De verbazing op peil houden k. schippers

Menulijsten, clownsgrappen, beschrijvingen van dozen op tafels. is dat nu poëzie? Dan kun je alles wel poëzie noemen. Toch?
LAAT IK BEGINNEN met te zeggen dat de poëzie van K. Schippers natuurlijk helemaal geen poëzie is. Stel je voor zeg! Welnee. Notities zijn het. Poëtische notities, dat wel. Maar notities. Geen echte gedichten in ieder geval, geen gedichten zoals je bijvoorbeeld bij Nijhoff vindt, of bij Kloos, of bij Bloem natuurlijk. Die schreven echte gedichten, net als Lucebert, om eens iemand anders te noemen. Maar:

Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is.
Dat is geen gedicht. Het is natuurlijk wel zo - ik bedoel: het is natuurlijk wel zo dat als je goed om je heen kijkt alles verbazingwekkend gekleurd is, maar om zo'n notitie nou een gedicht te noemen… nee, daar kunnen we toch echt niet aan beginnen. Dan kun je alles wel poëzie noemen. Toch?
NU IS DAT NATUURLIJK niet vreemd aan de poëzie van Schippers. Als redacteur van het tijdschrift Barbarber, een nadrukkelijk als ‘tijdschrift voor teksten ’ en dus niet als een expliciet literair tijdschrift gepresenteerd blad, ging het hem en zijn mederedacteuren Bernlef en Brands erom elk onderscheid tussen kunst en werkelijkheid, tussen het poëtische en het banale, tussen het hoge en het lage, het alledaagse en het bijzondere op te heffen.
'De aanwezigheid van een ding verdient een gedachte. Alles is de moeite waard om over na te denken. De indeling tussen gewone en ongewone dingen bestaat voor mij niet ’, stelde Schippers ooit in een interview. In datzelfde interview wees hij nog eens op het belang dat een tweetal tentoonstellingen in het Stedelijk Museum aan het eind van de jaren vijftig voor hem heeft gehad: een over Dada en een over Kurt Schwitters. 'Ik had nog nooit zoiets gezien. Een enorme opluchting en een gevoel van vrijheid kwam over me. (…) De scheiding tussen museum en straat, tussen Kunst en de rest werd opengebroken. Er werd materiaal toegevoegd aan de kunst: de zogenaamde ’ 'gewone dingen “. En het toeval natuurlijk. ’ Over Dada, meer in het bijzonder over de 'dadaïstische veldtocht, van I.K. Bonset en Schwitters in Nederland, schreef Schippers zelfs een boek, Holland dada geheten. En in weer een ander boek, dat hij samen met Bernlef schreef, Een cheque voor de tandarts, kwam zijn affiniteit met het werk van onder anderen Marcel Duchamp, Erik Satie en John Cage duidelijk naar voren.
Barbarber deed met andere woorden in de literatuur wat stromingen als pop art (Oldenburg, Warhol, Lichtenstein), nieuw realisme (Restany, Spoerri, Tingue- ly) en de Zero/Nul-beweging (Van Schoonhoven, Peeters en Armando) op datzelfde moment in de beeldende kunst aan het doen waren. En wat Armando, Vaandrager en Verhagen op hetzelfde moment in het literaire tijdschrift Gard Sivik (later: De Nieuwe Stijl) probeerden te doen, zij het dat dit tijdschrift veel sterker literair-politieke bedoelingen had; het zette zich veel explicieter af tegen wat daaraan vooraf was gegaan dan bij Barbarber het geval was, ook al stelde Brands ooit 'dat Barbarber het eerste Nederlandse tijdschrift was dat de aandacht verlegde op het gebied van literatuur en kunst’.
Hoe het ook zij , voor beide bewegingen was het uitgangspunt 'een konsekwent aanvaarden van de Realiteit’, zoals Armando het ooit formuleerde. Men wilde zonder theoretisering, zonder enige uitleg of toelichting de werkelijkheid laten zien: ,isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit. Niet van de maker, maar van de informatie. De kunstenaar, die geen kunstenaar meer is: een koel, zakelijk oog. ’
EEN VAN DE MANIEREN om dat te bereiken was middels het principe van de ready-made, zoals Duchamps omgekeerde fietswiel op een krukje er een was, of zijn urinoir. Schippers’ eerste bijdrage aan Barbarber, overigens niet onder eigen naam, bestond dan ook uit een tweetal readymades, waaronder een spijskaart. Ook later zou Schippers zich van het principe van de ready-made blijven bedienen, zoals bijvoorbeeld zijn ,Correspondentie met Stan Laurel, in de bundel Verplaatste tafels, bestaande uit… inderdaad: brieven van Stan Laurel aan ,Dear Gerard Stigter’, zoals Schippers in werkelijkheid heet.
In diezelfde bundel vind je 'Een zaterdag in Cork ’, een driedelige fotoserie van een Condor-horloge, waarbij je in de eerste serie, bestaande uit vijftien foto’s, foto na foto de wijzers ziet verschuiven van elf minuten en negentien seconden over drie tot, op de elfde foto, eenentwintig minuten en tien seconden over drie, de tijd die van de elfde tot en met de vijftiende foto blijft staan. Het horloge staat blijkbaar op die tijd stil. Reden om het drie bladzijden later in drie foto’s gelijk te zetten (op half vier) en weer op te winden, zodat we bijna vijftig bladzijden later nog eens vier foto’s van het horloge tegenkomen waarop het van één minuut en achtentwintig seconden over half vier, vijf minuten en zesenveertig seconden over half vier wordt.
Je kunt die foto’s natuurlijk gewoon een goeie bak vinden: een flauwiteit zonder weerga, en ik denk dat je dan op een bepaalde manier ook de spijker op de kop slaat. Lichtheid, weg van de lood- en loodzware ernst die zo vaak met poëzie wordt verward; zelfs weg van het in dit opzicht nog wat al te hoge soortelijk gewicht van de over het algemeen toch behoorlijk montere poëzie van de Vijftigers. Maar je kunt er ook heel filosofisch van worden en zomaar, starend naar die voortkruipende wijzers, overvallen worden door gevoelens van vergankelijkheid en wanhoop. Zelf herinner ik me van de eerste keer dat ik die foto’s onder ogen kreeg, dat het plotseling stil vallen van het horloge mij een onaangenaam gevoel gaf en dat ik me op een bepaalde manier opgelucht voelde toen een paar bladzijden daarna een paar verlossende vingers de tijd weer gelijk zetten en het horloge weer in beweging. Ik bedoel: hoezeer je de grap van zo'n fotoserie ook inziet, je wordt hier toch ook even hardhandig met je eigen sterfelijkheid geconfronteerd.
DIE COMBINATIE van humor en ernst nee, sterker nog: van humor en tragiek, verklaart ook Schippers’ fascinatie voor iemand als Stan Laurel, voor de clown in zijn algemeenheid. In Een vis zwemt uit zijn taalgebied (1976) wordt een nummer van de clown Groek als ready-made in een gedichtje opgevoerd: 'Piano staat vijf meter van kruk/ piano naar kruk trekken ’. Zo'n gebeurtenis is zowel tragisch als om te lachen. De tragiek schuilt in het onbegrip voor wat wij vanzelfsprekend achten: niet weten dat het handiger is om de kruk naar de piano toe te schuiven; niet weten wat zwaar en wat licht is, niets weten van wat een ieder met het grootste gemak en blijkbaar zonder al te vaak door de feiten afgestraft te worden, ,de’ werkelijkheid noemt.
'In ’'Sons of the Desert” of “Me and My Pal” (en de meeste andere) heeft hij geen geheugen, zodat het openen van een deur en het opzetten van een hoed steeds opnieuw een proefondervindelijke gebeurtenis is ’, schreef Schippers dan ook over Stan Laurel bij wijze van inleiding op de publikatie van diens brieven. Van die mentaliteit is eigenlijk al het werk van Schippers doordrongen: van de poging om van zelfs het allergewoonste weer een proefondervindelijke gebeurtenis te maken en zo 'de verbazing op peil te houden ’, zoals het in het gedicht met de verbazingwekkende (aan Schwitters ontleende) titel Zuivere hunvoed heet. Die verbazing heeft veel te maken met de verhouding tussen woorden en dingen, met het vaak als zo vanzelfsprekend geachte verband tussen taal en werkelijkheid, en de taalspelletjes die Schip- pers in zijn werk speelt hebben dan ook diezelfde dubbelheid van ernst en speelsheid die je in de films van Laurel en Hardy ziet, of in het optreden van de clown: 'Een doos op tafel// Tafel waarop doos// Een doos op de tafel// Doos op tafel// Tafel met doos ’, heet het in het gedicht Doos in vijf ver- schillende standen op tafel, een titel die op het eerste gezicht misschien nog wel wat te bepalend is, want voor hetzelfde geld gaat het hier om vijf verschillende dozen op één tafel, om één doos op vijf verschillende tafels, of om vijf verschillende dozen op vijf verschillende tafels.
Wie nog een stapje verder gaat, komt wellicht tot de slotsom dat diezelfde ene doos op diezelfde ene tafel door de wijze waarop hij op die tafel staat, als het ware een andere doos wordt. Is die ene doos die recht op tafel staat nog wel dezelfde doos als je hem scheef zet? En heb je het nog wel over dezelfde doos als je een en dezelfde doos nu eens zus en dan weer zo beschrijft? Natuurlijk, zo zegt het praktische verstand dat ons in staat stelt om (relatief) veilig over straat te gaan, maar we weten het natuurlijk niet echt zeker.
Die onzekerheid vormt in feite het basismateriaal voor elke dichter, en de bijzonderheid van Schippers is misschien dat hij dat basismateriaal in zijn poëzie ook vaak als basismateriaal presenteert, dat hij er niet, of althans niet vaak, toe overgaat met dat materiaal - nou ja, gedichten te schrijven, zal ik maar zeggen. Gedichten schrijf je niet met ideeën maar met woorden, zou Mallarmé tegen Degas gezegd hebben en dat is op zich een idee dat Schippers in precies deze vorm als gedicht gepubliceerd had kunnen hebben. Bijvoorbeeld zo:
Gedichten schrijf je niet met ideeën maar met woorden
Niet dat hij dat gedaan heeft, maar toch… Een dergelijk gedichtje verwoordt een idee (en ontkent het tegelijkertijd ook weer doordat het een idee blijft) dat Schippers zeker onderschrijft en het zou op zich goed hebben gepast bij al die gedichten waarin Schippers ideeën formuleert over wat hij zou kunnen of moeten doen. De lange tekst 'Na tien keer dolen wordt een labyrint een laan ’ uit de bundel Sonatines door het open raam (1972) bestaat zelfs uit een aaneenschakeling van uit te voeren, uitvoerbare en soms ook onuitvoerbare ideeën: 'Dingen in de vorm van andere dingen/ op elkaar stapelen, in elkaar stapelen ’, lees je bijvoorbeeld, of in de vorm van best wel kwellende vragen eigenlijk: 'Kun je aan de vorm van een knipsel/ zien hoe vlug het uitgeknipt is? Reikt de invloed/ van een gedicht zover, dat iemand ergens te/ laat komt, omdat hij het net heeft gelezen?’ Weer elders lees je eenzaam op een bladzijde de regel: 'Iets horen of schrijven over een bal’.
BIJ ZO'N ZINNETJE moet ik onmiddellijk aan het werk van Hans Faverey denken, waarmee dat van Schippers een grotere verwantschap toont dan zo op het eerste gezicht misschien lijkt. Faverey is een dichter die niet alleen 'iets over een bal’ geschreven heeft ('Een bal is in rust, of hij is,/ bewegend, op zoek naar rust ’, bijvoorbeeld, of het eindeloze geouwehoer in de reeks waarin een mens probeert een dolfijn het woord 'bal’ te laten uitspreken), maar in Favereys werk vind je ook diezelfde geconcentreerde aandacht voor het onooglijkste, voor de verhouding tussen de taal en de werkelijkheid die ermee wordt opgeroepen, en voor de enorme gevolgen die de miniemste woordverschuivingen kunnen hebben.
Schippers heeft ook ooit, in de roman Vluchtig eigendom (1993), een kleine hommage gebracht aan deze toen inmiddels overleden dichter. Als ik me niet vergis, duikt Faverey op als de donkere man met een hoog voorhoofd die in het museum, achter de hoofdpersoon van het verhaal, 'trots en met toegeknepen ogen ; het hoofd een beetje scheef, naar een stilleven met asperges van Adriaen Coorte staat te kijken op een manier 'alsof hij de paradox van deze schilder door en door kent: alleen als hij ze toont kan hij laten zien dat de asperges liever niet door te veel ogen worden beschadigd’. Men leze er Favereys gedichten over het werk van Coorte maar eens op na.
Het verschil zit mijns inziens vooral in het feit dat met name de latere Faverey met het basismateriaal van de verbazing ook nou ja, ,echte’ gedichten is gaan maken: geen gedichten die de verbazing als idee formuleren, maar die de verbazing tot leeservaring maken.
Dat klinkt zo geformuleerd misschien wat vaag, maar ik bedoel dit: dat je je na lezing van Schippers’ teksten over de meeste van die teksten zelf niet meer verbaast. Het zijn inderdaad vaak onpersoonlijke ideeën die na één keer lezen een overigens blijvend effect hebben, die als idee in je hoofd blijven hangen en daardoor maken dat je wat meer oog krijgt voor het ongewone in het gewone. Maar als tekst op zich zijn ze op, zeg maar, en worden ze, paradoxaal genoeg, zelf een demonstratie van wat ze bestrijden. Wie ooit 'De autobezitter’ las - 'Er stapt een man in een auto/ verricht de nodige hande- lingen/ voor het rijden/ en rijdt/ daarna dan ook/ inderdaad/ weg’ - zal bij een tweede lezing niet meer verrast zijn door die tekst zelf, terwijl het in deze tekst nu juist gaat om de wijze waarop het vanzelfsprekende verrassend wordt door het inderdaad gewoon en vanzelfsprekend te laten gebeuren. In een gedicht van Faverey wordt het gedicht zelf als het ware het object dat elke keer wanneer je het weer voor je neemt, volkomen nieuw en ongelezen lijkt te zijn.
Daarmee ben ik dan tegelijkertijd aangeland op het punt waar Schippers voor mij pas werkelijk een dichter is geworden: in zijn proza. In zijn romans - en wat mij betreft nog het sterkst in zijn tot nu toe laatste roman, het reeds genoemde Vluchtig eigendom - weet Schippers dat wat hij in zijn gedichten vaak alleen als idee formuleerde en in zijn essays al essayerend benaderde, zo te presenteren dat ik niet alleen ideeën krijg aangereikt waarmee ik, als het ware, zelf aan de slag moet, maar ook de geuren, kleuren en sensaties, het, zeg maar, in de poëzie vaak ontbrekende lichaam dat niet aan de geest het laatste woord laat. In de romans gaat het niet alleen meer om concepten, maar hebben die concepten door de personages en door de handelingen van die personages vlees en botten gekregen. Het struikelen over bepaalde vooronderstellingen is in de romans niet enkel een geinig of tragisch woordspelletje, maar leidt daar tot daadwerkelijk vallen.
Voor de goede orde: ook in zij n romans blijft Schippers voor mij in de allereerste plaats een dichter, ook al is hij in zijn gedichten meestal een dichter die geen gedichten schrijft. Zo verbaas ik hier ten slotte dan mijzelf, want begon ik niet met de constatering dat de poëzie van Schippers natuurlijk helemaal geen poëzie is, want als je zijn versjes al poëzie gaat noemen, dan is alles poëzie? En eindig ik hier niet met te zeggen dat vooral Schippers’ proza poëzie