomen, de toevalligheid is bedrog

Lynne Cooke, curator van de National Gallery of Art in Washington, beschrijft hoe Mylayne’s foto’s op geen enkele manier uitzonderlijk lijken te willen zijn, maar hoe dat wat ze ‘mogelijk maakt’ dat onmiskenbaar wel is: een onvoorstelbare tijdsinvestering. Die toewijding leidt haar naar de conclusie dat de tijd zelf het belangrijkste onderwerp van Mylayne’s kunst is. Ze legt in haar essay, getiteld ‘Time Lapse’, nog iets anders bloot. Mylayne’s werk vormt een soort synthese van de twee grote gedachtestromen over de aard van de fotografie. Ze beschrijft hoe de beelden zichzelf in zekere zin presenteren als geënsceneerd en dat ze daarmee doen denken aan fotografie zoals die vooral in een studiocontext wordt bedreven: het beeld als een constructie van een ingebeelde ruimte die ergens buiten de tijd bestaat. Maar op hetzelfde moment laten de foto’s geen twijfel bestaan over de momentane aard van alle fotografie. ‘Mylayne’s work’, schrijft Cooke, ‘is thus premised in the dual ontologies that dominate histories of photography.’

Wanneer ik onvoorbereid het woord ontologie in een zin aantref, bevriest mijn brein doorgaans meteen. Maar als het ding eenmaal begint te ontdooien daagt langzaam hoe raak deze analyse is. Aan de ene kant is er de wijze waarop fotografie wordt ervaren als een documentair genre. Als iets dat kunst kan zijn, maar dat onvermijdelijk ook de wereld zoals die is vastlegt en indexeert. Een vehikel voor de waarheid, dus, een dankbaar hulpstuk voor wie getuigenis wil afleggen van de vluchtigste werkelijkheid. Dit is de fotografie waarover we spreken wanneer we het hebben over de foto die is genomen. Aan de andere kant is er de opvatting dat fotografie voor alles iets artificieels is. Iets dat op een fundamentele wijze onvermijdelijk fictie is. De gedachte dat een foto, of hij nu tot stand komt in de studio of aan de frontlinie in een oorlog, altijd iets is dat wordt gemaakt. Mylayne heeft met zijn zorgvuldige enscenering en de wijze waarop de tijd het toeval uitnodigt een hybride vorm van fotografie gecreëerd waarin de foto zowel wordt gemaakt als genomen.

Cooke beschrijft Mylayne’s fotografie als een intellectueel project, maar dat is niet iets wat je aan de beelden zelf afziet. Het doet denken aan het werk van Jeff Wall. Want hoewel Wall met mensen werkt en die zich dikwijls een stuk beter later instrueren dan vogels, is ook zijn werk in de kern zo’n intellectuele onderneming. Fotografie als resultaat van een lang denkproces. Maar zo honderduit als Wall over zijn werk spreekt, zo zwijgzaam is Mylayne. Zo heel af en toe stuit je op een citaatje uit een zeldzaam interview waartoe ze zich hebben laten verleiden, of lees je iets wat een van de twee zich in het bijzijn van iemand heeft laten ontvallen.

Toen Mylayne aan het einde van de twintigste eeuw zijn eerste reis naar het zuidwesten van de Verenigde Staten maakte was dat omdat het duo hoopte bluebirds te fotograferen. Wat begon met een enkele reis liep uit in een veelvuldig heen en weer vliegen tussen Europa en Amerika. Eerst fotografeerde Mylayne in de buurt van Santa Fe, waar drie specifieke soorten bluebirds die hij wilde fotograferen overwinteren, maar in de koudere winters trok hij verder naar het zuiden. Eerst naar kunstenaarsdorp Marfa en later naar Fort Davis.

Het verlangen van de kunstenaar en de ongrijpbaarheid van de natuur, het zit in dit éne beeld

De fascinatie voor de blauwe vogel die hem naar Amerika bracht, vond zijn oorsprong in een reeks foto’s die hij maakte aan het begin van de jaren negentig in de Landes-regio rond Bordeaux. Maar de obsessie met vogels in het algemeen voert terug tot Jean-Lucs jeugd. Curator Jacqueline Burckhardt beschrijft in een catalogustekst hoe hij als vijfjarige totaal gebiologeerd raakte door een winterkoninkje in de tuin achter zijn grootmoeders boerderij in Noord-Frankrijk.

Elk kunstenaarschap heeft zo’n oorsprongs-mythe nodig, denk ik. Want hoewel Jean-Luc van zijn ouders al vroeg een camera kreeg, zou het nog jaren duren voordat hij en Mylène het pad betraden dat naar hun levenswerk voer. In 1978, toen Jean-Luc 32 was, besloten ze hun burgerlijke bestaan vaarwel te zeggen. Ze verkochten hun hele hebben en houden en ruilden alles in voor een busje en een Hasselblad. Het was het begin van een nomadisch bestaan waarin de twee amper contact hadden met andere mensen.

Jean-Luc Mylayne, N° 498 – 499, januari februari maart 2007. Diptiek, c-print, 183 x 228 cm © Jean-Luc Mylayne

Een van de oudste beelden op de tentoonstelling is Nº 22. Gemaakt met de eerder genoemde Hasselblad in juni en juli 1979. Het is een dichtgeslibd beeld. De horizon staat hoog op de foto maar de blauwe streep lucht, gevrijwaard van ook maar het kleinste wolkje, verraadt een intense warmte. We zien wat velden met hier en daar plukjes bomen en een paar verdwaalde koeien die gebukt gaan onder zon.

Maar in feite zie je dat alles amper, want het beeld wordt grotendeels in beslag genomen door struikgewas vlak voor de lens. Takken en bladeren die tegelijk scherp en onscherp in beeld lijken te zijn gebracht. Pas na lang zoeken blijkt in een nestje in de struik, verscholen tussen de donkere schaduwen, een vogel te zitten. Eén zwart oogje gluurt de kijker in het gezicht. Het effect dat de foto sorteert is een beetje unheimisch. Want waar je al zoekend dacht dat jij het was die keek, ontdek je zodra je de vogel eindelijk hebt gevonden dat jij het al die tijd was die werd bekeken. Je waant je betrapt.

Die vreemde combinatie van scherpte en onscherpte, of eigenlijk van een onlogisch toeschijnend veld van scherptediepte, komt in meer foto’s terug. Neem bijvoorbeeld Nº 498 en Nº 499, een tweeluik gemaakt in januari, februari en maart 2007. Los van een collage, waarin de twee kunstenaars hun eigen reflectie bestuderen in de bolle spiegel die wordt geboden door de ogen van een gefotografeerde vogel, komt deze diptiek denk ik het dichtst bij een zelfportret van de kunstenaars. Twee mountain bluebirds, een mannetje en een vrouwtje, zitten op beide foto’s op twee uitgedroogde stelen van een agave, een plant die maar één keer bloeit voordat ze afsterft. Mylayne heeft de twee stelen op een zorgvuldig uitgekozen plek in de grond gestoken. De beelden zijn identiek, op één detail na: de vogels wisselen van plaats. Je zou het kunnen lezen als een verwijzing naar hun eigen rolverdeling. Maar wat deze twee beelden zo vreemd maakt, is iets anders. Het is de wijze waarop ze zich onttrekken aan de gangbare wetten van de fotografie. Want de ruimte waarin het in beeld gebrachte scherp is, ligt niet voor de kijker, parallel aan de horizon. In plaats daarvan loopt die ruimte als een soort tunnel van helderheid van rechtsvoor in het beeld naar linksachter. Het is een streep van scherpte die de diepte induikt.

Jean-Luc Mylayne, N° 320, april mei 2005. C-print, 123 x 153 cm © Jean-Luc Mylayne

In een essay getiteldSlow Dance’ vergelijkt Matthew S. Witkovsky, een curator verbonden aan het Art Institute of Chicago, Mylayne’s werk met dat van diens landgenoot Henri Cartier-Bresson. Op het eerste gezicht een weinig voor de hand liggende keuze, want het verschil tussen de twee Fransen kon in bepaalde opzichten niet groter zijn. Cartier-Bresson schuimde de straten af op zoek naar het befaamde beslissende moment, terwijl Mylayne maanden puzzelt om tot een foto te komen. Toch zijn er overeenkomsten te ontwaren. Witkovsky wijst bijvoorbeeld op de vergelijkbare toewijding die uit Cartier-Bressons werk spreekt, hij was geen voyeur die kiekjes maakte zonder te geven om de dagelijkse realiteit van de mensen die hij vastlegde. Zijn toewijding draaide net als bij Mylayne ook om tijd. ‘Veel van zijn foto’s leggen het volharden vast van traditionele gebruiken en rituelen in een hedendaagse cultuur, en Cartier-Bresson was zich terdege bewust van het feit dat in die context de daad van het fotograferen zelf een temporele gescheidenheid voortbracht: generatie-overstijgende gedragspatronen die vereeuwigd worden in een fractie van een seconde.’

Maar de gelijkenis gaat verder, want ook Cartier-Bressons zogenaamd beslissende moment was dikwijls het gevolg van een zorgvuldig uitgedokterd idee. Een geduldig wachten totdat een vooraf ingebeelde gebeurtenis zich voltrekt binnen een gevonden kader. Precies zoals de vogels de foto’s van Mylayne binnen fladderen, zo wandelden mensen de composities van Cartier-Bresson in.

Cartier-Bresson vergeleek zijn praktijk ooit met die van de jacht, maar dan een diervriendelijke variant. En dat is ook wel een mooie omschrijving van het levenswerk van Mylayne. De jacht wordt gemakkelijk gereduceerd tot het dodelijke schot waarmee ze eindigt, maar de concentratie en het kijken dat eraan voorafgaat is een niet minder wezenlijk onderdeel ervan. En net als alle interessante fotografie gaat ook die van Mylayne in zekere zin ook over het kijken zelf. Er is natuurlijk die foto waarop het observatorium staat, maar duidelijker nog is het in het geval van Nº 320, april mei 2005. Het is een beeld dat zich niet volledig laat ontcijferen. De verschillende elementen wekken wederom de indruk als in een collage bij elkaar te zijn gebracht, maar op hetzelfde moment krijg je niet het idee dat ermee is gerommeld buiten de camera zelf. Om heel eerlijk te zijn: ik heb geen idee hoe de foto precies is gemaakt.

Het is een beeld van een wit huis achter een hek. Door een oranje streep aan de rechterzijde lijkt het of er een lichtlek in de camera of negatiefhouder zat. In de tuin voor het huis staat een boom (onscherp). Achter het huis zijn meer bomen zichtbaar (scherp). In de tuin voor het hek, dicht bij de kijker, staan twee stoeltjes (scherp). Rechtsonder wordt ongeveer een kwart van het beeld in beslag genomen door iets wat op een nieuwe foto lijkt. In die hoek zien we een man (is het Mylayne?) die door een verrekijker kijkt, naar iets ver buiten ons eigen blikveld. Maar vlak onder zijn verrekijker, zichtbaar voor ons maar duidelijk onopgemerkt door hem, vliegt een klein vogeltje. Het is een vlek: een vleugel, een staart, een snavel. Het zou een kolibrie kunnen zijn.

In dit ene beeld zit het allemaal. Het zelfbewustzijn en het verlangen van de kunstenaar en de ongrijpbaarheid van de natuur. De toevalligheid die is vastgelegd, en de wijze waarop het vastleggen van de werkelijkheid onvermijdelijk tot iets als een constructie leidt. Het is een foto waarop een vergeefs kijken is afgebeeld. Maar de foto zelf is het bewijs van een glorieuze overwinning van de vasthoudende blik.