Media

De verdommenis

Net als bij het schaken kun je bij analyses de neiging hebben te beginnen waar je gewoonlijk begint. Als het over de media gaat, is dat in mijn geval vaak bij het boek dat Daniel Boorstin in 1961 publiceerde: The Image or What Happened to the American Dream. In dit boek gaat deze Amerikaanse historicus, veelschrijver en latere directeur van The Library of Congress uit van een volgens hem nieuwe situatie, met name tot stand gebracht door het medium dat op dat moment in de Verenigde Staten al dominant was maar in Europa z'n zegetocht nog moest beginnen: de tv. Dit apparaat zou alles anders maken. Boorstin zag de ontwikkeling op het moment van schrijven heel goed aan de verkiezingscampagnes van Kennedy en Nixon, vooral aan het eerste debat tussen de twee, het eerste tv-debat ook dat ooit tussen Amerikaanse presidentskandidaten werd gehouden: hoe belangrijk uitstraling was, hoe bepalend het was dat Nixon vermoeid oogde en geweigerd had zich te laten schminken, hoezeer een debat dat over inhoud zou moeten gaan in feite draaide om kwaliteiten die er niet of nauwelijks toe (zouden moeten) doen: gevatheid, stressbestendigheid, aantrekkelijkheid, kleding, lichaamstaal. Boorstin noemde dergelijke bijkomstigheden pseudo-gebeurtenissen: zaken die de plek innemen van ‘werkelijke’ gebeurtenissen. In de moderne (beeld)cultuur, stelt hij, gaat het niet om de vraag wat iets is maar hoe het oogt. Oogt het goed (mooi, lekker, bruikbaar enzovoort), dan is het goed (mooi, lekker, bruikbaar…).
Nu kun je eenvoudig volhouden dat zoiets altijd het geval is geweest. Ten tijde van Plato al. Niettemin heeft Boorstin gelijk als hij stelt dat beeld en werkelijkheid in het televisie- c.q. mediatijdperk moeilijker te scheiden zijn dan ooit, meer nog: dat de verhouding tussen de twee door de dwingende aanwezigheid van de media omdraait. Terwijl het beeld traditioneel een afspiegeling van de werkelijkheid wil zijn, wordt de werkelijkheid in het mediatijdperk in toenemende mate een imitatie van het beeld. Vandaar dat diezelfde media een grote en mogelijk steeds grotere plek in het maatschappelijk proces innemen. Met hun invloed wordt de werkelijkheid steeds meer beeld en het maatschappelijk spel in toenemende mate imitatie van dat beeld oftewel simulatie. Het is niet moeilijk hiervan recente en minder recente voorbeelden te geven. Neem Culemborg. Het zal er de afgelopen tijd vast niet soepeltjes aan toe zijn gegaan. Maar hoe stroef verliepen de verhoudingen niet vanaf het moment dat de media vertelden dat ze stroef verliepen? Een kind ziet het: hoe emoties onder het oog van de camera oplopen. Mensen zijn boos, verdrietig, bang, maar voor een camera worden al die gevoelens oneindig uitvergroot.
Als het waar is dat de media een cruciale rol spelen in het maatschappelijk proces is het onvermijdelijk dat ze dat doen volgens de aldaar geldende regels. Dat is wat een Canadese tijdgenoot van Boorstin bedoelde toen hij enkele jaren na publicatie van The Image stelde: 'The medium is the message’ - de inhoud van de boodschap wordt bepaald door de regels van de zender. Al zijn die regels niet één, twee, drie te geven, het is niet moeilijk te zien dat marktwerking er één van is. Concurrentie dus. Kijkers, lezers, kopers. Kwantiteit. Het heeft tot gevolg dat een succesvol medium al snel de neiging heeft te brengen wat goed in de markt ligt. Dat is niet alleen seks, drugs en rock-'n-roll maar ook nieuws, sensatie en schandalen. Het spreekt voor zich dat dergelijke zaken meer aandacht krijgen naarmate de concurrentie tussen de media toeneemt en/of die media om economische (crisis), technologische (internet) of andere redenen (ontlezing) onder druk komen te staan. In dergelijke omstandigheden is het buitengewoon moeilijk, zo niet onmogelijk om je als medium te beperken tot de klassieke rol van brug ('medium’) tussen maatschappij en publiek. En zo worden media in plaats van observator in toenemende mate handelaar in het maatschappelijk spel. Onvermijdelijk is dat veel van hun koopwaar windhandel is. Je kunt immers moeilijk openen met de kop: Vandaag geen nieuws.
Boorstin trok een sombere conclusie uit zijn analyse van het nieuwe medialandschap. De zaak ging naar de verdommenis. De traditionele waarden van de Amerikaanse samenleving ('what happened to the American dream?’) werden door de toenemende concentratie op frivoliteiten verkwanseld. Je hoeft het met die conclusie niet eens te zijn om de bruikbaarheid van zijn inzichten bij het begrijpen van media en nieuws te erkennen. Zo heb ik zelf steeds minder belangstelling voor de inhoud van het nieuws ('relletjes in Culemborg’) en steeds meer voor de wijze waarop het gebracht wordt, de invloed ervan, de opwinding eromheen. Om ’t te zeggen met een variant op de eerste zin van Huizinga’s In de schaduwen van morgen (1936): 'We leven in een media-wereld. En we weten het!’

Chris van der Heijden is historicus en publicist. Hij doceert aan de School voor Journalistiek Utrecht