Literatuur special

De verdeelde ontvangst van ‹Casino›

Geen Nederlandse roman ontlokte de afgelopen jaren bij verschijning zulke tegenstrijdige meningen als ‹Casino› van Marja Brouwers. De een vond het een meesterwerk, de ander een mislukking.

Veertien jaar lang kwam er geen roman van Marja Brouwers, alhoewel vier jaar na haar matig ontvangen roman De lichtjager (1990) wel in De Gids het romanfragment «Een cowboyengel rijdt» verscheen. Maar daarna was het ook echt stil, tien jaar lang. Het fragment is terug te vinden in de dikke roman Casino, die in maart vorig jaar het licht zag, en beslaat een deel van de zoektocht van journalist Rink de Vilder naar zijn verdwenen vriend Philip van Heemskerk. «Waar hing de cowboyengel uit?» vroeg Aleid Truijens zich af in een interview met de schrijfster in de Volkskrant. Brouwers verklaarde in dat interview dat persoonlijke omstandigheden het schrijven onmogelijk maakten, na het onverwachte overlijden van haar man wilde ze al haar aandacht op haar twee dochters richten. Toch hebben die jaren van zwijgen wel degelijk hun plek gevonden in de roman. Het waren de jaren van grenzeloze economische groei, de «graaicultuur» in de top van het bedrijfsleven, de bouwfraude, de IRT-affaire en de aanslag op het WTC. Stuk voor stuk komen deze zaken in de roman aan bod, als gebeurtenis, maar ook als onderwerp van de diepgravende essays die door de roman verspreid staan. Brouwers’ grote greep werd door Jeroen Vullings in Vrij Nederland beloond: «De grote jaren-negentig-roman». «De geëngageerde roman is terug», juichte Michaël Zeeman in de Volkskrant. En in een column kwalificeerde hij Casino als «de belangrijkste roman die in heel lange tijd in het Nederlands is verschenen».

Maar niet iedereen was het met deze lovende kritieken eens. T. van Deel noemde Casino in Trouw «een vetgemeste roman die voor publicatie op dieet had gemoeten». Volgens Pieter Steinz in NRC Handelsblad was de roman «een teleurstelling… een mengelmoes van pompeuze cultuurkritiek en zwakke plotlijnen». En Thomas van den Bergh vond Casino in Elsevier «niet de langverwachte comeback van Marja Brouwers». Kortom, de roman werd verguisd of de hemel in geprezen.

Zulke tegengestelde meningen zijn interessant. De verschijning van een controversieel werk kan wijzen op een verschuiving in de literatuurgeschiedenis. Toegegeven, de verschijning van Casino was op geen enkele manier zo’n revolutionaire gebeurtenis als pakweg de publicatie van de bundels Atonaal en Vijf-vijftigers, waarin een experimentele dichtersgroep zich aan het grote publiek presenteerde. En ook was de verbolgenheid over Casino niet zo groot als die over Nader tot U van Gerard Reve in 1967, of twee jaar later Jan Wolkers’ Turks fruit. Maar hoe bescheiden en beschaafd de controverse rond Casino ook werd gevoerd, het is een roman die net als de genoemde werken uit het verleden lezers en critici dwingt een positie in te nemen over hoe literatuur er in zijn meest ideale vorm uit zou moeten zien. En omdat literatuur het leven aanraakt, gaat het niet slechts om de literaire waarde van de roman, maar ook om de ethiek die aan Casino ten grondslag ligt. In dat opzicht is het boek vergeleken met de romans van Michel Houellebecq, die niet alleen een literair maar ook een maatschappelijk pamflet bleken te zijn.

Casino is een kritisch, pessimistisch boek over een tijdperk. Aan het begin van de roman beschrijft Brouwers hoe de generatie van de babyboomers, nadat het woord van God als leidraad had afgedaan, de weg vrijmaakte voor de morele verloedering die kenmerkend is voor de jaren negentig. Van de zeven hoofdzonden, zoals beschreven door Dante, is hebzucht de meest typerende voor dat decennium. De vele essayistische passages in de roman hebben zeer uiteenlopende onderwerpen, van de zeven hoofdzonden, de IRT-affaire tot aan de rechten van huurders in Amsterdam. Toch cirkelen ze allemaal rond dat thema: de in deze tijd uit de kluiten gewassen hebzucht van de mens. Daartussendoor loopt het verhaal dat je kunt beschrijven als een kennismaking met de morele uitwassen van de jaren negentig. Rink de Vilder raakt na een aanrijding in Monaco bevriend met de rijke scheepsbouwkundig ingenieur, motorduivel en het talenwonder Philip van Heemskerk. Deze charmante persoon bouwt luxejachten voor de jetset en behoort daar zelf ook toe. Hij is bevriend met een beroemde Nederlandse tv-producent en diens muze en wordt uitgenodigd op de feesten van oliesjeik Hassan bin Laden. Maar naarmate de roman vordert krijgt De Vilder steeds meer aanwijzingen dat Van Heemskerk naast het bouwen van schepen er activiteiten op nahoudt die minder goed het daglicht kunnen verdragen: cocaïnehandel en chantage. Ondertussen is De Vilder zich gaan vereenzelvigen met zijn decadente vriend. Hij krijgt een van zijn huizen «cadeau», wetende hierbij mee te werken aan een witwaspraktijk, neemt met goedkeuring van Van Heemskerk zijn knappe vriendin over, rijdt in zijn auto’s en draagt zijn pakken. Wanneer Van Heemskerk voor een lange periode verdwijnt, wordt de journalist in De Vilder nieuwsgierig en gaat hij in Nederland, Spanje en de Verenigde Staten de duistere gangen van zijn vriend na.

Het zijn ingrediënten voor een spannende thriller, maar zoals gezegd is het Brouwers daar niet om te doen. De hele roman is een ontluisterend onderzoek naar de mores van de jaren negentig. Philip van Heemskerk is de belichaming van dat tijdperk. Dezelfde aantrekkingskracht van dat decennium, de afwezigheid van enig moraliteitsbesef, maakt hem tot een zeer aanlokkelijke vriend.

De kritiek die de roman te verduren kreeg was voornamelijk gericht op Brouwers’ «cynische», «bitse», «grillige» of «ongemakkelijke» stijl. Om haar stilistische onvermogen aan te tonen citeerde Pieter Steinz de metafoor «een verbrokkeld gevoel dat als een soort beginnende hallucinatie (…) als een achterwaartse jacobsladder naar zijn heupen trok». Tevens kon hij de «academische constructies» niet waarderen: «Tijdens een zwempartij ‹varieerden tijd, lengte en massa voelbaar met de relatieve beweging van gebeurtenis en waarnemer›.» Volgens Arnold Heumakers, een van de grote pleitbezorgers van Casino, hanteert Brouwers een dergelijke stijl «niet uit onvermogen, maar uit weerspannigheid. Van meet af aan is duidelijk (…) dat dit boek niet van plan is zijn lezers te behagen. Je hebt lezers die daar niet van houden, en dat verklaart mede de gemengde ontvangst van Brouwers’ roman.» Daarmee zijn de criticasters van Casino door Heumakers meteen in de hoek gezet van «liefhebbers van gemaksliteratuur». Maar hij heeft gelijk in zoverre dat lezen van Casino zwoegen, zuchten en steunen is.

Dat voegt wel degelijk iets toe aan de roman. Brouwers’ «bitse» stijl zorgt ervoor dat haar pessimistische levensbeschouwing dubbel zo zwaar wordt aangezet. Het is een functioneel ingezet middel om de boodschap over te brengen. Hetzelfde geldt voor het «grillige»of «ongemakkelijke» karakter van haar zinnen. Dat past uitstekend bij Brouwers’ even grillige en ongemakkelijke levensvisie, die ook terugkeert in de titel – casino is Italiaans voor chaos: we leven in een tijd van morele chaos.

Een interessante bijdrage aan het debat rond Casino kwam van Elsbeth Etty. Begin maart dit jaar ventileerde ze in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad haar mening dat Nederlandse critici romans steeds vaker beoordelen «op grond van buitenliteraire criteria». De ontvangst van Casino diende als illustratiemateriaal. Zelf vond Etty Casino geen geslaagde roman, maar daar ging het haar niet om. Michaël Zeeman, die in zijn column in de Volkskrant Casino kwalificeerde als «de belangrijkste roman die in heel lange tijd in Nederland is verschenen» en op de voorpagina van de boekenbijlage van diezelfde krant de roman «weergaloos interessant» noemde, bracht het er volgens haar het slechtst van af. Zijn stukken ontbeerden literaire argumenten. Etty schrijft over Zeeman: «Wat Brouwers’ boek in zijn ogen zo ‹weergaloos interessant› maakt, is de aanval ‹op de zelfvoldane gelijkhebberigheid die de generatie van ’68 in de jaren waarin zij aan de macht kwam heeft uitgedragen›.» Zeeman beoordeelt het boek op zijn levensbeschouwelijke boodschap. Het gaat hem erom wat Casino heeft te melden over de wereld waarin wij leven. Maar aangezien die wereld zich buiten de 550 pagina’s van de roman bevindt, beschouwt Etty de argumentatie als «buitenliterair».

Het aanbrengen van zo’n strikte scheiding tussen de romanwereld en de buitenwereld is het gevolg van een bijna tot wet geworden visie op literatuur: de roman als autonoom geheel.

De opvatting dat een literaire tekst een op zichzelf staand universum is dat pas op zijn waarde kan worden geschat als men kijkt naar de onderlinge samenhang van de tekstelementen werd begin jaren zestig in Nederland verwoord en verkondigd door het tijdschrift Merlyn. De invloed die het tijdschrift uitoefende leidde niet alleen tot een veranderde aanpak door de literatuurwetenschappers, maar betekende ook een literaire bevrijding, in die zin dat levensbeschouwing als criterium zijn primaat verloren had. De tekstanalyse, naar voorbeeld van de Amerikaanse close reading, werd nu het instrument om een boek mee te beoordelen. Niet toevallig verschenen er in deze jaren romans – denk aan het vroege werk van W.F. Hermans of De avonden van Gerard Reve – die door hun complexiteit en gelaagdheid uitermate geschikt waren voor een tekstanalyse à la Merlyn.

Door dergelijke successen werd in de daarop volgende jaren wat eens een bevrijding was zelf een soort dogma. Complexiteit en zelfreflexiviteit lijken de literaire norm te zijn geworden, een lijn die tot op de dag van vandaag doorwerkt in de postmoderne roman waarin «schrijven over schrijven» een terugkerend element is en die een compositie heeft die het meeste wegheeft van een literaire legpuzzel. Dit literaire vernuft zouden de verdedigers van Casino minder zwaar hebben laten wegen dan de maatschappelijke, buitenliteraire context, meende Etty.

Laten we nog eens proberen na te gaan wat volgens Etty literaire argumenten zijn. Dat is niet eenvoudig, want een omschrijving van de term geeft ze niet. Toch kunnen we er deels achter komen wat ze bedoelt, aangezien ze opmerkt dat alleen bij negatieve besprekingen van de roman gebruik werd gemaakt van literaire argumenten. Op twee plekken in het artikel neemt ze een negatieve recensie onder de loep. De eerste is van Pieter Steinz, van 4 maart in NRC Handelsblad, waarover Etty opmerkt dat de recensent Casino een belangrijk boek vond, maar «met een keur van argumenten en een voorbeeldige tekstanalyse kwam hij niettemin tot een negatief oordeel». Het volgende negatieve oordeel kwam een week later van T. van Deel in Trouw. Etty benadrukt in haar stuk Van Deels kritiek op de «soms ellenlange verhandelingen» die de roman «verscheuren». Tekstanalyse, compositie van een roman: argumenten die daarop zijn gebaseerd, die zijn dus literair. Het is een tekstgerichte, op de vorm gebaseerde visie op literatuur. En het is de visie van Merlyn.

Dat Merlyn nog steeds zo invloedrijk blijkt, is overigens niet verwonderlijk. Veel van de recensenten die op dit moment een belangrijke positie hebben bij landelijke dagbladen of tijdschriften zijn neerlandici, of volgden een opleiding letterkunde van een andere taal. Critici als Elsbeth Etty en T. van Deel hebben gestudeerd in de periode dat Merlyn en close reading in de academische wereld hoogtijdagen beleefden. Iemand als Pieter Steinz is van een latere generatie, maar ook hij kan niet zijn ontkomen aan de indirecte invloed van de close reading-revolutie. Niet alleen waart de geest van de tekstuele benadering, zoals verkondigd door Merlyn en de Amerikaanse New Critics, nog steeds rond in het curriculum van elke willekeurige letterenstudie – Steinz studeerde onder meer Engelse taal- en letterkunde – ook is deze methode door eerder genoemde generatie zo vaak toegepast dat ze inmiddels literatuurkritisch gemeengoed is geworden.

Etty verwart literaire argumenten met tekstgerichte argumenten. Door elk argument dat niet direct betrekking heeft op een vormaspect van de roman te kwalificeren als «buitenliterair» dwingt ze recensenten in een keurslijf, waarin deze niet vrij zijn te lezen met meer dan alleen hun literaire knowhow. Wie de roman Casino leest kan niet anders dan zijn eigen denken over de jaren negentig, over de «graaicultuur», daarin meenemen.

Overigens is de discussie die hier in feite aan de orde is – of literatuur op zichzelf gericht moet zijn of op de buitenwereld – allerminst nieuw. Zij werd begin jaren tachtig gevoerd toen Ton Anbeek in De Gids pleitte voor «meer straatrumoer» in de literatuur en valt in ruime zin zelfs terug te voeren op die beroemde oerdiscussie tussen «vorm of vent» uit de jaren dertig.

Doordat de jury zich in die discussie mengde, won Casino dit jaar bijna de Libris Literatuurprijs. In het juryrapport waarin de nominaties werden toegelicht liet ze blijken dat het «binnenhuisrealisme» uit de literatuur diende te verdwijnen om plaats te maken voor een expliciete band met «de actualiteit». De media gaven gehoor aan deze roep om engagement in de literatuur en schoven prompt Casino, een boek dat als geen ander midden in «de actualiteit» staat, als grote kanshebber naar voren. Dat Brouwers’ roman uiteindelijk werd gepasseerd door Specht en Zoon van Willem Jan Otten doet niets af aan de toonzetting van dat juryrapport. Arjan Peters telde het voor de Volkskrant na: maar liefst zes keer vielen in de preambule de woorden «actualiteit» en «actueel».

Vorige maand ondernam Marja Brouwers zelf een poging om de discussie opnieuw aan te wakkeren. Ook zij maakte een rekensommetje: «Van mijn roman Casino ontving ik een totaal van 98 persbesprekingen (…) 87 daarvan bespraken niet mijn boek, maar een artikel van Michaël Zeeman die het bestaan had in de Volkskrant iets te schrijven over de thematische aspecten van het boek.» Het artikel, dat in Vrij Nederland verscheen, gaat over de toegenomen irrelevantie van literatuur in de huidige tijden van commercie. Vanuit dat oogpunt verklaart ze de schrikreactie die bij veel lezers en recensenten ontstaat wanneer ze literatuur voor de kiezen krijgen die wel «ergens over gaat». Als voorbeeld neemt ze de verbolgen reacties op Zeemans besprekingen van Casino: «Het idee dat Michaël Zeeman iemand is die boeken niet alleen leest om hun stijl, maar ook nog om wat erin staat, dat idee kon een zeer grote meerderheid van de boekbesprekers eenvoudig niet verkroppen.»

De gepolariseerde ontvangst van Casino is een nieuw hoofdstuk in de oudste discussie van de literatuur: tekstgericht of ideegericht, «vorm of vent», literatuur ter wille van literatuur of literatuur ter wille van een levensvisie.

Is met Casino de geëngageerde literatuur terug? Eigenlijk is die er altijd al geweest. Maar de behoefte eraan lijkt wel groter dan ze lange tijd geweest is. Na de aanslagen op het WTC op 11 september 2001 kwamen verschillende literaire tijdschriften met themanummers over literair engagement; schrijvers als Leon de Winter en Joost Zwagerman zochten naar antwoorden in hun romans, respectievelijk God’s gym en Zes sterren; Michaël Zeeman roept bij de verschijning van Casino: «De geëngageerde roman is terug (…) een verademing.»

Casino moet als geëngageerde literatuur gelezen worden. In de geëngageerde roman staat een visie op de buitenwereld centraal en die hoort dan ook alle aandacht te krijgen. Een op de vorm gerichte benadering speelt daarin niet meer dan een bijrol. Zeemans argumentatie in zijn artikelen over Casino komt heel kort gezegd hierop neer: Casino is een goed boek omdat het een verrijkend en confronterend beeld geeft van de tijd waarin wij leven.

Vraag: Wat is daar niet literair aan? * Reinier Kist studeert moderne Nederlandse letterkunde