Literatuur special

De verdediging van de poëzie

P.C. Hooft

Rede over de waardigheid van de poëzie

Florivallis, 56 blz., € 16,-

Een lof van de kookkunst, een hymne op de architectuur en een ode aan de fotografie kunnen we ons probleemloos voorstellen, maar zou er ooit een Verdediging van het Bouwen, Koken of Kieken zijn verschenen? Dat we moeten eten en wonen spreekt vanzelf, dat we dat ook in stijl willen doen is niet raar, en het vastleggen van wat vluchtig is lijkt een levensbehoefte. Een architect zal misschien wel eens zijn smaak of visie moeten verantwoorden, maar niet het feit dat hij zijn leven wijdt aan het construeren van bruikbare objecten in steen, glas en staal.

Vreemd genoeg is de Verdediging van de Poëzie al eeuwen een apart genre. Dat is des te vreemder, omdat de dichtkunst geldt als de oorsprong van de literatuur, volgens sommigen zelfs als de oervorm van alle spreken, denken en regeren. Poëzie, is dat niet bij uitstek het terrein van het Goede, het Ware en het Schone? Begint de cultuur van het Avondland niet met Homeros en de Psalmen?

De eerste die de poëzie een flinke deuk heeft doen oplopen, is Plato. Zijn kritiek betreft twee punten. Aangenomen dat deze wereld slechts een schamele realisering van de Eeuwige Vormen of Ideeën is, zou een kunstenaar ernaar moeten streven niet weer te geven wat hij ziet, maar wat hij denkt. Wie een hond schildert, maakt een afbeelding van wat in feite al een afbeelding is, waarmee hij zich hopeloos verwijdert van het Ware. Hetzelfde geldt voor dichters die beschrijven wat ze meemaken. Alleen de filosoof heeft de wijsheid in pacht – mits hij bij Plato in de leer is geweest, uiteraard. De tweede reden waarom poëzie niet deugt, is dat ze immoreel is. Homeros laat goden overspel plegen en helden huilen, wat niet anders dan catastrofaal kan zijn voor de opvattingen en emoties van zijn toehoorders. Wie zich met dichtkunst inlaat, wordt een slecht mens. Het enige wat nog overblijft, is het Schone. Schoorvoetend moet Plato bekennen dat hij poëzie wel degelijk mooi vindt. Zijn proza bewijst dat hij diep in zijn hart zelf een dichter was.

De eerste verdediging van de poëzie komt – hoe kan het ook anders – van Plato’s leerling Aristoteles. Literatuur is een vorm van uitbeelding (mimesis), en uitbeelden is iets wat mensen van nature graag doen. Doordat poëzie niet zozeer waar gebeurde feiten uitbeeldt, als wel gebeurtenissen die zich, gegeven de aard van de wereld, zouden kunnen voordoen, houdt ze zich bezig met het algemene en staat ze dichter bij de filosofie dan bijvoorbeeld de geschiedschrijving. Kortom, Aristoteles wil de aanspraak op Waarheid graag handhaven, al is dat begrip bij hem minder absoluut dan bij Plato. Maar ook het Goede weet hij te redden, en wel langs psychologische weg. Hoewel de betekenis van het woord katharsis omstreden is, staat buiten kijf dat Aristoteles het medisch heilzaam acht intens mee te leven met de belevenissen van Oidipous, Orestes en Achilleus. Wie in tranen uitbarst wanneer Medeia haar kinderen doodt, wordt een beter mens.

De autoriteit van zowel Plato als Aristoteles heeft tot diep in de negentiende eeuw alle poëticale debatten bepaald. Dichters die van Plato hielden, voelden zich genoodzaakt diens opvattingen zo te herformuleren dat poëzie weer aanvaardbaar werd, zij die met Aristoteles dweepten maar moeite hadden met de gedachte dat literatuur een vorm van nabootsing was, rekten dat begrip zo ver op dat zelfs Plato ermee ingestemd zou hebben. Zo beweert Sir Philip Sidney omstreeks 1580 dat de dichter de ideale schakel vormt tussen de abstracties van de filosofie en de feiten van de historicus, terwijl Shelley in 1821 dichters zelfs goddelijke inzichten toekent.

In de twintigste eeuw is er echter iets ergs gebeurd dat Plato noch Shelley had kunnen voorzien: de poëzie heeft niet alleen haar aanspraken op het Ware en het Goede afgelegd, maar wil ook niet meer Schoon zijn, en tot overmaat van ramp is ze ook onbegrijpelijk geworden. In onze eigen eeuw komt daar nog bij dat lezen als een achterlijke bezigheid wordt beschouwd, waarvoor we trouwens helemaal geen tijd of rust hebben. Bovendien is poëzie economisch gezien onbeduidend, en wat niet voor veel geld en zonder enige inspanning geconsumeerd kan worden, bestaat niet – althans niet voor de massamedia en de politiek. Exit de poëzie?

In De verdediging van de poëzie (1988) heeft H.C. ten Berge laten zien dat de dichtkunst iedere eeuw opnieuw moet bewijzen dat haar aanklagers ongelijk hebben. De verwijten zijn steeds dezelfde: wat dichters uitkramen is niet waar, niet begrijpelijk, niet bevorderlijk voor de moraal en niet nuttig. De antwoorden veranderen met de tijd. Vorig jaar publiceerde Geert Buelens nog een verdediging in het Vlaamse tijdschrift Yang. Ja, het is waar dat massamedia steeds minder aandacht voor poëzie hebben, en het klopt dat het lezen van poëzie concentratie vergt die niet iedereen kan opbrengen. Nee, er zijn steeds meer festivals waar dichters hun kunstjes kunnen vertonen, steden stellen stadsdichters aan, fanatieke lezers waren er vroeger ook niet veel en niemand kan de dichter ervan weerhouden te doen wat hij nodig vindt. De poëzie is vrijer en rijker dan ooit. Laten we toch niet zeuren.

Het is in deze context dat nu een pleidooi voor de poëzie van één van onze grootste dichters opnieuw is uitgegeven, met een kundige inleiding, informatieve voetnoten en zelfs een vertaling. Het betreft de Reden vande Waerdicheit der Poesie (1614) van niemand minder dan P.C. Hooft, een stuk van nog geen twaalf pagina’s dat bedoeld was om de Amsterdamse stadsbestuurders ertoe te bewegen een nieuw theater te bouwen. Terecht heeft Hooft de rede nooit gepubliceerd, want het is een beschamend slecht verhaal, dat niet alleen van gemeenplaatsen aan elkaar hangt, maar ook iedere diepgang weet te vermijden. Het enige wat hij met veel omhaal van woorden en goeddeels irrelevante Latijnse citaten zegt, is dat de dichtkunst vroeger altijd zeer in aanzien stond, onder meer omdat ze een bijdrage leverde aan de roem van de opdrachtgevers. Heel, heel pover. *