‘de veiligste sport die er is’

ALS JE ‘S NACHTS van pistolen droomt, is dat niet best. Het pistool staat volgens Freud symbool voor de mannelijke seksualiteit, en als je ervan droomt, duidt dat op erotische spanningen en verkrampingen. Wat dan te denken van al die mannen die voortdurend op zoek zijn naar hun innerlijke Lucky Luke, de eenzame cowboy die sneller schiet dan zijn schaduw?

Het is inderdaad een nogal wonderlijke mix van politieagenten, oud-Indiëstrijders en amateurschutters die wekelijks het land en de buurlanden afstruint om op schietwedstrijden bekers en badges te verdelen. Eind april kwamen ze bijeen voor een driedaagse wedstrijd in een lage bunker op het industrieterrein van Dongen bij Breda.
Op een paar houten bielzen zijn een achttal bowlingpionnen neergezet. Tien meter ervoor staat een man met zijn handen in de lucht. Hij heeft een verweerd gezicht en korte vettige haren. Een scheidsrechter geeft een teken, en razendsnel trekt de schutter zijn pistool uit het holster. Een voor een, zonder te missen, schiet hij de pionnen van de balken af. Buitengewoon knap, maar de mannen die staan toe te kijken, laten teleurgesteld de schouders zakken en schudden het hoofd. ‘Hij is de magazijnwissel vergeten’, verklaart een van hen.
Na zeven schoten had het magazijn met patronen verwisseld moeten worden. En dat was niet gebeurd. Verontwaardigd loopt de schutter even later boos rond: 'Ja, dat was me niet verteld!’ Gelukkig betreft het een potje 'bowling-pin schieten voor de fun’. Waar het op de bijeenkomst eigenlijk om draait, is het zogenaamde Sasia-EPP-parcours, een eindje verderop, op de honderdmeterbaan.
'Sasia is de enige goede Fransman die er ooit is geweest, maar dat is mijn persoonlijke mening’, zegt een kleine maar toch krachtige man, met relatief grote handen. 'Noem me maar Fransje’, mompelt hij. Hij lijkt een beetje op een heavymetal-fan. Fransje (71) draagt, evenals veel andere schutters, een jackje waarop kleurrijke badges zijn geborduurd. Ze vertellen wat de favoriete pistolen zijn van de schutter, en welke wedstrijden hij heeft geschoten.
Fransje staat op het punt om aan zijn wedstrijd te beginnen. Het Sasia-parcours is er niet zozeer voor 'de puntjesmelkers’, die als wassen beelden met een arm vooruit staan te wijzen, maar voor de actieschutters. Fransje is zo'n actieschutter. Hij vertelt wat de wedstrijd inhoudt: 'Er moeten vijftig schoten binnen vijfeneenhalve minuut worden gelost, van verschillende afstanden en op verschillende manieren. Liggend, zittend, staand, en noodweervuur. Het is het officiële politieparcours.’
De bedoeling is dat je silhouetten van mensen raakt, als het even kan in het hart.
Het gerucht gaat dat bij de speciale terroristeneenheden van de politie wordt geleerd om bij een confrontatie eerst de vrouwen neer te schieten, omdat die over het algemeen niet aarzelen hun wapen te gebruiken. De amateurschutters Dolf Kramer en Martin Boos grinniken als schooljongens als ze met dit verhaal worden geconfronteerd. Ze zullen de tip onthouden.
Boos ziet er wel iets in: 'Er draaien bij de topschutters een paar vrouwen mee, en die zijn inderdaad erg goed en erg fanatiek.’
Niettemin bestaat het schutterslegioen vrijwel uitsluitend uit mannen, die in twee types zijn onder te verdelen: de James-Bondtypes, en de revolverhelden die graag de coole cowboy spelen. De buurmannen Kramer en Boos zijn van het James Bond-type. Ze dragen legerbroeken met veel onduidelijke zakken, en strakke truien met gespen op de schouder, zoals prins Willem-Alexander ze ook aan heeft als hij iets sportiefs doet.
In het echte leven hebben Kramer en Boos niets met wapens te maken. Kramer is een elektrotechnicus; hij heeft een kleine blonde baard. Boos werkt bij de technische dienst van een ziekenhuis; hij heeft zware jukbeenderen en de diepe ogen van een adelaar. De vrienden doen mee aan de open klasse; daar zijn pistolen toegestaan met geheimagentgebbetjes, zoals laserstraaltjes en red-dotkijkers. Trots toont Kramer zijn Caspian. 'Dit is hetzelfde type als in die Schwartzenegger-film met die alien… Ja, Predator. Die neger van Predator had ook een Caspian.’ Een Caspian is een semi-automatisch pistool met veel toeters en bellen. Nieuw kost zo'n ding al gauw zevenduizend gulden.
Een eindje verderop staat Nico Timmer. In het dagelijkse leven is hij werkzaam bij de IRT Belastingen. Door de week is Timmer dus al een soort geheim agent, in het weekend speelt hij de cowboy. Uit zijn portefeuille haalt hij een foto van hem en zijn vrouw, die genomen lijkt te zijn aan het begin van deze eeuw, ergens in het Wilde Westen. Hij kijkt nu al uit naar de Wild-Westschietwedstrijden die deze zomer in Zeeland worden gehouden. 'Daar schieten de mensen in cowboykleren met historische wapens, sommige dateren zelfs uit 1850.’ Zo'n historisch wapen heb je al voor een paar duizend gulden. 'Maar voor een gewild exemplaar als bijvoorbeeld een originele Colt Ragoon moet je al snel dertigduizend neertellen’, vertelt Timmer.
'IK HAD ZES weigeringen’, klaagt cowboytype Fransje als hij klaar is met zijn Sasia-test. Hij kijkt een beetje beteuterd naar zijn Colt. Tot zijn vijfenzestigste werkte Fransje in een tandtechnisch laboratorium. Een jaar of twintig geleden is hij begonnen als sportschutter. 'Ik ben altijd bezeten geweest van vuurwapens. Niet om iemand mee dood te schieten maar vanwege de techniek en het vakmanschap. Je moet een wapen naar je hand zetten en inschieten. Je krijgt er echt een band mee.’
Fransje is een kenner. Hij legt in vloeiend Engels aan een paar Britten uit dat de Colt een 'excellent’ merk is, maar dat de fabriek in het verleden is stil blijven staan. Mooiere types zijn tegenwoordig de Duitse Korth, en de Franse Manhurin (de tweede goede Fransman). Toch schiet Fransje met een Colt, vanwege zijn 'fijne trekkerdruk’. Hij heeft namelijk een beetje last van reuma.
Fransje heeft veel ervaring met vuurwapens. In de oorlog was hij loopjongen: 'Ach verzet, verzet, dat vind ik zo'n beladen woord.’ Na de bevrijding van Zuid-Nederland werkte hij bij de Binnenlandse Srijdkrachten, en na de oorlog ging hij als vrijwilliger naar Indië. Hij was gelegerd in Bangka, het tinland. 'Ja, die Britten dachten dat mooi in te kunnen pikken.’ Fransje kan zich er nog boos over maken. 'Maar goed dat we daar een basis hadden, dat hadden ze niet gedacht, anders hadden die Britten al die tin gehad.’ Veel meer wil hij er niet over kwijt. 'Ach, dat is zo lang geleden. Tempo doeloe. Laten we het er maar niet meer over hebben.’
Fransje lag in Indië aan het front, zoals dat gaat met vrijwilligers. Of hij zelf wel eens iemand heeft doodgeschoten? 'Mwoah’, zegt hij, 'dat is niet zo belangrijk. Ik heb misschien dingen gedaan die ze nu zullen veroordelen, maar toen was het een nuchter feit. Het was jij of ik. Maar dat is allemaal voorbij.’
Fransje draagt een CPA-pet. Ontroerd vertelt hij waar dat voor staat: 'Dat is de Cosmopolitan Pistol Association. Zo'n heerlijke organisatie is dat. Veel politiemensen, mensen die je kunt vertrouwen. Laatst was er een CPA'er in Amerika die een Europese viool wilde hebben voor zijn dochter. Nou, dan ga je voor hem op zoek alsof die viool voor je eigen dochter is.’
In het kort vertelt Fransje waar CPA voor staat. 'Elkaar mogen, elkaar waarderen, elkaar volkomen vertrouwen. Dat ik jou mijn dochter van negentien kan meegeven.’
De woorden solidariteit en loyaliteit hebben veel betekenis voor de gemiddelde sportschutter. Die waarden worden ook goed gesymboliseerd door de populaire 'Rupertjes’.
'Ken je Rupert? Dat is een beertje’, vertelt Kees Moezer, een Brabander met een baard en een cowboyhoed. Hij vertelt het hartverscheurende verhaal van de stoere brandweerman die een meisje redde uit een brandend pand. 'Dat meisje huilde heel hard, want Rupert was nog binnen.’ De brandweerman dacht dat haar broertje Rupert heette en ging het brandende pand weer binnen. 'Maar Rupert was een knuffelbeer.’ De brandweerman is niet meer uit het pand teruggekeerd. Hij liet een arme weduwe achter, 'want je weet hoe dat gaat in Engeland: geen sociale voorzieningen.’ Sindsdien verkopen ze Rupertspeldjes, voor zeven pond vijftig. De opbrengst gaat naar alle brandweer- en politieweduwen in Engeland. 'Ik heb Rupertjes die wel veertig, vijftig, zestig pond waard zijn’, besluit Moezer.
Er lopen trouwens veel Engelsen rond in het schietcentrum in Dongen. Dat komt doordat de schuttersport in Groot-Britannië nauwelijks meer bestaat. Na het drama in 1996 in het Schotse Dunblain, waar een sportschutter zestien kinderen tussen de vijf en zes jaar doodschoot, zijn de handvuurwapens totaal verboden. Gelukkig vinden de Britse sportschutters onderdak bij hun Nederlands vrienden van de CPA. Als ze over een Europees schutterspaspoort en een vergunning beschikken, mogen ze hier met geleende pistolen of een eigen pistool dat in Nederland ligt opgeslagen, gezellig meeschieten.
IN DE KANTINE wordt afkeurend gesproken over de nieuwe Engelse wet. Er klinkt een knap staaltje retoriek. 'Als zo'n man in zo'n agressieve staat een kleuterschool inloopt, kan hij ook zonder wapens, met blote handen, makkelijk zestien kleuters wurgen. Makkelijk! Het lijkt wel alsof ze een stok zoeken om de sportschutters mee te slaan.’
Het is kortom niet eerlijk om de schuld aan de pistolen te geven. Het pistool is immers niet gevaarlijk, het baasje is gevaarlijk.
Het is een opvatting die de meeste sportschutters met elkaar delen. Ze doen voortdurend moeite om de veiligheid van de schietsport te benadrukken, en ze nemen snel een defensieve houding aan. Fransje: 'Schieten is de veiligste sport die ik ken. Hockey, voetbal, tennis, dat is allemaal veel gevaarlijker. Bij deze sport heb je alleen met het pistool te maken. Er zijn geen gemene streken. Je probeert niet om een tegenstander te tackelen.’
'Als ik straks thuiskom, is het eerste wat ik doe mijn revolver in de kluis leggen. Ik heb twee kinderen’, zegt Boos. 'Stel dat ik thuis blind van woede ben, dan pak ik eerder het keukenmes van mijn vrouw dan mijn pistool, want dan moet ik eerst de kluis openmaken.’
EEN ANDERE eigenschap die de schutters bindt, is de liefde voor politieseries en actiefilms. Ze mogen graag brullend van het lachen naar politieseries op tv kijken. Meestal tot groot ongenoegen van de levenspartner. De geluiden die de kogels maken, het in brand schieten van auto’s, het aantal keren dat geschoten wordt - er klopt helemaal niets van. En dat mag iedereen weten.
Alle schutters blijken de gewoonte te hebben om voor de televisie te tellen hoeveel iemand met een bepaald wapen geschoten heeft zonder te herladen. Met een revolver kun je zes keer achter elkaar vuren, en met een semi-automatisch pistool hooguit zeventien keer. 'Hoeveel schoten ze soms lossen, dat is niet normaal’, zegt. Kramer. 'Zie je ze rustig twintig, dertig keer schieten, zonder ook maar één keer te herladen.’
Fred Mercey, met licht getinte prins-Bernhardbril, is naast voorzitter van de schietvereniging ook handelaar in beveiligingsartikelen en heeft een goedlopend bedrijf omdat hij op dat gebied het nieuwste van het nieuwste importeert uit Amerika en Engeland en die spullen dan weer distribueert over Europa. Van elegante kogelwerende vesten en onzichtbare holsters tot uitschuifbare wapenstokken en spuugmaskers. Mercey: 'Ha, en dan staat die Rambo daar met zo'n M60, een ding dat je sowieso al moeilijk de lucht in krijgt. En dan heeft hij nog allemaal van die banden om zijn lijf. Door de terugslag van die M60 zou hij zichzelf wurgen. Maar nee hoor. Staat die rustig te schieten, en hij blijft maar aan de gang, alsof er een hele kist munitie onder hangt.’
Actieseries die er volgens de deskundigen wel mee door kunnen, zijn Derrick en Wolf. ('Zo is het in het echt.’) En daarnaast is iedereen unaniem van mening dat er over het geheel wel enige verbetering in zit: 'De wapens gaan steeds meer kloppen, in de nieuwere films en series.’
(HET BEELD DAT van de sportschutter blijft hangen, is dat van een romantische jongen die droomt van loyaliteit en vriendschap, van zelfopoffering en heldenmoed, en die zijn wapen koestert als een juweel. Hij schroeft hem uit elkaar en zet hem weer in elkaar. Urenlang is hij bezig met het vullen van de patronen en het afmeten van de goede hoeveelheid kruit die erin moet.
Aardige jongens zijn het, maar met een dodelijk wapen als hobby.