Engeland kreunt onder financieel beleid

De verborgen economie van Gordon

Brown Gordon Brown put inspiratie uit het schilderij De belastinginners. En zijn motto luidt: have it all. Hij is een meester in het invoeren van belastingen die niet direct opvallen. En Engeland kreunt.

LONDEN – De voornaamste drijfveer van de politicus Gordon Brown is volledige werkgelegenheid. Het is een overblijfsel van zijn jeugd in Kirkcaldy, een vervallen industriestadje aan de oostkust van Schotland. Als zoon van dominee John Brown had hij een comfortabel leven. Maar de armoede die hij zag, is hem altijd bijgebleven. Als minister van Financiën probeerde hij te komen tot een anglosociaal model, een soort prudent thatcherisme zonder dickensiaanse neveneffecten. Niets minder dan het afschaffen van werkloosheid was zijn doel. En inderdaad, onder zijn regime daalde de werkloosheid van tien tot drie procent, om de laatste jaren langzaam weer op te klimmen tot ruim vijf procent.Het lijkt echter mooier dan het is. Ten eerste zit acht procent van de beroepsbevolking in de wao. Zij tellen niet mee als werklozen, een «verdwijntruc» die in de jaren tachtig onder Thatcher is ingevoerd. Grote groepen uit de onderklasse zitten zonder werk, te meer er de laatste tien jaar achthonderdduizend banen verloren zijn gegaan in de industrie. Het faillissement van MG Rover vormde de zwanenzang van het Verenigd Koninkrijk als «de werkplaats van de wereld».
De Britten produceren nu nog voornamelijk diensten en bureaucratie. Dat laatste is vooral het gevolg van de 2,3 miljoen nieuwe banen die onder Brown zijn ontstaan. Het overgrote deel zijn «Brownbanen» in de (semi-)publieke sector, zoals «climate-change co-ordinators», «walking officers», «lesbian, gay, bisexual and transgender community workers», «youth and play service managers», «five-a-day officers», «doctrine developers» en «real nappy operators». Het is het Britse equivalent van de «Melkertbanen», maar dan met een chique titel en een inkomen dat gemiddeld hoger ligt dan in het bedrijfsleven. Momenteel is 44 procent van de Britten financieel afhankelijk van de staat. In het noordoosten van het land ligt het rond de zestig procent, ongeveer evenveel als in Hongarije ten tijde van het communisme.

En de inflatie? Inflatiebestrijding was van oudsher een hobby van Conservatieve regeringen. Het was zelfs de voornaamste reden om tot het Europees Monetair Stelsel toe te treden. Ook Labour-man Brown zag het belang van lage inflatie in. Maar hij was het niet met zijn Conservatieve voorgangers eens dat een hoge werkloosheid een redelijke prijs is om daarvoor te betalen. Hij wilde het beste van de twee werelden: lage werkloosheid én lage inflatie.Hoeksteen van zijn inflatiebeleid was de onafhankelijkheid van de Bank of England. Hierdoor zou geldontwaarding geen speelbal meer zijn voor politiek opportunisme. Dat laatste werd bekend als de Ken & Eddy-show, genoemd naar het maandelijkse getouwtrek over procentpunten tussen de toenmalige minister van Financiën Kenneth Clarke en bankpresident Eddy George. Het werkte. Sinds 1997 is de inflatie gemiddeld twee procent. De uitschieters waren nooit hoger dan een procent. Een periode van «niceness», zo omschreef bankpresident Mervyn King het inflatiebeleid van Brown. Tot op de dag van vandaag is Brown trots. «I can report that inflation is currently two per cent – on target», luidde het al in de tweede zin van zijn recentste begrotingspresentatie.Er is echter iets aan de hand. De «gevoelsinflatie» nadert de dubbele cijfers uit de jaren zeventig. Dit komt door de samenstelling van de Consumer Price Index. Kleding, elektronische hebbedingetjes, cd’s en auto’s zijn relatief goedkoop dankzij de goedkope importen uit Azië, met name China, zodat beter kan worden gesproken over de Chinese Price Index. De kosten voor goed onderwijs, deugdelijke zorg, riool, gas, water, openbaar vervoer en de huur zijn daarentegen flink gestegen. Afgelopen winter steeg de gasrekening bijvoorbeeld met vijftien procent en een metrokaartje in Londen met honderd procent. Grote kostenposten als de lokale belasting (de afgelopen negen jaar verdubbeld) en de absurde huizenprijzen worden niet meegerekend bij het berekenen van de inflatie.
Net als inflatie vormen de belastingen van oudsher een achilleshiel van Labour. Het onverwachte verlies van de verkiezingen in 1992 was niet alleen te danken aan de angst voor Neil Kinnock, maar ook aan de angst voor belastingverhogingen: voor een _«tax-and-spend»-_politiek. De traumatische gevolgen van deze nederlaag binnen de Labour-partij kunnen nooit worden overschat.

Brown besefte dit. De grootste verrassing van tien jaar Brown is het uitblijven van belastingverhogingen. Tenminste, wanneer men kijkt naar de primaire inkomstenbelasting. Maar er is nog een tweede belasting op inkomen, «national insurance» genoemd, bedoeld om de «gratis» gezondheidszorg te financieren. Deze heeft Brown wel verhoogd.En er is nog een andere manier waarop Brown inspiratie heeft geput uit Marinus van Reymerswaele’s schilderij De belastinginners. Onder Brown zijn tot op heden 66 «stealth taxes» ingevoerd, belastingen die niet direct opvallen. Voorbeelden zijn de loterijbelasting en de «nanny-belasting», een heffing voor mensen die een kindermeisje hebben. Bestaande schaduwbelastingen, zoals de «window tax» (een gehate belasting die heeft geleid tot de term «day-light robbery»), de successierechten en de belasting op het kopen van een huis gingen omhoog. In Londen komt daar nog een «Olympische» belasting bij, ingevoerd door Browns partijgenoot burgemeester Ken Livingstone. De stijging van de gemeentelijke belastingen komt voor een deel ten goede aan de staatskas. Brown heeft voorts gretig gebruik gemaakt van btw-verhogingen, waardoor zijn ministerie verslaafd is geraakt aan roken, bier en brandstoffen uit de Noordzee. Een andere manier van belasting verhogen is het afschaffen van belastingvoordelen, zoals de hypotheekrenteaftrek en de korting voor getrouwde stellen.Haaks op zijn filosofie van de volledige werkgelegenheid staat het feit dat mensen met een laag inkomen relatief zwaar worden belast. Ruim anderhalf miljoen Britten trappen in de armoedeval: zij zijn duurder uit als ze een laagbetaalde baan vinden dan als ze een werkloosheidsuitkering genieten. Voordat Brown aantrad was dat aantal de helft lager.
Browns talenten als creatief boekhouder komen het best tot uiting bij de overheidsuitgaven. Hij wilde zich houden aan de Gulden Regel, die bepaalt dat de staatsschuld niet hoger mag zijn dan veertig procent van het bruto binnenlands product (bbp). Maar er moest toch worden geïnvesteerd in onderwijs, openbaar vervoer en de gezondheidszorg. Browns oplossing: Private Finance Initiative, oftewel bedrijven die investeren in publieke projecten. De afgelopen jaren heeft de overheid, zowel op landelijk als lokaal niveau, honderden pfi-contracten afgesloten. Een bedrijf bouwt een school en het ministerie van Onderwijs betaalt deze investering over een periode van dertig jaar terug. Volgens Brown levert dit «waar voor geld op». Om dit te bewijzen zijn er duizenden mensen actief (zie «Brownbanen») als controller, auditor of monitor. En die constateren dat er veel mis gaat. Veel scholen en ziekenhuizen kampen met slecht onderhoud, late oplevering en te weinig inkomsten. Het pfi-vlaggenschip, het Queen Elizabeth-ziekenhuis in Woolwich, Zuidoost-Londen is zo goed als bankroet.

Maar dat weegt voor Brown niet op tegen het grote voordeel: deze uitgaven blijven buiten de boeken. Voor zijn opvolgers ligt er een skelet in de schatkist. Critici omschrijven dit als de enronisering van de Britse staat. «It’s cloud-cuckoo-land, Alice in Wonderland-stuff», zo werd de directeur van het Royal London Hospital geciteerd in The New Statesman. Brown wordt zelfs vergeleken met de speculant William Paterson, die eind zeventiende eeuw verantwoordelijk was voor het faillissement van Schotland.Tijdens een recentelijk begrotingsdebat in het Lagerhuis – in de begroting kondigde Brown aan dat hij pfi-contracten ter waarde van 26 miljard wil laten afsluiten – gaf Browns onderminister Des Browne per ongeluk de ware aard van pfi toe. Op een vraag wat de gevolgen voor de begroting zijn wanneer van pfi wordt afgezien, zei Browne dat dan de Gulden Regel niet wordt gehaald. Al het gebabbel over waarde voor geld bleek politieke mistvorming te zijn geweest.
Dit «have it all» is niet alleen het motto van Brown, maar ook van de Britten. Zij hebben moed geput uit het riskante leengedrag van de grote bookmaker op 11 Downing Street. Het Verenigd Koninkrijk is veranderd van «a nation of shopkeepers» in «a nation of shopaholics». De laatste zes jaar zijn de particuliere schulden met 125 procent gestegen tot een biljoen (een 1 met twaalf nullen) pond. Tweederde van de schulden binnen de Europese Unie is van Britse makelij. Een Brit leent drie keer zo veel als een Nederlander.

Het relax-and-spend-_gedrag is mede het gevolg van het optimisme dat «Cool Brittannia» overspoelde na 1997. Een gevaarlijk deel van de schuld betreft krediet. Het openen van een spaarrekening is moeilijker dan het aanvragen van een creditcard. Waar de Franse boeren zorgen voor een melkplas, produceren de Britse consumenten een _«plastic card-mountain»._Inmiddels heeft Brown een waarschuwing ontvangen van de Bank of International Settlements. Brown volgt echter het motto van Keith Joseph. Deze architect van het thatcherisme zei ooit dat een dynamisch land niet alleen meer miljonairs nodig heeft, maar ook meer faillissementen, zakelijke en persoonlijke. Bankroet zou een statussymbool moeten zijn. En dat is het inmiddels. Sterker, Brown dringt er bij Europese bondgenoten op aan de _I-get-knocked-down, I-get-up-again-benadering te stimuleren.