De verantwoordelijkheid der klerken

De ervaringen met het communisme bracht veel Oosteuropeanen tot de overtuiging dat er niets gevaarlijker is dan de idealistische intellectueel. Vaclav Havel betreurt dat. Want fatalisme kan nooit de oplossing zijn. Intellectuelen moeten blijven speuren naar manieren om de wereld te ver beteren. Zolang ze dat maar doen met de wijsheid van Karl Popper en met gepaste nederigheid.

EEN TIJDJE GELEDEN kwam er een wijze oude man bij me op bezoek in Praag, en ik luisterde vol bewondering naar hem. Korte tijd later hoorde ik dat hij was overleden. Zijn naam was Karl Popper. Hij was een wereldreiziger die het verloop van de grootste oorlog die de mensheid ooit heeft gevoerd - de oorlog die ontketend was door de tribale razernij van de nazi-ideologie - volgde vanuit Nieuw- Zeeland. Hier heeft hij nagedacht over de toestand van de wereld, en hier heeft hij zijn belangrijkste boeken geschreven. Ongetwijfeld onder invloed van het harmonieuze naast elkaar bestaan van mensen van verschillende culturen op de eilanden van Nieuw-Zeeland vroeg hij zich af waarom de gedachte van een open maatschappij de ene na de andere golf van tribalisme moest weerstaan, en hij verdiepte zich in de spirituele achtergrond van alle vijanden van de open maatschappij, en in hun denkpatronen.

Nu ik u hier mag toespreken, wil ik een paar opmerkingen maken over de gedachten van sir Karl Popper, als eerbewijs aan deze onlangs overleden filosoof.
Een van de punten waarop Popper diepzinnige kritiek had - een kritiek die hij met tal van bewijzen ondersteunde - was een verschijnsel dat hij ‘holistische social engineering’ noemde. Die term gebruikte hij ter beschrijving van pogingen om de wereld te verbeteren, volledig, over de hele aardbol, op basis van een of andere vooropgezette ideologie die alle wetmatigheden van de historische ontwikkeling beweerde te begrijpen, en die een alomvattende, complete en holistische beschrijving gaf van de toestand die zou bestaan na de uiteindelijke verwerkelijking van die wetmatigheden. Popper heeft duidelijk aangetoond dat een dergelijk patroon van denken en handelen slechts kan leiden tot totalitarisme.

Ik kom uit een land dat gedurende enkele decennia geleefd heeft onder een communistisch regime, en op grond van mijn eigen ervaringen kan ik bevestigen dat sir Karl Popper gelijk had. Het was begonnen met een zogenaamd wetenschappelijke theorie over de historische wetmatigheden, de marxistische theorie. Die leverde vervolgens de communistische utopie op, het visioen van een paradijs op aarde. Dit visioen heeft uiteindelijk geleid tot de goelags, tot eindeloos lijden van talrijke volken, tot eindeloze aanranding van de mens. Alles wat zich maar leek te verzetten tegen de communistische wereldvisie, alles wat die visie dus in twijfel trok of zelfs aantoonde dat die onjuist was, werd genadeloos onderdrukt. Natuurlijk wilde het leven, met zijn onpeilbare diversiteit en onvoorspelbaarheid, zich niet in de primitieve marxistische kooi laten dwingen. De bewakers van die kooi konden niet anders dan onderdrukken en vernietigen wat ze niet konden opsluiten. Uiteindelijk moesten ze de oorlog verklaren aan het leven zelf en het diepste wezen daarvan. Ik zou u duizenden concrete voorbeelden kunnen geven van de manieren waarop alle natuurlijke manifestaties van leven gesmoord werden in naam van een abstract, theoretisch visioen van een betere wereld. Het kwam niet alleen neer op wat we schending van mensenrechten noemen. Dit afgedwongen visioen leidde tot de morele, politieke en economische vernietiging van de gehele maatschappij.
POPPER BEPLEITTE, in plaats van zo'n holistische engineering, een geleidelijke aanpak, een poging de instellingen, mechanismen en technieken van de menselijke coexistentie geleidelijk te verbeteren, en die verbetering te laten plaatsvinden door voortdurend terug te koppelen naar de ervaring, door deze aanhoudend te verrijken. Verbeteringen en veranderingen moeten ontstaan aan de hand van alles wat goed, praktisch, wenselijk en zinvol is gebleken, zonder de arrogante vooronderstelling dat wij alles van deze wereld begrijpen, en dus alles weten wat er te weten valt omtrent elke verandering ten goede.
Een van de begrijpelijke reacties op de tragische ervaring van het communisme in mijn land is de gedachte dat de mens zo mogelijk geheel moet afzien van pogingen de wereld te veranderen of te verbeteren, van denkbeelden op de lange termijn, van strategische plannen of visioenen. Dat alles ziet men als onderdeel van de wapens van holistische social engineering. Zo'n opvatting is natuurlijk een grote vergissing. De ironie wil dat dergelijk denken veel gemeen heeft met het fatalisme dat Popper ziet bij mensen die geloven dat ze de wetmatigheden der geschiedenis hebben doorgrond, en dat ze die wetmatigheden dienen. Zulk fatalisme krijgt vorm in de merkwaardige gedachte dat de maatschappij niet meer is dan een machine die, wanneer ze eenmaal behoorlijk op gang is gekomen, zelfstandig kan voortbewegen, automatisch en voor altijd.
Zelf ben ik tegen holistische social engineering. Ik weiger echter het kind met het badwater weg te gooien, en ik vind al helemaal niet dat de mensheid haar voortdurende speurtocht naar manieren ter verbetering van de wereld waarin we moeten samenleven, zou moeten opgeven. Men moet juist wel blijven zoeken, al zal men misschien nooit meer bereiken dan partiele verbeteringen op specifieke terreinen, al zal men altijd moeten afwachten of zo'n verandering juist was, en al moet men altijd bereid zijn alles recht te trekken wat in het leven onjuist is gebleken.

Onlangs sprak ik deze opinie uit het bijzijn van een filosoof met wie ik bevriend ben. Hij keek eerst ietwat verward, en probeerde toen om me te overtuigen van iets wat ik nooit heb ontkend, namelijk dat de wereld in wezen een holistische entiteit is; dat alles in de wereld met elkaar samenhangt; dat alles wat we op een bepaalde plaats doen, onberekenbare gevolgen kan hebben op alle andere plaatsen, al kunnen we het geheel niet overzien; dat zelfs de postmoderne wetenschap van tegenwoordig daarvan het bewijs levert.
Met zijn opmerking dwingt mijn vriend me een aanvulling te geven op wat ik zei, en misschien zelfs op wat Popper heeft geschreven. Ja, het is waar dat de maatschappij, de wereld, het universum - het Zijn zelf - een uiterst mysterieus verschijnsel is, bijeengehouden door miljarden mysterieuze onderlinge verbanden. Het is een ding om dat alles te weten en nederig te aanvaarden, maar de arrogante overtuiging dat de mensheid - of de menselijke geest of de rede - de wereld in haar geheel kan bevatten en beschrijven en aan die beschrijving een visioen kan ontlenen ter verbetering van die wereld - dat is wel iets volkomen anders. Het is een ding om zich bewust te zijn van de onderlinge verbanden tussen alle dingen die gebeuren, maar het geloof dat we dat volledig hebben begrepen, is iets totaal anders.

Met andere woorden: ik geloof, net als Popper, dat politici noch wetenschappers noch ondernemers noch wie dan ook mogen bezwijken voor de ijdele overtuiging dat ze de wereld als geheel kunnen bevatten en als geheel kunnen veranderen door een enkele handeling. In hun pogingen tot verandering moeten de mensen uiterst voorzichtig en gevoelig te werk gaan, stap voor stap, en steeds nagaan wat elke verandering in werkelijkheid met zich meebrengt. Tegelijkertijd geloof ik echter - waarin ik misschien enigszins afwijk van Poppers denkbeelden - dat de mensen, terwijl ze daarmee bezig zijn, zich bewust moeten zijn van alle wereldwijde interrelaties waarvan ze op de hoogte kunnen zijn, en dat ze daarbij niet mogen vergeten dat er voorbij hun eigen kennis een oneindig veel ruimer netwerk van interrelaties bestaat. Mijn relatief kortstondig verblijf in het rijk van wat men de 'grote politiek’ noemt, overtuigt me telkens weer van de noodzaak van een dergelijke aanpak. De meeste dingen die de wereld van heden bedreigen, en de meeste problemen waarvoor de wereld wordt gesteld, zouden beter kunnen worden aangepakt als we verder konden zien dan onze neus lang is, als we, tot op zekere hoogte althans, rekening konden houden met de verbanden die verder gaan dan onze persoonlijke of groepsbelangen. Een dergelijk bewustzijn mag natuurlijk nooit ontaarden in de arrogante utopische overtuiging dat wij als enigen beschikken over de volle waarheid aangaande die onderlinge verbanden. Integendeel, een dergelijk bewustzijn hoort te berusten op een diep en nederig respect voor die verbanden, en voor de mysterieuze wetmatigheden waaraan ze gehoorzamen.

IN MIJN LAND IS momenteel een discussie gaande over de rol van de intellectuelen: over de vraag hoe belangrijk of hoe gevaarlijk ze zijn, over de mate waarin ze onafhankelijk kunnen zijn, over de vraag hoe en in welke mate ze zich met politiek mogen bezighouden. Soms was dit debat nogal verward, voor een deel omdat het woord 'intellectueel’ verschillende dingen kan betekenen voor verschillende mensen. Dit houdt nauw verband met wat ik zojuist heb gezegd.

Laat mij voor de goede orde proberen een definitie van een intellectueel te geven. Voor mij is een intellectueel iemand die zijn of haar leven heeft gewijd aan het denken in algemene termen over de kwesties van deze wereld en de ruimere context van de dingen. Natuurlijk zijn intellectuelen niet de enigen die zoiets doen. Maar zij doen het - als ik die term mag gebruiken - op een professionele manier. Dat wil zeggen: hun belangrijkste bezigheid is studeren, lezen, les geven, schrijven, uitgeven, het publiek aanspreken. Vaak - zij het ook niet altijd - worden ze daardoor ontvankelijker voor meer algemene problemen; vaak - zij het ook lang niet altijd - zijn ze daardoor geneigd een ruimere verantwoordelijkheid te voelen voor de toestand van de wereld en haar toekomst.

Wanneer we deze definitie van 'intellectueel’ aanvaarden, zal het geen verrassing zijn te vernemen dat menig intellectueel de wereld heel wat schade heeft berokkend. Door hun belangstelling voor de wereld als geheel en door de grotere verantwoordelijkheid die ze ervoor voelen, bezwijken intellectuelen vaak voor de verleiding te proberen de wereld als geheel te bevatten, haar totaal te verklaren en universele oplossingen te bieden voor haar problemen. Een zeker ongeduld in het denken en een aantal vormen van geestelijke kortsluiting, dat zijn de gebruikelijke redenen waarom intellectuelen geneigd zijn holistische ideologieen te verzinnen en te bezwijken voor de verleidingskracht van holistische social engineering. Waren de voorlopers van de nazi-ideologie, de grondleggers van het marxisme en de eerste communistische leiders geen intellectuelen par excellence? Zijn niet een hele reeks dictatoren en zelfs enkele terroristen - van de leiders van de vroegere Duitse Rote Armee Fraktion tot aan Pol Pot - begonnen als intellectueel? Om nog maar te zwijgen van de vele intellectuelen die, hoewel ze geen dictatuur hebben geschapen of ingevoerd, telkens en telkens weer hebben nagelaten daartegen in verzet te komen, aangezien zij meer dan anderen leden onder de misvatting dat er een universele sleutel bestond ter oplossing van alle ellende in de wereld.

Dit verschijnsel heeft geleid tot het ontstaan van de uitdrukking 'la trahison des clercs’ - 'het verraad van de intellectuelen’. De vele uiteenlopende campagnes tegen intellectuelen in mijn land hebben altijd dit type intellectueel als doelwit gekozen. Dat is de bron van de overtuiging dat de intellectueel als biologische soort een gevaar is voor de mensheid. Wie zoiets beweert, raakt verzeild in een dwaling die sprekend lijkt op het handelen van mensen die zich door hun volstrekte afwijzing van de socialistische planeconomie laten overhalen tot een afwijzing van het conceptuele denken.

Het zou onzin zijn te geloven dat alle intellectuelen zijn bezweken voor utopisme of holistische social engineering. Veel intellectuelen uit verleden en heden hebben precies gedaan wat ze volgens mij hoorden te doen: ze hebben de ruimere context onder ogen gezien, ze hebben wereldwijde verbanden begrepen, ze hebben de mysterieuze aard van wereldwijde verschijnselen erkend en zich daar in alle nederigheid bij neergelegd. Hun verhoogde gevoel van verantwoordelijkheid voor deze wereld heeft er niet toe geleid dat zulke intellectuelen zich identificeren met een ideologie; het heeft hen ertoe gebracht zich te identificeren met de mensheid, haar waardigheid en haar vooruitzichten. Zulke intellectuelen bouwen aan een solidariteit van mens tot mens. Ze koesteren verdraagzaamheid, strijden tegen kwaad en geweld, bevorderen de mensenrechten en bepleiten de ondeelbaarheid daarvan.
In een woord: ze vertegenwoordigen wat men wel 'het geweten van de maatschappij’ heeft genoemd. Ze blijven niet onverschillig wanneer mensen in een onbekend land aan de andere kant van de aardbol worden uitgeroeid of wanneer kinderen van honger sterven, en al evenmin doen ze onbezorgd over het broeikaseffect en de vooruitzichten van komende generaties op een leefbaar bestaan. Ze maken zich zorgen over het lot van ongerepte wouden in afgelegen streken, over de vraag of de mensheid binnenkort alle niet- aanvulbare hulpbronnen zal hebben opgebruikt, of dat een wereldwijde dictatuur van reclame, consumentisme en bloeddorstige films op de tv de menselijke soort uiteindelijk zal reduceren tot volstrekte idiotie.

EN WAAR STAAN DE intellectuelen in relatie tot de politiek? Ook daarover hebben tal van misverstanden bestaan. Ik vertegenwoordig een simpele opvatting: wanneer we utopische intellectuelen tegenkomen, moeten we weerstand bieden aan hun verleidelijke lokroep. Wanneer dergelijke lieden doordringen tot de politiek, moeten we hen nog minder vertrouwen. Het andere type intellectueel - degenen die zich bewust zijn van de banden die alles in deze wereld onderling verbinden, die de wereld met gepaste nederigheid benaderen, maar ook met een verhevigd verantwoordelijkheidsgevoel, die strijden voor alles wat goed is - naar dergelijke intellectuelen hoort men bijzonder aandachtig te luisteren, los van de vraag of ze optreden als onafhankelijke critici en de politiek en de macht een hoogst noodzakelijke spiegel voorhouden, dan wel direct betrokken zijn bij de politiek.
Dat zijn twee heel verschillende rollen. Daarin heeft mijn vriend Timothy Garton Ash, met wie ik al jaren over dit onderwerp discussieer, volkomen gelijk. Desondanks volgt daar niet uit dat wij dergelijke intellectuelen buiten het rijk der politiek moeten houden onder het voorwendsel dat ze uitsluitend op hun plaats zijn op de universiteiten of in de media. Integendeel, ik ben er volstrekt van overtuigd dat hoe meer dergelijke mensen zich rechtstreeks bezighouden met de politieke praktijk, des te beter zal onze wereld eruit gaan zien. Door haar specifieke aard dwingt de politiek de mensen die daarin actief zijn, hun aandacht te richten op korte-termijnkwesties die rechtstreeks verband houden met de eerstvolgende verkiezingen, en niet op wat er over honderd jaar zal gebeuren. Dat dwingt zulke mensen ertoe eerder groepsbelangen na te streven dan de belangen van de menselijke gemeenschap als geheel, eerder dingen te zeggen die iedereen behagen dan dingen die de mensen minder graag horen, en zelfs voorzichtig om te gaan met de waarheid. Dat is echter geen reden om intellectuelen een plaats in de politiek te onthouden. Integendeel, het is een uitdaging om zoveel mogelijk intellectuelen daarbij te betrekken. Wie zijn per slot van rekening beter toegerust om te beslissen over het lot van deze wereldwijde, onderling verbonden beschaving dan de mensen die zich het scherpst bewust zijn van die verbanden, die daar het grootste respect voor hebben, die de meest verantwoordelijke houding aannemen tegenover de wereld als geheel?


President Havel hield deze lezing op 31 maart 1995 aan de Victoria University van Wellington, Nieuw-Zeeland. Vertaling: Tinke Davids.