De verbeeldingskracht van een aartspessimist

José Saramago, Kain. € 19,95

Tussen zijn eerste en tweede dood schreef José Saramago nog twee boeken. Beperkter van omvang en thematiek, maar zeker net zo scherpzinnig. Meer dan eens laakt hij het ongebreidelde verlangen naar macht en ‘de diepe verdorvenheid van de heer’.

In de nacht van 22 september 2007 overleed José Saramago, 85 jaar oud. Zijn lichaam zou worden opgebaard in de huisbibliotheek, omgeven door boeken en bloemen. Maar dat kwam er niet van, ‘een totale organische ineenstorting en stilstand van de lichamelijke functies’ hadden hem weliswaar 'tot aan de laatste drempel van het leven gebracht’, maar niet eroverheen. Aanzienlijk minder dan drie dagen - om precies te zijn negen uur - had hij nodig om op wonderbaarlijke wijze uit de dood te herrijzen. Het had er alle schijn van dat hij het experimentele uitgangspunt van zijn roman Het verzuim van de dood (2005), waarin ineens niemand meer kan sterven, alsnog op kleine schaal wilde herhalen.
Een paar maanden later begon Saramago met hulp van vrienden aan het schrijven van een weblog en omstreeks diezelfde tijd aan een nieuwe roman, De tocht van de olifant, die hij opdroeg aan Pilar, zijn vrouw, 'die niet toeliet dat ik doodging’. Kennelijk had hij niets aan werkkracht en intelligentie ingeboet. Nog geen jaar later, in 2009, verscheen er alweer een roman, Kaïn, zij het voor zijn Nederlandse lezers postuum, want op 18 juni van dit jaar heeft de schrijver alsnog moeten erkennen dat zijn experiment met de dood nu toch tot mislukken gedoemd was, al melden zijn trouwe vertalers, Harrie Lemmens en Maartje de Kort, in een afscheidsgroet achterin dat boek dat hun schrijver, 87 inmiddels, alweer aan een nieuwe roman was begonnen.
De stukken die Saramago voor zijn weblog schreef zijn dit voorjaar gebundeld onder de titel De andere kant. Het verhaal over zijn eerste dood is eraan ontleend. Umberto Eco, die de verzameling inleidt, verbaast zich erover dat de veelgelauwerde Saramago nog steeds zo fel 'uithaalt naar zo ongeveer iedereen’ - een tamelijk merkwaardig verwijt, aangezien de Portugees nooit zachtzinnig op wantoestanden en verantwoordelijke machthebbers heeft gereageerd, ook niet in de romans met een fantastische of allegorische inslag. Zeker, die uithalen missen in hun beknoptheid natuurlijk wel eens een nuance, maar ik zie ze eerder als tegenbewijs voor de ergerlijke stelling dat ouder worden per definitie gepaard zou gaan met een toenemende mildheid.
Saramago had daar geen last van, hij deed er eerder een schepje bovenop. De andere kant bevat eloquente filippica’s aan het adres van Bush en de paus, Sarkozy en Berlusconi. De voormalige Spaanse premier Aznar krijgt ervan langs omdat hij de wereldwijde opwarming van de aarde als 'een boosaardige uitvinding van milieubeschermers’ beschouwde, net als zijn rechts-populistische collega’s hier te lande. Onderzoeksrechter Garzón, die zowel Pinochet als talrijke schurken uit het Franco-tijdperk in de gevangenis kreeg, krijgt alle lof voor betoonde moed 'die de wereld nodig heeft om niet in meegaandheid met het lage te vervallen’.
Overigens spaart Saramago, communist tot de laatste snik, ook links niet. Want links liet niets van zich horen, ook niet 'nu (dat wil zeggen op 1 oktober 2008 - co) het kankergezwel van de frauduleuze hypotheken in de Verenigde Staten’ openbreekt, nee, 'links denkt niet, handelt niet, durft niet’. En vooral dat is wat hem steekt, niemand die een steen durft te gooien 'in de verrotte poel van onverschilligheid’.
Een van de mooiste stukken in dat boek is de ode aan Lissabon, waarmee het opent. Daarin staat een autobiografische zin die een sleutel tot zijn literaire werk bevat: 'Mijn Lissabon is altijd dat van de arme wijken geweest en toen ik door omstandigheden veel later in een andere woonomgeving terechtkwam, was de herinnering aan Lissabon die ik het liefst bewaarde die van het Lissabon van mijn jeugdjaren, het Lissabon van de mensen die weinig hadden maar meer voelden, nog altijd boeren in hun gewoontes en in hun begrip van de wereld.’
Daarbij gaat het vooral om dat laatste: de bewoners van de stad zijn geen stedelingen in de Noordwest-Europese zin, het zijn 'nog altijd boeren’, voor een groot deel gevormd door het armoedige en harde plattelandsbestaan in de semi-feodale omstandigheden van een militaire dictatuur die tot de Anjerrevolutie van 1974 heeft geduurd. De romans van Saramago, om over zijn uitspraken in interviews, toespraken en columns nog maar te zwijgen, stuiten nogal eens op reserves, ook bij lezers die heus wel inzien dat hij een groot en origineel schrijver is; zijn radicalisme vinden ze maar moeilijk te verteren. Maar dan realiseert men zich toch onvoldoende dat dat radicalisme het product is van duistere, barbaarse omstandigheden die tweeduizend kilometer noordelijker al onvoorstelbaar zijn. Saramago’s woede is die van een man die nooit heeft kunnen wennen aan onrecht.
Hoe groot dat onrecht was, hoezeer de alliantie van grootgrondbezitters en katholieke clerus het Portugese volk eeuwenlang gekleineerd, uitgebuit en mishandeld heeft, is het centrale thema van zijn werk. Tot 1980 werkte Saramago als geëngageerd journalist voor de Diário de Lisboa, daarnaast schreef en publiceerde hij de nodige literaire boeken, waaronder een tweetal romans, maar pas met Opgestaan van de grond, een roman uit 1980, voelde hij zich volwaardig schrijver. En terecht. Tijdens het werk aan dat boek, dat pas in 2008 in Nederlandse vertaling verscheen, dus eerder als sluitstuk dan begin van zijn oeuvre, ontwikkelde hij de polyperspectivische vorm die hem als verhalenverteller in een complexe, meerduidige wereld op het lijf geschreven was.
Voor het eerst slaagde hij er met overtuiging in de geschiedenis van vier generaties landarbeiders zo te vertellen dat zijn personages volwaardige individuen zijn in omstandigheden die geen enkele individualiteit toestonden, geen 'types’ die uitsluitend mogen opdraven als representanten van een historisch proces. Voor het eerst ook mengde de schrijver zich als alwetend verteller, die zich trouwens als puntje bij paaltje kwam vaak als volslagen onwetend verteller manifesteerde, met commentaar, terug- en vooruitwijzingen van allerlei soort, in zijn eigen verhaal. Opgestaan van de grond zou de opmaat worden van een imponerend oeuvre, waarvoor Saramago in 1998 de Nobelprijs kreeg.
Dat oeuvre vertoont een grote consistentie, hoewel Saramago allerminst tot het type schrijvers behoort dat telkens varianten van hetzelfde boek schrijft. Eén constante is zijn enorme verbeeldingskracht; een andere, daarmee hoogstens schijnbaar in strijd, zijn scrupuleuze gedocumenteerdheid. Het knappe is dat zijn historische romans - Memoriaal van het klooster, Het beleg van Lissabon, Het jaar van de dood van Ricardo Reis, om de belangrijkste te noemen - een grote en gedetailleerde kennis verraden maar toch geen twijfel laten bestaan over hun grotendeels fictieve en literaire karakter.
Sterker, ze zouden zich er uitstekend toe lenen het bij alle grensoverschrijding en genrevervaging uiteindelijk toch categorische verschil tussen het werk van de historicus en de romancier te demonstreren. Het leven van de personages, dat ook voor de narratief ingestelde historicus toch nooit meer dan een exemplarische betekenis heeft, blijft met zijn uniciteit en zijn onvervangbaarheid voor de romancier, dus ook voor Saramago, de structuur van zijn werk tot in de details bepalen, hoezeer dat leven ook door krachten van buitenaf op de proef wordt gesteld, in een mal geperst, getekend, uiteengescheurd of vermalen.
Maar wat Saramago’s literaire geschiedschrijving vooral onderscheidt van de gewone, al of niet academische geschiedschrijving, is zijn consequente keuze voor het perspectief van de naam- en stemloze slachtoffers, van de armen en verschoppelingen die in de kronieken van de koningen en pausen nauwelijks vermelding krijgen.
Memoriaal van het klooster (1982) gaat over de bouw van een gigantisch klooster in Mafra, dicht bij Lissabon, een dramatische gebeurtenis die op bevel van Joao V plaatsvond in de eerste helft van de achttiende eeuw, in hoofdzaak tussen 1711 en 1732, de hoogtijdagen van de Portugese barok. Met stilistische bravoure bewijst de auteur zijn affiniteit met die barok. Hij is groots in de verbeelding van contrastrijke massataferelen, de boeteprocessies door de straten van de stad gevolgd door een razende carnavalsstoet, perverse stierengevechten die herinneringen oproepen aan de Romeinse arenagevechten en bovenal het inquisitoriale autodafe aan het einde van het boek, een mengvorm van straattheater en openbare executie waarbij 'gevaarlijke’ buitenstaanders, ketters, duivelskinderen en heksen voor het oog van het evenzeer gruwende als genietende volk naar de andere wereld worden geholpen.
Net als in zijn historische romans is Saramago er in Het evangelie volgens Jezus Christus (1991) op uit bestaande beelden en overtuigingen te corrigeren. Dit boek is een blasfemische parodie op de vier bestaande evangelies, de auteur laat zien hoe het in werkelijkheid is gesteld met Gods heilsplan voor de mensheid. God ontpopt zich als een net zo gruwelijk en monomaan heerser als de vorsten die beweren in zijn naam te regeren op aarde. Ten koste van alles - de opoffering van zijn zoon Jezus - is deze despoot erop uit zijn beperkte, want slechts regionale gezag over een herdersvolk tot wereldwijde proporties uit te breiden. Dat de Portugese prelaten die kijk op hun geloof als lasterlijk ervoeren, kan niet verbazen. De minister van Cultuur koos wijsheidshalve schielijk de kant van de kerk en schrapte de brutale spotvogel van de lijst van genomineerden voor de Europese Aristeionprijs, waarna deze naar Lanzarote vloog, een van de kleinere Canarische Eilanden.

Tot zijn beste romans reken ik Het jaar van de dood van Ricardo Reis (1984). Reis is een van de heteroniemen van Fernando Pessoa, de Portugese dichter die er in z'n eentje voor zorgde dat de Portugese literatuur tussen 1913 en 1935 volwassen werd. Hij staat het dichtst bij de 'echte’ Pessoa. Hij is de man met de klassieke, jezuïtische opvoeding, de latinist die afgewogen, beheerste oden schrijft. In tegenstelling tot de kinderlijke levenslust van Alberto Caeiro, een van die andere stemmen van Pessoa, is Reis een fatalist en stoïcijn, iemand die zich niet wil of kan hechten en altijd afstand houdt, zeker van elke sociale of politieke problematiek.
Dat - maatschappelijke blindheid en politieke domheid - is ook wat Saramago hem subtiel onder de neus wrijft. Het geraffineerde van het boek is dat de verteller de vox populi vertegenwoordigt, hij is een uitgesproken reactionair die zich volledig identificeert met Salazars (en Franco’s) versie van het fascisme. Hij vindt de Portugezen, tevreden als die zijn met hun figurantenrol op het wereldtoneel (waarop ze ooit de hoofdrol speelden), verwijfde slapjanussen, ze zouden een voorbeeld moeten nemen aan het zelfbewuste fanatisme, de ordelievendheid en de gesteven hemden van de Duitse nazi’s.
Tegen het einde van het boek, het is dan 1936, dringen de oorlogsvoorbereidingen zich onweerstaanbaar op. Reis bezoekt een politieke bijeenkomst waar Duitse, Italiaanse, Spaanse en Portugese fascisten zich scharen achter 'één enkel, waarachtig ideaal. De menigte rijst als één man op, het gejuich stijgt op ten hemel, dit is de universele taal van het gebrul, het gebaar dat Babel eindelijk verenigt. (…) Daar de harten eensgezind zijn, volstaat één kreet, Dood aan het bolsjewisme, in alle talen.’ Ricardo Reis stond erbij en keek ernaar. Als dit boek een ode aan Pessoa is, zoals de flaptekst beweert, dan toch een zeer dubbelzinnige ode, een waarin het werk van de vereerde landgenoot een sociaal-historische context krijgt die het niet langer mogelijk maakt het uitsluitend door diens eigen bril te lezen.
Misschien verbaast het dat Saramago ook een hele trits min of meer allegorische romans geschreven heeft waarin al het concreet historische juist zorgvuldig is weggewerkt. Ik denk aan Het verzuim van de dood, Alle namen, Het schijnbestaan, Het stenen vlot, De stad der blinden en De stad der zienden. Deze boeken beginnen vrijwel allemaal met een onwaarschijnlijke, om niet te zeggen onmogelijke gebeurtenis, die de auteur tot het huzarenstuk dwingt ervoor te zorgen dat de lezer dat begin gaandeweg toch voor mogelijk gaat houden. Dat is geen sinecure, te meer omdat Saramago een universeel verhaal wil vertellen en daarom afziet van elke historische, geografische en maatschappelijke verbijzondering. Landen, locaties noch personages krijgen een naam. De verschrikkingen waarover we hier lezen - want het gaat altijd om verschrikkingen, vaak met apocalyptische trekken - kunnen iedereen treffen, dat lijkt de auteur ons te willen inpeperen.
De twee boeken die Saramago nog na zijn 'eerste dood’ heeft geschreven zijn beperkter van omvang en thematiek, ook bevatten ze meer enkelvoudige, relatief korte zinnen dan zijn eerdere romans. Het is alsof hij er toch niet helemaal meer op vertrouwde een groot boek af te zullen krijgen. Maar De tocht van de olifant is scherpzinnig, geestig en vol bittere ironie als altijd. De stof is weer eens historisch, het verhaal speelt in 1551. Koning Dom Joao III schenkt zijn neef een Indiase olifant, het boek beschrijft diens reis van Belém (de havenstad bij Lissabon waar ook menige door de jezuïeten geïnspireerde ontdekkings-, veroverings- en christianisatietocht begon), via Valladolid, Genua, Padua en vervolgens over de Alpen tot in Wenen, waar hij de rest van zijn dagen zou slijten aan het hof van Maximiliaan.
Die reis heeft Saramago niet hoeven te verzinnen, hij wordt tamelijk gedetailleerd beschreven in diverse bronnen, onder meer, naast talloze andere wonderbaarlijke olifantengeschiedenissen, in Die Schaulust am Elefanten (1982), van cultuurhistoricus Stephan Oettermann. Om een idee te krijgen van de schier onuitputtelijke verbeeldingsrijkdom van de oude romancier loont het de moeite zijn verhaal naast dat van Oettermann te lezen.
Zo'n dubbellectuur kan ook vruchtbaar zijn bij Kaïn, waarin Saramago grote delen van het Oude Testament herschrijft. Het boek is in zekere zin een spin-off van Het evangelie volgens Jezus Christus, waarin, suggereert de verteller zonder die titel te noemen, net zulke 'heikele thema’s’ aan de orde kwamen, 'volgens sommige experts met laakbare lichtzinnigheid en in bewoordingen die ons in alle waarschijnlijkheid alleen maar zullen schaden bij de slotpleidooien van het laatste oordeel’.
Maar dat weerhoudt hem er niet van op hemeltergende inconsequenties, logische onmogelijkheden en vooral verregaande bruutheden in de oudtestamentische verhalen te wijzen. Hij beschuldigt Abraham die zijn zoon op bevel van God wil offeren ervan 'een perfide schoft’ te zijn en laakt hij meer dan eens het ongebreidelde verlangen naar macht, de wraakzucht en 'de diepe verdorvenheid van de heer’. Hoogtepunt is diens zelfportret. Daarin stelt God zich voor als het prototype van de utopische denker, die constateert dat 'de aarde volledig verdorven en vol geweld’ is en die daarom 'een grote vloed over de aarde [laat] komen’, al het oude moet kapot ter wille van een totaal nieuwe mens. Maar dat even boosaardige als megalomane plan is natuurlijk tot mislukken gedoemd. Aan het eind van de reis heeft Kaïn alle ingescheepte vrouwen vermoord en is alleen Noach nog aan boord, maar die springt, zodra hij dat beseft, in zee. 'En daarmee is de geschiedenis afgelopen, er zal niets meer te vertellen zijn.’
Het zijn, blijkt nu, ook Saramago’s laatste, aartspessimistische woorden, al was hij zelf niet van plan het hierbij te laten.


José Saramago, Kaïn. Vertaald door Harrie Lemmens, Meulenhoff, 208 blz., € 19,95, verschijnt in september