De verdediging van het onverdedigbare

Wat bracht intellectuelen uit gegoede milieus ertoe zich bij de communisten aan te sluiten? Twee romans, van Jorge Semprun en Constant Vecht, geven antwoord. Hoe met de val van het communisme familietradities in ere werden hersteld.
Francois Furet, Le passe d'une illusion: Essai sur l'idee communiste au XXe siecle. Uitgeverij Robert Laffont/Calmann-Levy, 1995. Jorge Semprun, Federico Sanchez vous salue bien. Uitgeverij Grasset, 1993; L'Ecriture ou la vie. Uitgeverij Gallimard, 1994. Constant Vecht, Huis aan de Amstel. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 1993.
WAT HEEFT SOMMIGE intellectuelen bewogen het communisme te omhelzen hoewel zij daar ogenschijnlijk geen enkele reden toe hadden? Zij waren niet arm of uitgebuit, zij woonden niet in Rusland of China, zij waren niet antidemocratisch en zelfs vaak niet eens zo ernstig gestoord. Heel wat columnisten, psychologen en politicologen hebben zich daarover het hoofd gebroken. Ex- communisten hebben zich - soms collectief - de haren uit het hoofd getrokken en zich verbijsterd afgevraagd wat hen bezielde. Zij hebben zich soms halfhartig verontschuldigd: zij waren te jong of te enthousiast geweest. En het communisme had toch ook goede kanten?

Onlangs verscheen het laatste nummer van Politiek en Cultuur, voorheen het theoretische orgaan van de Communistische Partij Nederland. Daarin hebben veel oude kamaraden hun allerpersoonlijkste motieven belicht die hen er ooit toe gebracht hebben zich aan te sluiten bij een beweging waaraan zij met zoveel bezieling een deel van hun leven hebben opgeofferd en die in Rusland, China en zoveel andere socialistische landen vele levens heeft gekost. Hoe is het mogelijk dat zo veel intellectuelen in Europa zich door het communisme lieten (ver)leiden?
In De geschiedenis van een illusie probeert Francois Furet - een van die intellectuelen - het enigma van de twintigste eeuw te ontraadselen. De sleutel van het raadsel van het communisme ligt volgens Furet in de de Franse Revolutie. De bolsjevieken slaagden erin hun revolutie te presenteren als de voortzetting van de Franse Revolutie, waardoor zij zich met de mantel van de Verlichting konden kleden. Lenin werd daardoor de incarnatie van Robespierre, en de stalinistische terreur werd op dezelfde manier beoordeeld als de jacobijnse terreur van Robespierre: als een betreurenswaardige maar tijdelijke afwijking die veroorzaakt werd door de komplotten van de contrarevolutionairen en door de militaire interventies van hun buitenlandse handlangers. De communistische terreur was defensief: de revolutie moest worden verdedigd tegen haar natuurlijke vijanden. Net zoals men de Franse Revolutie in zijn historische totaliteit moet beoordelen - als een bloc naar het woord van Clemenceau - zo was ook de Russische Revolutie een package deal: men moest haar omarmen of afwijzen, en in het laatste geval schaarde men zich in het kamp van de tsaristische reactie, van de vijanden van een revolutie die in het teken stond van vrijheid en gelijkheid. De Oktoberrevolutie kon zodoende worden gepresenteerd als in wezen een democratische revolutie, die de overwinning van universalistische waarden symboliseerde.
Door zich zo nadrukkelijk in het verlengde van de Franse Revolutie te situeren konden de Russische revolutionairen, die tot dan toe in een achterlijk land aan de rand van Europa tegen een achterhaald tsarisme vochten, zich vanaf 1917 presenteren als de voorhoede van het Europese Verlichtingsideaal. De communistische partijen die aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werden gevormd, konden zich bovendien - door het gesternte waaronder zij ter wereld kwamen - presenteren als anti-oorlogspartijen, partijen die zich tot het uiterste hadden verzet tegen het agressieve nationalisme dat had geresulteerd in de massale slachtpartijen van een uitzichtloze en eerloze loopgravenoorlog. In 1914 had de natie over de klasse gezegevierd en het resultaat was een zinloos bloedbad. In 1917 had de klasse over de natie gezegevierd en zouden de Duitse arbeiders, door ook in hun land een sovjetrepubliek te vestigen, het internationalisme over het nationalisme laten zegevieren. De Derde Internationale zou de fakkel van de vrijheid en gelijkheid, die de sociaal-democratische partijen in de Eerste Wereldoorlog bijna hadden laten doven, overnemen.
HET ZOU ALLEMAAL anders lopen. Het socialisme in een land zou zowel de arbeiders- en boerendemocratie als het internationalisme van de communisten om zeep helpen. Veel intellectuelen, onder wie ook vooraanstaande marxisten als Luxemburg en Kautsky, zagen dat al in een vroeg stadium aankomen. Maar de opkomst van het fascisme verhinderde een totale ontluistering van het communistisch ideaal: door het fascisme kreeg het communisme een nieuwe vijand, die haar de glans van universalistische beginselen hergaf. Aan het hoofd van de antifascistische beweging werd het communisme door duizenden intellectuelen en arbeiders in West-Europa opnieuw omhelsd als een vredeskracht die een einde zou maken aan de fascistische barbarij en de idealen van de Franse Revolutie definitief zou vestigen. Dank zij het fascisme kreeg Lenin in de Republiek der Letteren, die door Condorcet was aangekondigd, alsnog een ereplaats.
De kracht van Furet, die zelf tussen 1949 en 1956 lid was van de PCF, de Franse Communistische Partij, ligt niet in zijn historische analyse maar in zijn filosofische anatomie van het communisme. Furet, groot kenner van de Franse Revolutie, legt en passant de fundamentele tegenspraken bloot in het politieke project van de ‘burgerlijke revolutie’ van 1789. Die tegenspraken liggen besloten in de begrippen 'burger’ en 'bourgeois’ die leven in het hart van de burgerlijke samenleving en in de ziel van elke burger. Het is de tegenspraak tussen het possessieve individualisme van de markt en de gemeenschapszin van de cite, tussen de gelijkheid voor de wet en de ongelijkheid in het maatschappelijk leven, tussen de democratische tolerantie en de terreur van de fabriek. De burger wordt verscheurd tussen zijn rol van citoyen en die van bourgeois: 'om een goede citoyen te zijn, moet men een slechte bourgeois zijn, of als men liever een echte bourgeois is, moet men een slechte citoyen zijn.’
Doordat hij voordurend aan zichzelf twijfelt, is de burger een gewillig slachtoffer voor zijn linkse tegenstanders: zij spreken hem tegen uit naam van zijn eigen principes. Vandaar ook het unieke kenmerk van de liberale democratie - the unique selling point, zou een Amerikaans zakenman geschreven hebben: het reproduceert voortdurend zijn eigen tegenstanders. Het zijn de kinderen van de burgerij die het politieke en sociale regime waarin zij zijn geboren, verafschuwen, die de politieke lucht haten die zij inademen. Het wezenskenmerk van de liberaal- democratische maatschappij is de tweestrijd tussen burger en kapitalist die door Marx ten onrechte, maar met groot succes, is herschreven als de klassenstrijd tussen arbeid en kapitaal. In die immanente strijd tussen platvloers egoisme en universele idealen, tussen individualisme en solidariteit, kozen velen de kant van de verdrukten en vernederden, van het proletariaat. De verdediging van de Oktoberrevolutie was het offer dat men daarvoor moest brengen. De verdediging van het onverdedigbare was een teken van zelfverloochening die de toetreding tot het geloof der kameraden markeerde.
ALWEER TWEE JAAR GELEDEN verschenen twee romans - geschreven door de kinderen op wie Furet doelt - waarin geprobeerd is een historische verklaring te geven voor de existentiele keuze van de hoofdpersoon voor het communisme. Beide hoofdpersonen zijn erfgenamen van de burgerlijke orde, die zich fanatiek tegen diezelfde orde verzetten, maar zich er uiteindelijk toch mee trachten te verzoenen. Beide boeken zijn in Nederland vrijwel onopgemerkt gebleven. Ik doel op Constant Vechts Huis aan de Amstel en Jorge Sempruns Federico Sanchez vous salue bien. De laatste roman is een vervolg op de Autobiografia de Federico Sanchez, die in 1978 verscheen en waarin Semprun zijn leven als illegaal leider van de PCE, de communistische partij van Spanje, beschreef, plus zijn royement. Ook Constant Vecht bekleedde enige tijd belangrijke posities in de communistische CPN, eerst als voorzitter van de jeugdorganisatie ANJV, later als hoofdredacteur van het dagblad De Waarheid.
Beide auteurs geven hun hoofdpersoon een naam die nauw met hun eigen naam is verbonden. Federico Sanchez was de schuilnaam die Semprun gebruikte toen hij illegaal in Spanje verbleef. De hoofdpersoon in Vechts roman heet Vincent van Elburg, een directe verwijzing naar het dorp waar de overgrootouders van de hoofdpersoon veehandelaren waren geweest. Vechts roman is een autobiografie verpakt in een kroniek van een opmerkelijke familie, waarin grootvader Aaron een hoofdrol speelt. Dat thema maakt het boek op zich al interessant. De roman van Semprun is eveneens een autobiografie, maar een die is gebaseerd op dagboekaantekeningen die hij tijdens zijn ministerschap maakte en die doorsneden worden door flashbacks uit zijn jeugd, zijn jaren in Buchenwald en vooral zijn optreden als Federico Sanchez in Franco-Spanje. Ook hier zorgt het verhaal ervoor dat de politiek geinteresseerde lezer zich geen moment verveelt.
Zowel in de roman van Vecht als in die van Semprun speelt de oorlog een cruciale rol. De ouders van Vincent van Elburg overleefden de holocaust ternauwernood. Tante Didi werd gepakt en in Auschwitz vergast. Haar naam zou in het ouderlijk huis aan de Amstel nooit meer worden genoemd, maar haar geest was er permanent aanwezig. Jorge Semprun werd zelf meegenomen maar overleefde Buchenwald. Het leven ging door, maar de oorlog vormde een traumatische breuk: zoals vroeger zou het nooit meer worden. De oorlog, die voor Jorge Semprun al in 1936 begon, had de familie Semprun in ballingschap gedreven. Zijn vader, hoogleraar staatsrecht en een liberale katholiek, meende de republiek trouw te moeten blijven, ook nadat Franco die ten val had gebracht. Jorge bezocht noodgedwongen een Haags gymnasium en studeerde filosofie in Parijs. Die twee activiteiten pasten nog wel in het intellectuele en aristocratische milieu van de schrijver. Het lidmaatschap van de PCF vormde echter een breuk met de familietraditie. Datzelfde gold voor de jonge Vincent van Elburg. Het milieu van de joodse antiek- en kunsthandelaren verdroeg zich zeer wel met die van het Vossiusgymnasium en de bohemiencultuur van de studentenbeweging. Maar waarom lid worden van de communistische partij? Vader Van Elburg snapte er niets van en vader Semprun, zo mogen wij aannemen, al evenmin. Voor de hoofdpersonen daarentegen lijkt de keuze logisch voort te vloeien uit de ramspoed die de familie trof. Het communisme stond garant voor een definitieve overwinning op het fascisme. De CPN had niet alleen in de oorlog aan de goede kant gestaan, zij was als enige ook goed na de oorlog.
Tegenover het fatalisme en egoisme van het kapitalisme stelde de communistische partij solidariteit en strijdbaarheid. Dat laatste gold in sterkere mate nog voor de PCE, die vanaf 1939 tot 1975 de belangrijkste georganiseerde oppositie tegen het Franco-regime zou vormen. Het was voor de hoofdpersonen niet goed voorstelbaar dat het leven na de nederlaag van het fascisme zijn gewone loop zou hernemen. De breuk met het verleden moest totaal zijn. Het fascisme, dat het menselijk kwaad belichaamde, moest geheel vernietigd worden. De enige kracht die daartoe in staat leek was het communisme. Een revolutionaire omwenteling zou alle vormen van uitbuiting en sociale ongelijkheid afschaffen. Het communisme zou de menselijke gelijkheid en menselijke waardigheid definitief bevestigen. De solidariteit waaraan het in de oorlog zozeer ontbroken had, zou de basis vormen voor een nieuw type maatschappij. De zo gewenste radicale breuk met het verleden doet zich in beide romans voor als een breuk met de familietradities, een breuk die gestalte kreeg in de keuze voor het communisme. De oude identiteit moest worden afgelegd: de Spaanse aristocraat werd kameraad, de joodse miljonairszoon werd fulltime partijactivist.
BEIDE ROMANS BESCHRIJVEN echter niet zozeer de keuze voor het communisme, alswel wat daarna gebeurde: de terugkeer naar de burgerlijke normaliteit. De hoofdpersonen keren terug in de bedding van de familietraditie. Jorge Semprun doet dat als hij, in 1988, minister van Cultuur wordt. Hij krijgt een ambtswoning in Madrid naast het Prado, tegenover zijn ouderlijk huis dat hij in 1936 had moeten verlaten. Hij woont dan op loopafstand van het huis van zijn grootvader, minister Antonio Maura, naar wie de straat nu is genoemd. 'Een halve eeuw nadat ik deze buurt, Retiro, verlaten heb - het park, het Prado, de Botanico, de kerk van San Jeronimo, de straten, de kruidenier van Santiago Cuenllas, hotel Gaylard’s - na twee oorlogen, ballingschap, Buchenwald, het communisme, vrouwen, enkele boeken, ben ik tenslotte terug op het punt van vertrek.’ Semprun heeft, naar zijn zeggen, nu geen tijd om over zijn leven na te denken, want het minsterschap wacht… En in zekere zin heeft hij gelijk: van Buchenwald had hij, zo leek het, afscheid genomen met zijn roman De lange reis, van de PCE met zijn eerste Autobiografie van Federico Sanchez. Vandaar ook de titel van het boek: Federico Sanchez neemt afscheid van u. Semprun neemt afscheid van de persoon die hij nodig had om afscheid te nemen. Federico Sanchez is definief Jorge Semprun Maura geworden.
Vechts hoofdpersoon lijkt, na zijn afscheid van het communisme, tot dezelfde bron terug te keren: 'Maar denk nu niet dat ik van plan ben de hamer en sikkel voor het davidsterretje in te ruilen. Laat mij nu maar, in het voetspoor van mijn vader en mijn grootvader, een wandelende jood ofwel een wereldburger blijven.’ Vincent van Elburg is weer gewoon Constant Vecht.
De verloren zonen zijn terruggekeerd en de familietradities zijn hersteld. Jorge Semprun is minister van Cultuur en regent geworden, Constant Vecht directeur van een weekbladuitgeverij en een apolitiek burger. De illusie dat alles anders kon is vervangen door de berusting in de onvermijdelijke traagheid van het maatschappelijk bestaan. Ooit hebben zij de familie-eer trachten hoog te houden door het belang van tradities, inclusief die van hun eigen familie, te ontkennen. Tevergeefs. Zij hebben niet slechts afscheid genomen van Marx en Lenin, maar van een hele democratisch-revolutionaire traditie die wortelt in de achttiende eeuw. Zij hebben afscheid genomen van de gedachte dat men, om iets nieuws te beginnen, het oude moet vernietigen. De nalatenschap van Thomas Paine, die in naam van de gelijkheid elke traditie bestreed, heeft het afgelegd tegen het geloof in de maatschappelijke en familietradities van Edmund Burke: 'Ieder maatschappijk contract is niet meer dan een schakel in het grote metahistorische contract van de eeuwige samenleving, die lagere met hogere wezens verbindt en de zichtbare met de onzichtbare wereld. Dat alles gebeurt volgens een vaste overeenkomst die bekrachtigd wordt door de onverbrekelijke eed die alle fysieke en morele wezens bindt, ieder op de hem toegewezen plaats.’
Net als bij Burke is er bij Semprun en Vecht sprake van berusting en rust, van opluchting bijna, nu men in de schoot van de familie is teruggekeerd. Tradities moeten de kloof overbruggen tussen burger en bourgeois, tussen solidariteit en egoisme, tussen universalisme en particularisme, tussen goed en kwaad. Een breuk die door de Franse Revolutie was ontstaan en die de Russische Revolutie had beloofd te herstellen door de bourgeoisie te vernietigen, de solidariteit te laten overwinnen en het nationalisme definitief door het internationalisme te vervangen. De illusie van een tabula rasa, de essentie van elke vorm van radicale democratie, is verstoord, de familiale orde is hersteld. In die familiale orde, onder de bescherming van de nationale tradities, kan vrijheid verzoend worden met ongelijkheid, verandering met behoud, het universalisme wordt ondergeschikt gemaakt aan het hier en nu.
EN TOCH IS HET OUDE onherstelbaar beschadigd. Jorge Semprun kan zich niet meer vinden in de pragmatiek van het politieke bedrijf waarin zijn voorvaderen zo bedreven waren, en stelt zichzelf politiek buiten gevecht door zich met de corruptie binnen de regerende PSOE te bemoeien. Het ministerschap is daarom van korte duur en Buchenwald zal hem niet meer loslaten. In L'Ecriture ou la vie (1994) probeert hij het wezen van het concentratiekamp te beschrijven als de plaats waar goed en kwaad in hun allerhevigste vormen tegenover elkaar staan.
Constant Vecht keert niet terug in het handelshuis van zijn vader, maar stelt zijn commercieel talent ter beschikking van het immer noodlijdende linkse weekblad waarvoor ook dit essay geschreven is. 'Back to normal’ moet niet gelezen worden alsof er niets is gebeurd. Daarvoor zijn de drijfveren te sterk geweest en de gevoelens te oprecht. Federico Sanchez en Vincent van Elburg zijn beiden, ieder in hun eigen tijd en met hun eigen formaat, tegelijk bourgeois en burger gebleven. Het was de geschiedenis van de twintigste eeuw die hun leven een onverwachte wending gaf. Zij waren erbij zonder zich van de dubbelzinnigheid van het bestaan geheel bewust te zijn.