Op zoek naar het wezen van de moderne tragedie

De verbeelding van het tragische

Toneelavonden die zich ongewild en onbedoeld met elkaar gaan bemoeien. Vanuit de vraag of er verzoening denkbaar is met zoiets als het noodlot.

Medium  mg 5558

‘Tragedie is een dramatisch genre, onderhevig aan een aantal formele beperkingen, met een ernstig bedoelde inhoud, een vertelling als constructie gecreëerd uit de ervaring van menselijk lijden.’

Ik ontleen deze compacte definitie aan het standaardwerk The Classical Tradition uit 2010. Ik zocht haar op in een poging tot ordening van verwarrende indrukken. Ontstaan nadat het toeval van de intuïtie me langs drie voorstellingen had gestuurd die je ‘moderne tragedies’ zou kunnen noemen. Terwijl ik ondertussen verdwaalde in een woest-boeiend boek over tragiek in de moderne mensenmaatschappij.

Dat het menselijk bestaan bol staat van tragiek zien we graag in de bioscoop en op de televisie, of bij de opera of een Griekse tragedie. Maar het tragisch levenslot aanvaarden als onderdeel van ons dagelijks bestaan, dat doen we toch liever niet. We verwijzen dan snel door naar ‘oplossers’, in de traditionele politiek of bij technocraten, met name voor haalbare recepten en maakbaarheid. Of we vallen in de armen van populisten met onredelijke of onmatige formules dan wel vitale, radicale en volkse oplossingen. Dat zijn ongeveer de beginstellingen van het intrigerende boek van bestuurskundige en hoogleraar Paul Frissen, De fatale staat.

Dit boek behandelt de uitdaging van de pragmatische, ‘modernistische’ politiek en het populisme. ‘Het modernisme stelt oplossing en voltooiing tegenover het populistische streven naar zuivering en verlossing. Beide weigeren de aanvaarding van het tragische.’ Frissen duidt die aanvaarding van het tragische aan als ‘verzoening’. Traditionele politici en populisten weigeren dus nagenoeg iedere vorm van verzoening. Frissen: ‘De bij deze aanvaarding van tragiek passende symboliek van de politieke orde is die van het fatalisme. Fatalisme kan ons verzoenen met de tragiek zonder deze te willen oplossen of ons ervan te willen verlossen.’ Want, zo zegt Frissen het een zielsverwant na: ‘Elke samenleving moet haar omgang met het noodlot bepalen.’

Tijdens een korte queeste langs drie ‘moderne tragedies’ reisde dit boek steeds mee. Ik erken volmondig dat kunst er primair is om ‘het raadsel te vergroten’ (Mulisch), terwijl Frissen in zijn boek ruimhartig toegeeft vooral te willen ontraadselen. Voor mij werkte die dubbelslag van het ontpellende boek en die drie raadselachtige voorstellingen hoogst inspirerend. Ik beperk me in het navolgende relaas verder tot mijn primaire taak: toneelverslaglegging.

Voorstelling nummer 1: Hyllos door Veenfabriek/Asko/Schönberg. Locatie: het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. Voor een gereconstrueerde tempel is de muziektheaterproductie Hyllos opgesteld, op het ‘voorplein’, de entree van het museum. We zitten er aan drie kanten omheen. Een op kleine schaal nagebouwde versie is dit van hoe de tragedie in verre eeuwen werkte om het discours over het tragische te bevorderen. De klassieke tragedies werden immers in een publieke ruimte gespeeld voor ruw geschat een vijfde van het electoraat, omgerekend een equivalent van het televisiepubliek bij een talkshow. Gespeeld werd niet en suite, en in serie, zoals dit veel kleinschaliger Hyllos, maar zelden. Discours als zeldzaamheid dus, als gekoesterde uitzondering.

Er hangt een sfeer van uitzonderlijkheid en ambitie om deze onderneming, dat voel je meteen. Om te beginnen krijgen we oogmaskers. De eerste pakweg tien minuten van de aanzwellende muziek, moeten, nee, mogen we ons blind concentreren óp die muziek. En dat is heerlijk. Voor de muziek. En voor ons. Voor onze aandacht, onze hersencellen, onze zintuigen, onze zenuwen. Eenmaal weer ziende verplaatsen we ons naar Trachis, een stad waar een jonge democratie moet groeien na de dood van de woeste, heldhaftige halfgod/usurpator/vorst Heracles. Zijn zoon Hyllos wil die democratie vestigen naar voorbeeld van Athene. Maar daar hebben ze net een aanval van volksmenners van buiten doorstaan. En de echo van die kille contrarevolutie hangt ook hier in de lucht en in de kleren van de spelers in dit grote spel. Naast Hyllos (een vilein-zachtaardige Joep van der Geest) zijn dat zijn halfbroer, zijn stiefmoeder (een mooie rol van Milena Haverkamp), de vrouw, spoedig de weduwe van de Atheense koning, en haar zoon. Het is een politiek en persoonlijk steekspel dat hier wordt gespeeld. Een hoog spel ook, met de Atheense populist Menestheus en de Atheense technocraat Lykos tegenover elkaar, messcherpe rollen van Bas Maassen en Reinout Bussemaker. Spelmakers zijn het, intriganten, meesters op de floret van het retorisch debat. Ze worden aan de vergadertafel annex televisiestudio bespied door drie camera’s, bediend door vrouwen die ook het koor vormen. Bij dat koor hoort een orkest.

Samen maken ze opzwepend muziektheater met dit Hyllos, waaronder de handtekening staat van regisseur Paul Koek. De muziek is deels ontstaan op de vloer, tijdens het repeteren. De musici van Asko/Schönberg en de zangers/spelers/musici van de Veenfabriek dagen elkaar nog iedere avond uit, geen voorstelling is hetzelfde. Een deel van de klanken is verzonnen door componist Derek Bermel, die zijn materiaal verzamelde in de Bulgaarse Balkan, waar Orpheus ergens begraven zou liggen. Wat Bermel daar vond aan deels weemoedige, deels overspannen klankkleuren past goed bij de sterk wisselende stemmingen in het libretto van tekstschrijver en klassieken-vertaler Herman Altena, die uit oude brokstukken een nieuwe tragedie schiep over de geboorteweeën van een nieuwe en de stervenskrampen van de oude, afgeleefde, bij elkaar gespindoctorde politiek. Het slot is huiveringwekkend: er is één afsluitende veldslag, die om ons heen bij elkaar wordt gemusiceerd en verteld. En dan zijn er twee versies, totaal van elkaar verschillend, kaal en droog gesproken door de voornaamste antagonisten, uitgezonden vanuit de televisiestudio. De slotklanken zijn een angstig, wegstervend piepende muziek. Maar, maar… Niks maar, het is gedaan!

A Tragedy is een vol, vernuftig en bij tijden lawaaierig uur, slim gemaakt ook

Voorstelling nummer 2: A Tragedy (simplified) door Naomi Velissariou Co. Geheel anders, een stuk lichter van toon en vooral flink korter (Hyllos duurt drie uur, A Tragedy vijf kwartier) gaat het toe in deze onder de paraplu van Frascati Producties gemaakte voorstelling. Je zou kunnen stellen dat het verlangen naar de tragedieplots en de bijbehorende zuiverende werking hier de hoofdmaaltijd is, ter plekke in klinkende munt afgerekend. Als we het bescheiden zaaltje binnenkomen zitten de performancekunstenares Naomi Velissariou en haar linkerhand, de olijk bemutste Jimi Zoet, er al met een kopje thee. Zoet maakt in een mum van tijd het podium speelklaar, terwijl Velissariou het recept voor de gedroomde anti-tragedie uitzingt (‘Ik wil een bovenontwikkeld/ relativeringsvermogen’) en de geschiedenis van de tragedie achterstevoren vertelt (‘Ik wil een Aristotelische plot/ voor de tragedie van mijn leven’). Als Zoet (bijna) klaar is (hij is een cruciaal kabeltje vergeten) legt hij aan de hand van precies dat kabeltje de constructie van de objectieve, gemiddelde, dus niet-bestaande tragedieplot uit, inclusief het ogenblik dat alles op stoom komt, het zogenaamde ‘motorisch moment’.

Daarna begint de avond pas echt. Velissariou heeft een Griekse stamboom die naadloos in de Ilias én de Oresteia past en die op een onbewaakt moment door haar papou (Grieks voor opa) naar het Vlaamse Genk is overgeplant. Wat volgt is een met veel vernuft en humor in elkaar gestoken vereenvoudigde schaduwtragedie waarin Genk, de mijnen en de Ford-fabrieken het decor vormen voor een prachtige vertelling, waarin the medium en the message naadloos samenvallen, in de betekenis dat het vertellen zelf de catharsis oplevert, ook al wankelt alles op het randje van bekentenis-lectuur, met name waar het gaat over haar halfgare of zieke of maffe zus Iphigeneia, of zoals Velissariou het uitspreekt ‘Ifig-neia’, afgemeten want ze heeft nogal wat met haar af te rekenen.

Het verhaal is net zo ademloos als deze volzin. De ruim in decibellen grossierende Velissariou kalmeert in de afwikkeling. Ze vindt hier als het ware de zuiverende rust die de gretig met licht en geluid strooiende partner Zoet al lang gevonden heeft: hij is de opgewektheid en knorrende huiselijkheid zelve. Aan het eind schminkt hij zich zelfs tot rustgevend huisdier. Velissariou’s mededelingen over het vak dat zij tegen de wil van haar heerszuchtige vader Agamemnon uitoefent, laten niets aan duidelijkheid over: ‘Ik maak theater,/ een maatschappelijk epifenomeen/ dat als eerste sneuvelt in tijden van oorlog.’

Het is een vol, vernuftig en bij tijden lawaaierig uur, slim gemaakt ook, tikje té geslepen en, gemeten naar de inhoudelijke verwachtingen die ze in het begin wekt, ook wat slordig afgewerkt. Maar wel een aanwinst, deze Naomi Velissariou. En ze kiest haar stof klaarblijkelijk weloverwogen: komend voorjaar komt ze terug met Sartre’s Huis clos. Over het ontbreken van een Aristotelische plot gesproken!

Voorstelling nummer 3: Wreed en teder door Toneelschuurproducties. Cruel and Tender is een stuk van de Britse schrijver Martin Crimp uit 2004, op basis van Sophokles’ De vrouwen van Trachis. Jazeker, opnieuw het Trachis van Hyllos, maar nu vlak vóór de dood van Heracles, wiens thuisstad is gesitueerd in het nu, in hartje Afrika, waar de heldenvorst, hier een generaal, zijn grote werken heeft verricht in de strijd tegen het terrorisme. Waar gehakt wordt vallen spaanders, zoals de verschrikkelijke volkswijsheid luidt. Die ook een tragediewijsheid is. Maar dan anders geformuleerd. Daders zijn nooit alleen daders, maar ook altijd slachtoffers. En omgekeerd. De generaal heeft zich in zijn nobele strijd tegen het kwaad een weinig nobele weg gebrand naar een Afrikaanse schone die hij begeerde en bij wie hij een kind verwekte. Zijn wettige echtgenote die hem teder liefheeft, zal de generaal voor dit overspel-in-werktijd wreed straffen. En als doodziek wrak is de generaal voor zijn politieke vrienden minder waard. Zijn gewichtig werk wordt vergeten. Vanwege zijn oorlogsmisdaden zal hij worden voorgeleid voor een tribunaal.

Regisseur Michiel de Regt heeft voor deze, door Janine Brogt meesterlijk vertaalde, vertelling slechts enkele ingrediënten nodig: een stalen kanteldeur, daarachter feestversieringen, een handvol a-capella gezongen Duitse liedteksten, een hoog tempo en een voorbeeldige bezetting in een strakke en vederlichte regie. Met een ‘clownsduo’ als bedienden (Rosa da Silva en Hanna van Vliet), een mooie dubbelrol (generaalszoon en journalist door Jan-Paul Buijs) een vileine Harpert Michielsen als technocraat, Djamila Landbrug als inlandse minnares, René van Zinnicq Bergmann als venijnige en harde generaal. En in het epicentrum van deze menselijke aardschokken: Alejandra Theus, die alle raadselen in dit stuk handhaaft én vergroot door raadselachtig te stralen van wraakzucht en nagenoeg tegelijkertijd met een half zinnetje en een woeste blik het zonnetje in huis te suggereren. Bij het slotbeeld, een tableau-vivant dat pijn doet, loopt de huivering van kruin tot kuiten. ‘Wij zijn het volk van ijzer/ We werken overdag en/ ’s nachts worden we ziek en we sterven/ Onze kinderen zullen worden geboren met grijze haren/ En god zal ons vernietigen.’


Hyllos staat t/m 6 december in De Duif in Amsterdam, en op 12 en 13 december in de Der Aa-kerk in Groningen.

A Tragedy speelt op 9 en 10 januari in de Rotterdamse Schouwburg en op 17 januari in de Dommelhof in Neerpelt (B).

_Wreed en teder_staat t/m 8 december in Theater Bellevue in Amsterdam, daarna nog in Den Haag (12 december), IJmuiden (13 december) en Utrecht (18 december).

Beeld: Bowie Verschuren