De verbaasde blik even terug

Op enkele besloten zomerse dagen zag ik in het filmmuseum met een aardig en studieus gezelschap een prettige overdosis aan documentaire filmpjes uit de vroegste tijd van de cinema. De tijd dat film nog een hoog Jules-Vernegehalte had en nieuwsgierig en ongeremd rondkeek in de wereld. Behalve dat die voorstellingen bevestigen dat het heel leuk is om met een soort negentiende-eeuwse blik in de wereld rond te kijken en dat sommige van die filmpjes je kunnen verbazen zoals een enkele experimentele film dat kan doen, maakten ze ook duidelijk hoezeer de televisie ons heeft beroofd van een verbaasde blik op de wereld. De wereld wordt op het ogenblik vierentwintig uur per dag bewaakt door hongerige, om niet te zeggen bloeddorstige, televisienetwerken. Permanent worden we doorgeschakeld naar de plaatsen waar het bloed vloeit. Hele continenten worden momenteel gereduceerd tot nieuwsflitsen.

De tijd dat het een camerateam weken reizen kostte om in de binnenlanden van Afrika of boven de poolcirkel te komen ligt goed beschouwd nog helemaal niet ver achter ons. Toch lijkt het verslag van een poolexpeditie uit 1916 een bericht uit de middeleeuwen. In een tijd die wordt gedicteerd door telecommunicatie is het nauwelijks meer voorstelbaar dat mensen zich met hondensleeen honderden kilometers een weg door sneeuw en ijs moesten vechten om hulp te halen voor de bemanning van een ingevroren schip. Die weg die bevochten moest worden was natuurlijk een verhaal. De belevenis was hoe er te komen en hoe weer terug te komen. Dat verhaal is verdwenen. Zelfs de helden van onze tijd, de internationale brigadisten met hun blauwe baretten, gaan gewoon via door vakantiegangers bevolkte luchthavens met prozaische chartervluchten naar de onheilsplaatsen waar de televisieploegen ze al staan op te wachten. Zonder echt reizen geen reisverhaal. Hoe bloeddorstig de televisienetwerken ook zijn, ze kennen een cynisch soort zelfcensuur. In het Greenpeace-tijdperk lijkt het kadaver van een dier moeilijker vertoonbaar dan het lijk van een mens. Een Bosnische filmmaker maakte onlangs de volgende bittere vergelijking: als de Serviers zo openlijk als ze nu op mensen schieten, zouden schieten op ijsberen en zeehonden dan zou de internationale gemeenschap allang hebben ingegrepen.
In de filmpjes uit het begin van de eeuw is aan dode ijsberen geen gebrek. De registratie van het gedwongen gevecht tussen een stier en een tijger zou ik me nu niet als televisievermaak kunnen voorstellen. Een filmpje dat dit als circusact georganiseerde gevecht vastlegt, toont aan dat we daar binnen enkele generaties heel anders over zijn gaan denken. Dat de tijger als een bange kat in een hoekje kruipt en tamelijk nonchalant door stier tegen de tralies wordt geplet is overigens tamelijk onthutsend. Ook is niet goed voorstelbaar dat we nu tussen een quiz en een meezinger tot in details getoond zouden krijgen hoe een grote slang een levend konijntje naar binnen werkt. Ten slotte zie je nu zelfs in de dierentuin bordjes met de mededeling dat de kuikentjes al niet meer leefden toen ze werden gevoerd.
Het leukste waren soms de filmpjes die helemaal niet als leuk waren bedoeld. Ook dat geeft een afstand in de tijd aan. De droge en didactische opnamen van een atleet in slow-motion blijken humoristische juweeltjes te zijn geworden. Dat kan soms alleen liggen aan de ernst van een gezichtsuitdrukking of de parmantige krul in een snor. Dat kan komen doordat onze huidige bewegingsdemonstraties, denk maar aan de vele reclames voor fitness-toestellen, altijd worden uitgevoerd door verplicht glimlachende dames en heren. Het is natuurlijk niet moeilijk om te bedenken dat commercials voor home-trainers, droogroeiers en elektrische halters de dijenkletsers van de toekomst worden. Hoe men in de toekomst zal denken over nieuws-items waarin mensen sterven als aan slangen gevoerde konijnen is weer een heel ander verhaal.