Naar een kringlooplandbouw

De veranderaars

Milieuvervuiling, vervreemding van het dier op ons bord, overproductie, overconsumptie, honger, lange ketens – ons voedselsysteem moet anders. De coronacrisis zet dat op scherp. Maar hoe verander je? Luister bijvoorbeeld naar de Teppers.

De kringloopboerderij van Maurits en Jessica Tepper in Drenthe. De blaarkoppen lopen na het melken zondagochtend weer de stal uit

In de zomer is het noordelijkste puntje van Drenthe op z’n mooist. Lommerrijke bomenrijen scheiden velden en akkers van een landweg, aardappelplanten bloeien witte bloemen. De weg eindigt op de oprit van kringloopboerderij Eytemaheert. Een jong stel loopt driftig om een melktank op een stilstaande aanhanger heen. De bijbehorende auto heeft pech en nu dreigt de melk later dan afgesproken bij de kaasmaker aan te komen. ‘Het is even crisis.’

Even later zit zitten Maurits Tepper, een blonde veertiger in wit overhemd en korte broek, en Jessica Tepper, 35, in bloemenjurk en op slippers, op een stoeltje in hun weiland. Achter ze grazen hun koeien in de zomerzon. Dit soort kleine of grote crises zijn aan de orde van de dag, vertellen ze. ‘Dat heb je als je iets nieuws gaat proberen. De status quo van de landbouw is: veel subsidie, weinig verandering. Wij willen hier laten zien dat het anders kan.’

Verandering in ons voedselsysteem is broodnodig, daarover heerst brede consensus. Het huidige systeem zit vol zwakke plekken, die de coronacrisis razendsnel blootlegde. Problemen die volgens velen ontstaan door te lange ketens: het feit dat ons eten de halve wereld over reist, van verbouwer naar ons bord. Het is een kwetsbaar systeem dat draait om kostenefficiëntie, maar de grootste kosten buiten beschouwing laat. Dus moeten producent én consument op zoek naar betere wegen voor ons eten. Maar dat betekent niet alleen de ketens verkorten.

Vijf jaar geleden verruilden Maurits en Jessica hun stadswoning in Groningen voor een boerderij in Drenthe. Hun manier van boeren is specialer dan het op het oog lijkt: het streven is een volledig gesloten kringloop, ‘zonder externe input’. Dat betekent: alles komt van het land waar ze nu op staan, alles wat ontstaat bij de productie blijft hier. Het is de ultieme korte keten, het vlees wordt alleen gekocht door klanten die in de regio wonen. ‘We hebben ook met een koelwagen door Nederland gereden om vlees te bezorgen, maar die vloog in brand. Dat hebben we maar als teken opgevat dat we er weer mee moesten stoppen.’

Ze begonnen met vijf kalfjes, blaarkoppen, een inheems noordelijk ras. ‘Extra geschikt om te leven van het gras hier.’ Ze houden de dieren als ‘dubbeldoelkoe’: zowel voor de melk als voor het vlees. Van de melk wordt door een kaasboer dus ook kaas gemaakt. Inmiddels lopen er 147 blaarkoppen rond op Eytemaheert.

Voor Jessica, psycholoog, was het een totaal nieuwe wereld, maar Maurits wist altijd al dat hij boer wilde worden. Zijn grootvader had een traditioneel melkveebedrijf. ‘Hij zei altijd over zijn collega-boeren: “Laat ze maar gek doen, ik verdien geld.” En daarmee bedoelde hij geld op de bank, geen liters in de tank. Dat is een van de weinige dingen die ik als boer van hem geleerd heb.’

Want een groot probleem van de huidige landbouw zit er volgens het ondernemersechtpaar in dat veel boeren dubbel belastend zijn. ‘Hoge milieu-impact zonder een goede financiële basis. Hun broek wordt opgehouden met subsidies. Dan kun je nog zo’n grote melktank hebben, maar als je geen winst maakt heeft de economie noch de ecologie er iets aan.’ Daarom willen de Teppers een alternatief bieden, ze leggen de lat hoog: ‘We willen de Rabobank een blauwdruk geven van hoe het óók kan, zodat ze hun financiering daarop kunnen inzetten.’ Want kringloop is de toekomst. Dat vinden niet alleen de kringloopboeren zelf, maar ook minister Carola Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (lnv). In haar visie Waardevol en verbonden zette ze in 2018 de deur open voor een transitie in de landbouw: ‘Boeren, tuinders en vissers zijn onmisbaar en voeden de mensen. Zoals dit nu wereldwijd gebeurt, is echter niet vol te houden.’ Het roer moet om, kan ze sindsdien niet vaak genoeg benadrukken, en kringlooplandbouw is de richting die het op moet.

In haar recente interview in Zomergasten liet ze een deel van de boerderijdocumentaire The Biggest Little Farm zien: een sprookjesachtig verhaal over een bloeiende kringloopboerderij tussen traditionele boerenbedrijven in het kurkdroge Californië. Een verhaal om bij weg te dromen over bomen vol biologisch geteeld fruit en een perfect gebalanceerd systeem, maar helaas vooral exemplarisch in zijn eenzaamheid: de meeste kringloopboeren hebben unieke, kleine projecten in een woestijn van traditionele landbouw. De toewijding van de minister ten spijt, grootschalige verandering blijft moeilijk.

‘Landbouwsubsidies zijn vaak meer ingericht op leuke “projectjes” dan op systematische verandering’, zegt Jessica Tepper. ‘Bovendien doen adviseurs, die zelf ook leven van het subsidiegeld, vooral hun best om zo veel mogelijk business as usual te behouden’, voegt Maurits eraan toe.

We lopen door het weidevogelveld van Eytemaheert, waar gras, klaver en cichorei welig tieren. Boze grutto’s en kieviten, overal in aantallen tanende maar hier volop aanwezig, piepen om ons van hun broedplaats te verjagen. Jessica zucht: ‘Het is moeilijk. Wij doen het grotendeels zonder subsidies omdat we willen laten zien dat hier een verdienmodel in zit, meer dan in de meeste boerenbedrijven. Maar subsidie zou zich wel moeten richten op de bedrijven die volledig om willen. Op de veranderaars.’

Landbouw begon als straf. Voordat de mens leerde zelf eten te produceren was iedereen het leeuwendeel van de dag bezig met voedsel verzamelen. Toen twaalfduizend jaar geleden manieren werden ontdekt voor het verbouwen van voedsel werd daarmee een scheiding aangebracht tussen degenen die moesten boeren en degenen die niet meer de hele dag met eten bezig hoefden te zijn. En zo begon de reis die de mens zou afleggen, weg van de oorsprong van haar voedsel, richting de kant-en-klaar-ervaring van het supermarktschap.

‘Driekwart van wat we produceren exporteren we, driekwart van wat we eten importeren we’

Het is een geschiedenisles van Carolyn Steel, architect en schrijver over de relatie tussen voedsel en de stad. In haar nieuwste boek Sitopia (een zelf samengesteld Grieks woord voor ‘voedselplaats’) omcirkelt ze de kwetsbaarheden van ons voedselsysteem met een dikke rode stift. Milieuvervuiling, vervreemding van het dier dat op ons bord ligt, overconsumptie, honger, overproductie, gebrekkige distributie, de inmenging van Big Tech. De timing is ironisch: het boek verscheen in maart in een wereld die in hoog tempo op slot ging. Corona legde de door Steel beschreven zwakke plekken van ons voedselsysteem feilloos bloot. Het systeem blijkt niet schokbestendig, is te veel gericht op efficiëntie en te weinig op duurzaamheid en onafhankelijkheid. Corona wordt zo een oefenwedstrijd voor klimaatverandering. Het virus was een schok, klimaatverandering is een aardverschuiving. Een geleidelijk proces dat zich niet overal even snel voltrekt, zegt Siemen van Berkum, landbouweconoom. ‘Je ziet de effecten al in veel regio’s in de wereld, ook in Nederland steeds meer. Dat trekt het huidige voedselsysteem niet: een klimaatbestendig alternatief is toch waar we naartoe moeten.’

De Teppers en hun dochter

‘Corona laat zien hoeveel druk we leggen op het voedselsysteem, terwijl we er tegelijkertijd blind op vertrouwen’, zegt Ivo Demmers, programmaleider voedselzekerheid bij Wageningen University & Research. ‘Het laat ook zien hoe we in de toekomst in de problemen komen als we niets doen aan andere problemen die op de lange termijn spelen bij de huidige voedselproductie. Verminderende biodiversiteit, uitgeputte waterbronnen en bodemvervuiling zijn zaken waar we ons op aan moeten passen, maar dat gebeurt veel te weinig en te langzaam. Terwijl we de effecten nu al beginnen te merken, niet alleen in de Himalaya waar gletsjers sneller smelten, maar ook aan de droogte hier in Nederland.’

Dat ziet ook Natascha Kooiman, initiatiefnemer van de Transitiecoalitie Voedsel, een netwerk van ‘koplopers die een gezondere en duurzamere toekomst nastreven’: ‘We merken nu hoe fragiel het systeem is. Driekwart van wat we produceren exporteren we, driekwart van wat we eten importeren we.’ Een van de risico’s die daarbij horen is het razendsnel verspreiden van virussen.

Dick Veerman is oprichter en hoofdredacteur van voedingsnieuwssite Foodlog.nl en spreekt in die hoedanigheid veel producenten en onderzoekers. ‘Handelaren die spullen door de hele wereld verschepen, wisten al langer dat de biologische risico’s te groot zijn. Covid-19 zet hen ertoe aan daar versneld wat aan te doen. Het zal hen ook doen wijzen op wat het open verkeer in de wereld voor consequenties heeft.’ Maar zo’n internationale afhankelijkheid heeft ook zijn weerslag op de voedselvoorziening. Van Berkum: ‘De coronacrisis is precies de vinger op de zere plek: innige verbinding maakt kwetsbaar voor verstoring.’ Innige verbinding binnen lange voedselketens: een systeem dat is ontstaan vanuit efficiëntie, zegt hij. ‘Economisch gezien is dat logisch; zo hebben we de wereld ingericht. Door de coronacrisis moeten we er eens goed over nadenken of de kosten van een verstoring opwegen tegen die efficiëntie.’

De impact van corona op het voedselsysteem wordt duidelijk als we stap voor stap de lange keten volgen, van ons supermarktschap via leverancier terug naar de plaats van productie. Aan onze kant van de keten, de winkel, leek die verstoring mee te vallen. ‘Waar grenzen voor mensen dicht gingen, bleven ze voor voedsel open, waardoor voedselstromen wonderwel bleven werken’, zegt Krijn Poppe, voedseleconoom aan Wageningen University & Research. ‘Voedselzekerheid, zeker in Noordwest-Europa, is niet echt in het geding geweest.’ Goed, hamsterende klanten en gebrek aan arbeid bij het oogsten lieten schappen tijdelijk leeg achter. Hier en daar kwam het vervoer in het geding en ‘lukte het supermarkten niet alle varianten van een product aan te bieden’, zegt een woordvoerder van supermarktenbranchevereniging cbl. Twee soorten pesto in plaats van elf, dat is te overzien.

Maar een stap verder in de keten, van verkoper naar leverancier, wordt de echte pijn onthuld: daar lagen bergen aardappelen te beschimmelen omdat niemand meer een frietje kon gaan halen. Eind juni kon men op elf plekken in het land voor vijf euro zo veel mogelijk piepers van die aardappelberg komen rapen, om de schade en verspilling enigszins te beperken. De markt voor luxe vissoorten stortte in en vissers kwamen zonder afzet te zitten. De berg onverkoopbaar kalfsvlees groeide en nog steeds wordt te weinig kalfsvlees verkocht om de stroom stierkalveren van melkkoeien een bestemming te kunnen geven; het vlees wordt normaliter voornamelijk geëxporteerd. Maar de helft van de kalveren die in Nederland worden klaargemaakt voor de slacht zijn ook eerst geïmporteerd. Die stroom werd afgeremd ten gunste van Nederlandse dieren. ‘De verhalen zijn niet naar buiten gekomen, maar na de gehalveerde stroom kalveren zullen buitenlandse boeren de nodige dieren op hun erf hebben moeten doodmaken’, zegt Dick Veerman.

Lange voedselketens maken wederzijds afhankelijk. Bovendien resulteren de mondiale markt en de zucht naar kostenefficiëntie in schaalvergroting en daardoor afhankelijkheid van één producent. Productie in het buitenland is behalve goedkoop ook comfortabel omdat het in staat stelt weg te kijken bij de zogenaamde ‘externaliteiten’ van de productie: zaken als biodiversiteitsverlies, bodemdegradatie en broeikasuitstoot. Van alles wat Nederland importeert merken we van deze effecten op eigen bodem niks. Om niet te spreken van het vervoer dat voor de mondiale stromen nodig is: iedereen kent het voorbeeld van de avocado die uit Peru ingevlogen wordt, maar ook containerschepen waarmee voedsel versleept wordt zijn extreem belastend. ‘Al deze externe effecten van massaproductie in binnen- en buitenland worden niet in de prijs van ons eten meegenomen, waardoor prijzen onverantwoord laag blijven’, zegt Kooiman van Transitiecoalitie Voedsel.

Daarom moeten we ons consumptiepatroon aanpassen aan de ecologische belasting ervan, vindt Siemen van Berkum: ‘Er zal toch zoiets als een CO2-taks moeten komen.’ Met zo’n belasting op vervuiling hoeft het schap er niet eens zo anders uit te zien, denkt de landbouweconoom, het verschil zou ’m in herkomst en prijs zitten: ‘Veel voedsel zal dan ergens anders vandaan komen en de Nederlandse landbouw zal er compleet anders uit gaan zien, de milieudruk zal enorm naar beneden moeten om het met een CO2-taks rendabel te houden. Maar of corona zo’n taks nou dichterbij gaat brengen… Kijk naar de stikstofdiscussie. In de huidige politieke realiteit is het toch een moeizaam geworstel.’ Al blijft de inhoud van het schap grotendeels hetzelfde, de impact van het doorberekenen van milieubelasting in de prijzen zou enorm zijn. Zoals Steel in Sitopia schrijft: het herwaarderen van ons voedsel en de plaats die het inneemt in onze maatschappij zou productie en consumptie totaal veranderen. Vooral van goedkoop bulkvoedsel.

Het vlees van Eytemaheert heeft een lagere milieu-impact en kost niet veel meer dan het kwaliteitsvlees uit de supermarkt. Wél meer dan de kiloknallers. ‘Dat zorgt ook voor een beter evenwicht in het menu van de consument’, zegt Jessica Tepper. Duurzamer produceren heeft zo ook impact op het voedingspatroon. ‘In eigen land zien we al wel de gezondheidsgevolgen van ons goedkope eten’, zegt Kooiman. ‘Bijna de helft van de mensen heeft overgewicht. De gezondheidskosten die daarmee gepaard gaan, zijn ook nog niet meegenomen in de prijs.’

Te lage prijzen werken niet alleen overconsumptie maar ook voedselverspilling in de hand. Er wordt meer dan genoeg geproduceerd en geëxporteerd. Volgens de voedsel- en landbouworganisatie van de VN, de fao, worden er gemiddeld 2800 calorieën per dag per persoon geproduceerd. Meer dan genoeg voor iedereen, maar in de verdeling gaat het fout: er zijn 650 miljoen mensen met obesitas, er wordt jaarlijks 1,3 miljard ton voedsel weggegooid en er lijden 821 miljoen mensen honger. Dat zijn meer mensen dan er in Europa wonen. De wereldwijde honger kan bovendien exponentieel toenemen door de coronacrisis, waarschuwde de directeur van het World Food Program in april. ‘Het is goed mogelijk dat er meer mensen overlijden aan de economische gevolgen van de coronacrisis dan aan het virus zelf’, schreef hij aan de VN-Veiligheidsraad.

‘1,6 miljard mensen weten niet of ze morgen eten kunnen kopen. Dat is het echte drama van dit virus’

De crisis raakt ontwikkelingslanden extra hard. Demmers: ‘Elders in de wereld leiden dezelfde consequenties tot heel andere problemen. Wie in ontwikkelingslanden zijn baan verliest loopt het risico te verhongeren. Inkomen gaat direct naar voedsel.’ Bovendien zijn ook deze landen afhankelijk van import: het landbouwsysteem is er vaak verre van zelfstandig. Oftewel: de laatste schakel in de keten, landen waar ons voedsel goedkoop geproduceerd wordt, zijn op hun beurt afhankelijk van goedkope voeding uit fabrieken in andere werelddelen. Als die stroom stopt is de lokale voedselvoorziening niet genoeg om alle monden te voeden, en de lokale economie niet sterk genoeg om dat op te lossen.

De lange keten en de lage prijzen die die keten in stand houden zorgen van producent tot consument voor problemen. Het verklaart waarom ‘kortere ketens’ een van de gedoodverfde oplossingen voor de voedselcrisis is. Het is voor de Transitiecoalitie Voedsel een van de belangrijkste principes voor verbetering van het voedselsysteem. Initiatiefnemer Kooiman somt de voorbeelden op: ‘Als de kersen in Nederland rijp zijn, komen ze in de supermarkt uit Griekenland. De pompoen uit de pompoenhumus komt uit Israël. We vangen garnalen hier maar laten ze in Marokko pellen. Het zou vaker moeten gaan over of iets op de meest logische plek verbouwd en verkocht wordt. En daarbij moet niet alleen kostenefficiëntie meewegen.’

Maurits Tepper gaat melken. Hier houden ze de koeien zowel voor de melk als voor het vlees

Het weeïge aroma van rood fruit, de scherpe geur van paprika en ui – in Bleiswijk vertelt je neus je wat er in de kassen staat. Glastuinbouw karakteriseert hier het landschap, met op de achtergrond de hoogbouw van Rotterdam. Tegenover een gigantische bouwplaats, waar de nieuwe distributiecentra van Jumbo en Picnic verrijzen, staat KAS2030. Hier werken Wageningen Research, het ministerie van lnv en Glastuinbouw Nederland aan een emissievrije en energieneutrale kas. Frank Kempkes, manager van het project, duwt de glazen deur open. Nu stroomt het zonlicht door de ramen, maar ’s avonds en in de winter brandt het licht hier zachtroze. ‘Deze kas biedt ruimte om te experimenteren. Gerbera’s bleken het net zo goed te doen bij roze licht, terwijl dat veel minder energie kost.’ Vier gewassen groeien hier in eigen compartimenten, minilaboratoria waarin onderzoekers proberen elk stapje in het kweekproces te verduurzamen. Dat betekent ook: geen chemische middelen als het niet nodig is. Frank wijst op de open ramen. ‘Bij goed weer staan de ramen open. Hier tegenover ligt een veldje bloemen, of onkruid, het is maar hoe je het bekijkt. Als dat gemaaid wordt vliegt vanuit dat veld veel trips, een plaaginsect, de kas in. Daar moeten we van tevoren op inspelen door predatoren in de kas uit te zetten, zoals sluipwespen en roofwantsen. De permanente aanwezigheid van die predatoren in de kas is nog onontgonnen gebied. De kleur van de lampen in de winter kan bijvoorbeeld ook effect op hen hebben.’

Het is door de insecten in ieder geval een stuk minder steriel dan je zou verwachten in een kas die onder hypercontrole staat: boven de aardbeienplanten zoemen hommels en zweefvliegen. ‘Die vliegen zijn eigenlijk voor de bestrijding, maar blijken ook mee te helpen met bestuiven.’

Op deze manier telen vereist een andere manier van denken, van producent én consument. ‘Als een ondernemer vandaag een ongewenst beestje op zijn planten ziet moet het morgen weg zijn. Een duurzamere blik op kweken vereist een systemische aanpak, balans vinden en accepteren dat het aantal insecten nooit nul gaat worden.’ Anderzijds is de consument te verwend. ‘Dat we een balans zoeken betekent ook dat er af en toe een geel vlekje op het blad van de potanthurium komt. Nu kunnen we die meteen weggooien; zo’n plant verkoopt niet meer.’

Hier wordt het begrip ‘efficiëntie’ veel breder gerekt dan alleen de kosten. ‘De waterefficiëntie bijvoorbeeld, die is hier honderd maal hoger dan op het land met zo’n lompe sproeier.’ Het resultaat lijkt soms sciencefiction: ‘Het water dat uit de plant verdampt vangen we in de winter op. We kunnen de warmte-energie die vrijkwam bij de verdamping terugwinnen en gebruiken om de kas te kunnen verwarmen. Dat speelt ongeveer quitte.’

De integrale aanpak met licht, insecten, gewasbescherming, water en circulariteit is compleet nieuw. Het concept is zo innovatief dat de Amerikaanse minister van Landbouw, Sonny Perdue, nieuwsgierig werd, een kleine omweg aan zijn Europese tour plakte en aan de openingsceremonie van de kas werd toegevoegd. Op 28 januari knipte hij samen met zijn Nederlandse collega Schouten het lintje door. Nederland staat wereldwijd bekend om de landbouwinnovatie, en die reputatie blijkt nog geen verleden tijd.

Tot nu toe is het vooral een staaltje technologisch vernuft, maar de bedoeling is dat de techniek in KAS2030 opgeschaald kan worden. ‘Dat zal ook moeten. In een kas verbouwen is voor de meeste producten veel efficiënter dan traditionele landbouw. Dat gaan we nog hard nodig hebben’, zegt Kempkes. De glastuinbouw wil in 2040 van het gas af zijn. De techniek uit KAS2030 moet een alternatief bieden om toch jaarrond te kunnen telen. De technieken die hier ontwikkeld worden moeten de vernieuwing van de 9500 hectare glastuinbouw in Nederland versnellen. Maar voor nu is het nog experimenteren. ‘Soms gaat er iets fout. Bij de aardbeien was onbalans ontstaan, meeldauw.’ Dan moet er op een bepaald moment toch ingegrepen worden met kunstmatige middelen. En voorlopig is zo’n kas ook nog een gigantische investering: het budget voor 2020 is negen ton. ‘Zoals meestal gaan de kosten voor de baten uit.’ Is de emissievrije aardbei wel lekker? Kempkes lacht: ‘Dat ligt gewoon aan het ras.’

Veerman: ‘We zijn allemaal profeten die brood eten, maar iedereen zet in deze crisis onmiddellijk zijn stokpaardjes op. De voedselveranderaars, de korte-ketenprofeten, de klimaatgroepen, de dierenwelzijnsactivisten en de anti-obesitasactivisten wisten allemaal zeker dat Covid-19 hun gelijk bewees: we moeten anders leven en we moeten anders met de dierenwereld en voeding omgaan.’ Maar in Veermans ogen leerden we precies het omgekeerde: ‘De wereld is minder maakbaar dan we dachten. De natuur kan ons verrassen en dan staan we als mensheid machteloos. Omdat de kleinste dingen, zoals een doodnormaal virus, ons georganiseerde leven in één klap blijken te kunnen ontregelen. In twee maanden tijd verdubbelde het aantal mensen dat niet weet of ze vandaag en morgen eten kunnen kopen: dat zijn er nu 1,6 miljard. Dat is het echte drama van dit virus.’

Alles inzetten op de ketens verkorten gaat het voedselsysteem dan ook niet toekomstbestendig maken. Een dynamisch systeem van problemen los je niet op met dogma’s, zegt Veerman. Complexe problemen vereisen meerdere oplossingen. Op Eytemaheert combineren ze eeuwenoude, natuurlijke processen met de nieuwste technologie. Maurits Tepper: ‘We zijn ook realistisch. Er is een aantal financieel goed lopende, hoogproductieve veehouderijen in Nederland. Die zullen we ook moeten behouden om genoeg voedsel te kunnen produceren, we zullen moeten accepteren dat hun vervuiling het waard is.’ Kooiman van de Transitiecoalitie: ‘Het is altijd een samenspel: tussen kleine initiatieven en efficiënte grote partijen, ervaring en innovatie, lokaal en mondiaal.’

Want een korte keten is niet altijd beter. Veerman: ‘Bedrijven die er verstand van hebben doen het al: zet teelten zo veel mogelijk op in eigen buurt, maar koop producten van elders als het, inclusief logistiek, ecologisch beter is en economisch uit kan. Dat principe zou de basis van beleid moeten zijn, maar het lijkt wel alsof we zijn gaan geloven dat we in Nederland zelfs bananen, koffie, cacao en sinaasappelen moeten gaan telen.’ Lokaal kan ook betekenen: uit Spanje in plaats van Peru. En soms heeft de ecologische rekensom verrassende uitkomsten. Veerman noemt de door het ministerie van lnv voorgenomen sojateelt in Nederland. ‘Nederland is helemaal niet geschikt voor soja. Als we Europese soja willen, dan kunnen we die beter uit het Donaugebied halen of de teelt van daaruit doorontwikkelen. Dat is ecologisch gezien het meest efficiënt.’ Bovendien ontnemen kortere ketens ook inkomstenbronnen van tropische landen: ‘Ook daar zijn oplossingen voor. Help hen met het opzetten van een verwerkende industrie zodat er meer waarde in die landen achterblijft en koop daar de producten van. Toch ook maar uit een wat langere keten dus.’

In Nederland daalt al jarenlang het deel van het besteedbaar inkomen dat naar eten gaat, nu is dat zo’n acht procent. ‘Voeding moet vooral beschikbaar en goedkoop zijn’, weet Van Berkum: ‘Goede intenties sneuvelen toch vaak bij het supermarktschap.’ Als het ook voor een euro minder geproduceerd kan worden, dan nemen we slechte arbeidsomstandigheden, dierenleed en klimaatimpact op de koop toe. Bovendien is het maar de vraag of de voedselindustrie zomaar overstag gaat als het op een duurzamer systeem aankomt. Van Berkum: ‘Als je het mij op de man af vraagt, hoop ik dat corona dat proces zal aanjagen, maar tegelijkertijd hoor je ook uit hoeken met hoge milieudruk dat ze hopen zo snel mogelijk terug te zijn bij business as usual. Terwijl we uiteindelijk naar een systeembenadering moeten. Dat wordt sinds de duurzame ontwikkelingsdoelen ook door de VN steeds vaker naar voren geschoven.’

De verandering begint volgens Carolyn Steel als we ons opnieuw afvragen waar waarde ligt, in voedsel en in het leven. De vraag is of we dat op tijd zullen inzien. ‘Ik hoop dat we over tien jaar over deze periode kunnen zeggen: dat was een enorme domper’, zegt Van Berkum, ‘maar we hebben de klok horen luiden, de bakens verzet en nu werken we aan een klimaatbestendig systeem. Dan heeft de coronacrisis toch positieve impact gehad.’