Marco Polo’s reisverhalen

De verbeelding op reis

Marco Polo was nooit in China. Maar dat maakt zijn reisverhalen, in een nieuwe vertaling verschenen, misschien juist interessanter.

Antonio Pigafetta, Magalhães’ reis rond de wereld. Vertaald door Théo Buckinx, uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 165 blz., ƒ35,-; Marco Polo, De wonderen van de Oriënt. Vertaald door Anton Haakman, uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 199 blz., ƒ35,-; Frances Wood, Did Marco Polo go to China? Uitg. Secker & Warburg, 182 blz., ƒ47,20.

Koebilai Chan, de grote Tartarenleider die in de dertiende eeuw vanuit het huidige Peking over een onmetelijk rijk regeerde, heeft «een gelaat blank en roze als een roos, met mooie zwarte ogen en een goed gevormde neus op de juiste plaats». Hij heeft ook veel vriendinnen. Het zijn de honderd mooiste vrouwen van de Ungrac-stam, echte raspaardjes, die na een adem- en maagdelijkheidinspectie uitverkoren zijn om bij de Chan te slapen: «Elke drie nachten bedienen zes van deze meisjes de heer in zijn kamer en in bed met alles wat hij nodig heeft, en de heer doet met hen wat hem belieft.»

Voor dit ooggetuigenverslag tekent Marco Polo, die naar eigen zeggen tussen 1275 en 1292 was aangesteld aan het hof van de Groot-Chan. Hij vertelde dit verhaal en vele andere in de gevangenis, waar hij in 1298 belandde na een verloren veldslag tegen de stadsstaat Genua. Een celmaat, de romanschrijver Rustichello da Pisa, noteerde in bewondering de merkwaardige, fantasievolle mix van reisdetails, Aziatische mythes, opschepperij en regelrechte verzinsels die «messer Marco, wijs en edel burger van Venetië» hem vertelde.

Onlangs verscheen een nieuwe vertaling van een redelijk betrouwbare reconstructie van Rustichello’s tekst, onder de titel De wonderen van de Oriënt, met Marco Polo op het omslag vermeld als auteur. De oorspronkelijke titel, Il milione, de bijnaam van Polo, refereerde niet aan Polo’s rijkdom maar aan het aantal verhalen dat hij de wereld in bracht. Want al sloegen Polo’s verhalen direct na verschijning in als een bom — er zijn rond de 140 middeleeuwse varianten bewaard in twaalf talen en dialecten — helemaal serieus genomen werd de «messer» zelfs door zijn tijdgenoten al niet. Polo werd eeuwenlang het voordeel van de twijfel gegund, tot zes jaar geleden een siddering moet zijn gegaan door de uitgeversburelen van de naar Marco Polo vernoemde reisgidsen.

De Britse geleerde Frances Wood wist in een veelomvattende studie aannemelijk te maken dat Marco Polo China slechts van horen zeggen kende, en dat hij zeker geen reisgids had geschreven. Sterker, Polo was nooit in China geweest. Hij had halverwege de reis zijn oor te luisteren gelegd bij Perzische koopmannen, die wél tot diep in China handel dreven. Met behulp van enige Perzische reisgidsen had hij onthouden wat deze reizigers hem hadden verteld over het verre Oosten. Daarin ontbrak onder meer het vreemde Chinese schrift, theeceremonies, porselein en de ingezwachtelde voeten van Chinese vrouwen, zaken die voor een Italiaan wél, maar door hun frequente omgang met de oosterburen, voor Perzen niet bijzonder waren. Ook noemde Polo geen jaartallen, en gebruikte hij Perzische transcripties voor de Chinese aardrijkskundige namen.

Doet het ertoe of Polo werkelijk in China is geweest? Eigenlijk wel, want de coproductie van Polo en Rustichello is geschreven als een reisgids. Het is een Rough Guide avant la lettre, niet voor twintigers met rugzak, maar voor kooplieden op zoek naar handel. Met een hoge informatiedichtheid en op zakelijke toon verstrekt Polo tips en adviezen om diarree te voorkomen, om de juiste hoeveelheid proviand mee te nemen op een excursie, vermeldt hij wegen om rovers te ontwijken, bereidt hij voor op lokale gewoonten, en geeft hij een idee van de aard van verschillende volkeren («De Saracenen van Tabriz zijn boos aardig en onbetrouwbaar»). Ook de stijl is die van een reisgids. In de overlevering van Rustichello’s verslag staan bij voortduring zinnen als: «Wanneer je na je vertrek door de bergen van Cuncum hebt gereden, bereik je een provincie die Anbalet Mangi heet en geheel vlak is. Daar liggen veel versterkte dorpen en steden. Ze ligt meer naar het westen en de mensen bedrijven afgoderij.»

Daar komt bij dat zowel Polo als Rustichello beweert dat de verhalen allemaal «echt» zijn meegemaakt. De vertaler voegt daaraan in zijn nawoord (waarin hij met geen woord over Woods ontmaskering rept) hoe Polo’s biecht vader hem op zijn sterfbed vroeg of hij al die fabeltjes uit zijn boek wilde herroepen nu het nog kon. Polo’s antwoord: «Ik heb nog niet de helft verteld van wat ik werkelijk heb meegemaakt, want ik wist dat de mensen het toch niet zouden geloven.»

Ook deze nieuwe vertaling bevat behalve opschepperij veel prachtige passages. Neem Polo’s beschrijving van «de provincie» Tibet. Deze hedendaagse troetelnatie is voor de westerling Polo het meest barbaarse land dat hij ooit tegenkwam. «De mensen dienen afgoden en zijn boosaardig.» Het zijn grote schurken die «voor geen goud een vrouw tot echtgenoot kiezen die nog maagd is, en ze zeggen dat een vrouw die geen ervaring met mannen heeft, niets waard is». Reizigers mogen daarom, zo belooft Polo, in Tibet gratis met alle mooie dochters naar bed. «Ieder van hen moet alvorens te kunnen huwen meer dan twintig bewijzen om haar hals hebben om aan te tonen dat veel mannen het met haar hebben gedaan; en wie de meeste heeft, wordt beschouwd als de beste en aantrekkelijkste.»

Een maand eerder dan deze «klassieker van de reisliteratuur» verscheen de eerste Nederlandse vertaling van het reisverslag van Polo’s landgenoot Antonio Pigafetta, die ruim twee eeuwen later meevoer met de eerste expeditie rond de wereld, geleid door de Portugese ontdekkingsreiziger Magalhães. Pigafetta was een van de achttien bemanningsleden die na een vreselijke tocht van 65.000 kilometer met slechts één van de vijf schepen heelhuids terugkeerden in Sevilla, drie jaar na in 1591 met 237 man te zijn vertrokken.

Anders dan de verhalen van Polo laat Pigafetta’s verslag zich niet lezen als een reisgids. Hij merkt zelfs op, na dagen van honger en koude: «Ik denk niet dat een mens ooit nog zo'n reis zal ondernemen.» Anders dan Polo ook is Pigafetta geen opschepper of een praatjesmaker. Door wetenschappelijke nieuwsgierigheid gedreven, beschrijft hij wat hij ziet. Toch komt hij tot nog grotere onwaarschijnlijkheden dan het succeskoppel Rustichello-Polo. Pigafetta zag baardloze naaktlopers die 140 jaar oud werden en het vlees van hun vijanden opaten. Hij beschrijft reuzen van meer dan drie meter die hun eigen kinderen gebruiken als lokaas bij de jacht op grote beesten. Hij ontdekt een vrouweneiland waar alle mannelijke baby’s worden afgeslacht, en de vrouwen bezwangerd raken door de wind. Enzovoort. Als we niet met grote zekerheid wisten dat Pigafetta met Magalhães meevoer, was het voor een geleerde als Wood een koud kunstje geweest ook dit verslag naar het rijk der fabelen te sturen.

Maar waar het natuurlijk om gaat is dat Pigafetta en Polo erin slagen de aandacht vast te houden, zelfs nu alle streken die zij beschrijven keurig in kaart zijn gebracht. De hallucinerende chroniqueur en de fantaserende reisgidsschrijver betreden beiden de literatuur, waarin het bedrog hoog staat aangeschreven. Want net zo min als je een roman van Barnes of Rosenboom moet lezen met de intentie de schrijver beter te leren kennen, is het de twintigste-eeuwer aan te raden Rustichello en Pigafetta te lezen om meer te leren over reizen naar verre streken. Hun fantasievolle reisliteratuur is eerder een gids naar onszelf, eeuwen geleden. Als de verbeelding op reis gaat, blijkt helder wat onze verlangens zijn, onze verwachtingen en angsten, en zelfs onze grootheidswaan.