De koloniale leeslijst

De verbeelding van de kluizenaar

De morgen loeit weer aan van Tip Marugg is het verslag van de mens die poogt zichzelf te doorgronden tot in het diepst van zijn wezen. Het was Maruggs grootste succes, maar ook direct zijn laatste roman.

Tip Marugg in zijn huis op Curaçao, ± 1987 © Enid Hollander-Merkies

De editie van boekenclub eci wist het pertinent: met De morgen loeit weer aan ‘verrast Tip Marugg, de mysterieuze schrijver van Curaçao, ons met een nieuwe exotische roman van ongewone kwaliteit’. En: ‘Deze roman beschrijft een nacht uit zijn kluizenaarsbestaan.’ De boekenclub zette de toon en de lezers bleven gretig het verhaal lezen als de autobiografie van de schrijver, de zonderlinge heremiet weggedoken in het verre banda’bou, het westelijke gedeelte van het eiland. Dat hij een gezellig pratende man was met wie je een biertje kon drinken en dat hij net als alle Curaçaoënaars zijn boodschappen bij de supermarkt deed, werd weggemoffeld. Dat hij nota bene zélf al in het begin van zijn roman zegt dat hij geen kluizenaar is en dat hij aan een vrij drukke verkeersweg woont op twintig minuten van de stad, daar werd overheen gelezen.

Ze tuimelden allemaal in het zorgvuldig opgebouwde imago van de man die geen contact wilde met de buitenwereld en zich met voorraden whisky en bier en vier honden had teruggetrokken. Voor een bepaalde categorie lieden bouwde hij die mystificatie ook met groot plezier uit: de opdringerige uit-Nederland-ingevlogenen die brutaalweg voor zijn hek parkeerden en weleens kennis wilden maken met die legendarische schrijver. Tip Marugg haatte de filisters. Aan loze pretenties, prietpraat en ijdelheid had hij een broertje dood. Als Cees Zoon hem voor een interview in de Volkskrant opzoekt, wil hij alleen op een kiekje als de journalist zelf met hem poseert. Die kluizenaar toch!

Het was een uitstekend jaar voor de Antilliaanse literatuur, 1988. Marugg werd met De morgen loeit weer aan genomineerd voor de AKO Literatuurprijs, gedoteerd met een bedrag waarmee hij voor de rest van zijn leven de slijter had kunnen afbetalen. Zijn nominatie was dan weer pech voor zijn eilandgenoot Boeli van Leeuwen, die ook net dat jaar met een goede roman kwam: Het teken van Jona. Maar zoals jurylid Jaap Oversteegen me later zei: twee romans van de Antillen op de shortlist vonden we wat te veel van het goede. Het had spektakel gegeven als de jury, tegen de regels in, de prijs aan beide auteurs had gegeven. Want de twee protestant-blanku schrijvers hadden zoveel met elkaar gemeen dat daar wel wat voor te zeggen was geweest.

In een monumentale zin opent Tip Marugg zijn roman en zet hij direct de belangrijkste coördinaten van zijn verhaal neer: ‘Ik leef op een door rifkalken omringde kern van afzettings- en stollingsgesteenten die deel uitmaakt van de eilandenboog die de Amerikaanse Middelzee omsluit, de contouren van de bergen aan de noordkust van het Zuid-Amerikaanse continent zijn op heldere middagen met het blote oog te zien, ik ben er niet jonger op geworden en geef mij nog bij tijd en wijle over aan de solitaire geneugte die de goede fraters vroeger op school plachten te betitelen met zelfbevlekking, een manipulatie die, zoals toentertijd reeds bekend, indruist tegen al wat recht en schoon is.’ Het vulkanische eiland, het Latijns-Amerikaanse vasteland aan de overkant van het water, de ouderdom, het katholieke onderwijs en de seksualiteit verwoord in reviaans-plechtige bewoordingen: de roman in een notendop.

Voor de man op leeftijd die zijn leven in lange episodes aan zijn geestesoog voorbij ziet trekken, is Curaçao alfa en omega, zij het dan ook onder de continue dreiging van een vulkanische uitbarsting die de rots zal doen verdwijnen ‘in de neerzijgende wieling van de waanzinnige zee’. Het volk danst op de vulkaan. Alles en iedereen leeft in de greep van Disney World en in de verdoemende schaduw van een niet te ontlopen geschiedenis van een verschralende plantage-economie: ‘Het leed van vandaag wordt gebracht door de dingen die gisteren zijn gebeurd. Sedert eeuwen gaat een passieve god het continent en de eilanden met stilzwijgen voorbij.’ Net als bij Boeli van Leeuwen worden de apocalyptische visioenen met grote penseelstreken en gevoel voor pathos neergezet: ‘Alles en iedereen raakt besmet en het carcinoom van harteloze draden kan zijn woekering herbeginnen.’

Die onheilsverwachting wortelt bij beide schrijvers in bijbelse teksten die zij als lidmaten van de protestants-blanke minderheidsgemeenschap op Curaçao kregen ingegoten, en dan met name de openbaring van Johannes. Net als bij een taalzoeker als Hafid Bouazza leidt dat bij Marugg tot een taal die zich opricht uit zogenaamd verouderde betekenissen en uitkomt bij nieuwvormingen die bekend in de oren klinken maar in geen woordenboek te vinden zijn: mengelklomp, stijfsellucht, aanloeien, couragewater, zielstuimel. In één kamer boetseerde hij zo zijn roman, in een andere werkte hij met dezelfde taalobsessie aan het Dikshonario Erótiko, het woordenboek van erotische termen in zijn moedertaal, het Papiaments.

‘Wanneer men niet meer jong is, heeft alles wat pril en smetteloos is te maken met de dood’

De eerste grote schildering van dood en verdoemenis geeft Marugg al in het tweede hoofdstuk. Hij vertelt hoe de hoofdpersoon in de namiddag omhoog klautert tot halverwege de Grote Berg, waar hij zich met een wollen deken, een voorraadje eten en een fles whisky installeert op een natuurlijke uitkijkpost. Bij het krieken van de dag ziet hij van daaruit hoe een grote vlucht vogels opstijgt om pijlsnel neer te duiken op een steile rotswand waartegen enkele vogels zich te pletter vliegen, ‘een kleine wolk van glinsterende veertjes als het lichtgevend groen van een ontploffend stuk vuurwerk’. Bij Marugg is de natuur altijd even fascinerend als dreigend, en altijd vol van dood.

Vitaliteit en dood zijn bij Marugg een twee-eenheid. Beide vindt hij terug in de zwarte Curaçaoënaars, die hij met veel empathie beschrijft, de vrouwen met hun majestueuze achterwerken evengoed als de jongens – het contact met vrouwen wordt in geuren en kleuren beschreven, dat tussen jongens en mannen is echter misschien nog wel belangrijker, al wordt het met zoveel fijnzinnigheid beschreven dat je er gemakkelijk overheen leest. Bij Marugg is er wel een ‘afschuw van licht’ (zoals ook de titel van zijn enige dichtbundel luidde), maar geen afschuw van het leven, noch van de dood; beide behoren tot kosmische oerkrachten waartegen de mens geen verweer heeft. Het mooist verbeeldt hij dat in een scène waarin de ik-figuur een hangmat deelt met de vrouw die als verpersoonlijking van de seksuele oerkracht mag gelden: de zwarte Irma-Luz. Als zij na hun ‘onvergelijkbare vervoering’ bijkomen in de ‘tederheid van onze doodstille wereld’ horen zij in de verte het kabaal van een stad in brand: de mei-opstand van ’69. Vitaliteit en vernietiging in één verhaalscène samengebald. ‘Ik hief mijn hoofd weer op en terwijl ik naar haar schaamlippen keek, van zó dichtbij, werd ik mij ervan bewust dat terzelfder tijd duizend duivels van beneden en van boven duizend goden naar mij terugblikten.’

De Morgen loeit weer aan is het verslag van de mens die poogt zichzelf te doorgronden tot in het diepst van zijn wezen. Een vergeefse onderneming. Als jonge jongen, met een verrekijker de jongens uit zijn klas observerend die deelnamen aan de katholieke heilige mis waar hij geen deel van uitmaakte, besefte de ik-figuur al een buitenstaander te zijn – en het maakte hem niet ongelukkig. Later, als hij bij een kwezelige ‘oom’, een gevangenisdominee in Venezuela, verblijft, ontwikkelt hij een sympathie voor een van de gevangenen, de beul El Verdugo, de zwijgende duivel. Zijn eerste zaadlozing ’s avonds in bed wordt opgevolgd door het gebulder van de oom over het hellevuur dat alle zondaars wacht. Door het hele verhaal heen deemstert het halfbewustzijn van de puurheid die eens was en die met het verstrijken van de jaren met een smoezelige laag bedekt is geraakt. ‘Wanneer men niet meer jong is, heeft alles wat pril en smetteloos is te maken met de dood. Daarin schuilt het gevaar van mijn eenzaam spel.’

Zoals Van Leeuwen een schouwtoneel van menselijke aberraties opvoert in een kolonie op het Latijns-Amerikaanse vasteland, zo geeft Marugg in het achtste hoofdstuk van De morgen loeit weer aan een litanie van armeluiskinderen met zweren aan het lijf, van onderdrukte boeren en folterende militairen. Daarmee schuift hij zijn roman de brede traditie van de Latijns-Amerikaanse politieke literatuur binnen en toont hij zijn engagement met de verworpenen der aarde.

De AKO Literatuurprijs ging in 1988 niet naar Marugg, maar met zes drukken alleen al dat jaar zullen uitgever en auteur zeker content geweest zijn. Boeli van Leeuwen schreef met Het teken van Jona een roman vol onvergetelijke passages, die in hun barokke aankleding soms ook helemaal over de top zijn. Met zijn ook niet bepaald zuinig aangezette roman schreef Marugg een als geheel onvergetelijk boek. Dat heeft soms trekken van een Garciá Márquez-achtig magisch realisme: het vierde hoofdstuk vertelt hoe de violette padre Plácido de marteldood stierf en dat sindsdien in september een verkleumende maanwind opsteekt die mensen de dood injaagt. Maar anders dan bij de grote Latijns-Amerikaanse vertellers resteert aan het eind van Maruggs snoer van vertellingen meestal een protestants-nuchtere observatie. Ontnuchtering was er ook bij zijn AKO-nominatie: de vriendschap met zijn schrijvende compadre Boeli van Leeuwen bekoelde er aanzienlijk door.

Er verscheen geen roman van Marugg meer na De morgen loeit weer aan, al zou hij nog aan een grote roman hebben gewerkt met een leguaan als hoofdpersoon. Het fysieke verval zette ongenadig door, de schrijver raakte zo goed als blind en een leven van roken en drinken leidde tot het afzetten van een been, al werd daarmee niet alle levensplezier geknakt: ‘Ook met één been kun je nog drinken.’

Tip Marugg als eenzame kluizenaar. Als continu dronken nachtuil. Als incommunicabele en barse wereldverzaker, verlangend naar de dood, een pistool wachtend op het nachtkastje. Die Tip Marugg bestaat wel, maar in de hoofden van veel lezers, daar geplant door een schrijver die exact wist wat verbeelding vermag. Waarom zou je die steile Christoffelberg beklimmen als je diezelfde tocht ook aan je schrijfbureau kon realiseren? En die vogels die zich te pletter vliegen tegen de rotswand? Geen ornitholoog die er ooit van gehoord heeft.

De koloniale leeslijst

Nu standbeelden sneuvelen en ons koloniale verleden opnieuw tegen het licht wordt gehouden, is het interessant om te kijken hoe dat koloniale bestaan eruitzag in de Nederlandse literatuur. Deze zomer herleest De Groene schrijvers als Albert Helman, Pramoedya Ananta Toer, Cola Debrot en Multatuli.