De verdroomde hand

Paul Delvaux was nooit te grijpen. Zijn moeder wilde dat hij als pianist carrière zou maken. Buiten een cursus architectuur - waarvoor hij een onvoldoende haalde - volgde hij geen elke kunstopleiding. Nu is hij een beeldend kunstenaar van wereldniveau.

IN SINT-IDESBALD aan de Belgische Noordzee loop ik een paar keer per jaar het Museum Vlierhof binnen. In de hal van hetVlierhof, een duinhuis weggeborgen in een Koksijdse villawijk, staat een torso van de surrealistische schilder Paul Delvaux. Vic Gentils, de maker, ging te werk als een strandjutter. Op de vloedlijn raapte hij Delvaux samen uit talloze houtblokjes en half verbrande planken waarop nog een spoor van teer zat. Gentils lijmde die tot een imposant ‘portret’ van Delvaux.
Delvaux telt op zijn plaats in de hal het aantal bezoekers niet. Hij tuurt. Hij lijkt uit een andere wereld te zijn aangespoeld. Zo is hij de synthese van vergane droomschepen. Het zout werkt blijkbaar conserverend op de sculptuur in.
De Vrienden van het Vlierhof werden enige tijd bevangen door het méér-syndroom. Voorheen was het museumpje te klein voor de selectie Delvaux-tableaus, nu is het te groot geworden. 'Geen probleem’, orakelde een iets te zelfverzekerde man, 'dan gooien we er nog wat schetsen tegenaan!’ En gelegenheids-aquarellen, en voorstudies, en treintjes, en medailles, en hoedjes, en fotootjes van heel veel vroeger, en een boekje hier, en een schriftje daar, en een replica van zijn atelier in Bosvoorde. Hoe men ook zijn best heeft gedaan om Paul Delvaux tot mens te degraderen, hij is en blijft een uiterst bijzonder schilder.
DE BEZOEKER TWIJFELT tussen de oost- en de westzijde van het huis: de koffiekamer of de tentoonstellingsruimte. In een hoekje kwetteren twee Franstalige, weelderig geschminkte dames, met rimpels en schoothondjes, over de Vlaamse annexatiedrift die zo groot is dat de grootste Franstalige kunstenaar van deze eeuw zijn vaste stek in deze Vlaamse duinen móet hebben.
De dames weten vast niet dat Paul Delvaux vanaf het begin van zijn schilderscarrière zijn vakantie jaarlijks aan de Noordzee doorbracht. Net als de Willem Elsschot. De Vlaamse schrijver had meer dan zijn handen vol aan zijn familie, maar Delvaux zocht schoorvoetend naar 'vrienden-confraters’. Hij had weinig stuivers en nog minder illusies op zak. Hij werd opgevangen door de beeldhouwer George Grard die in zijn vissershuisje met enkele gabbers het romantische kunstenaarsleven uitbeeldde. Delvaux was de stilste van het stel.
In de hoofdstad hield hij zich tijdens killere seizoenen vooral bezig met het vernielen van zijn doeken, met grote vraagtekens plaatsen bij zijn kunstenaarsschap en het honoreren van de eindeloze grillen van zijn nymfomane vrouw.
Grard dulde maar één autochtoon in hun gezelschap: de Veurnse advocaat Maurice Debra. Veertig jaar later noteert deze in zijn boek Wandelingen & gesprekken met Delvaux: 'Dertien augustus 1947 was een levensbepalende dag voor Paul Delvaux. Hij was weerom te Sint-Idesbald bij George Grard met vakantie en ging die dag de krantenwinkel “Chez Oscar” binnen om sigaretten te kopen. Terwijl hij stond te wachten, hoorde hij twee vrouwenstemmen waarvan hij er één meende te herkennen als die van Anne-Marie, zijn grote liefde in 1929. Hij keek, er was geen twijfel mogelijk! Hij aarzelde. Het was zeventien jaar geleden dat ze elkaar voor het laatst hadden gezien, ondertussen was er zoveel veranderd.’
TIJDENS EEN WANDELING door het stadspark van Veurne zou de surrealistische schilder veertig jaar later aan de arm van advocaat Maurice Debra verklaren dat op die middag zijn 'Veertig Jaar Geluk’ werd ingezet; hij scheidde in die dagen nogal moeizaam van zijn eerste vrouw en huwde Anne-Marie. 'Op de plek van zijn geluk’ is dan ook naar zijn wens het museum gebouwd: al het gemopper van dametjes met schoothondjes ten spijt.
De bezoeker loopt de duistere tentoonstellingszalen binnen. Zestig watt moest volstaan, dat was de uitdrukkelijke eis van Delvaux. Alle lampen van honderd watt liet hij verwijderen. Een museum waarin uitsluitend schemerlicht te vinden is: het blijft wennen. Tien minuten lang loop je op de tast.
En dan gebeurt het wonder. Delvaux is aanwezig in drie zalen en een kelderverdieping die onder de tuin werd uitgewerkt. Met de handen op de rug kuiert de toeschouwer rond. Hoe graag hij het ook anders zou willen, tasten moet hij met de ogen. Hij heeft de indruk dat het penseel van Delvaux niet meer dan drie, vier haartjes heeft geteld. De grote tableaus zijn niet geschilderd, 'ze dragen de afdruk van een verdroomde hand’. De droom houdt slechts stand als hij met de realiteit hechtpunten vindt: voorstadstationnetjes, een herverkavelde Oudheid, trappen die functioneren als straten, naakten met uitvergrote pupillen. Maar alles wat op die doeken terechtkomt, lijkt onder een glazen koepel te staan. Er schuift een wand van glas tussen Delvaux’ wereld en onze wereld.
Jules Verne reikt ons de hand en roept verhalen uit de kindertijd voor de geest. De dromer wordt een reiziger. In hoeveel dagen ben je rond deze wereld? In etalagekasten rijden minitreinen. Maanlicht van twintig watt, meer kunnen de ogen niet aan, dat is Delvaux’ limiet.
DE BALIE BIJ de uitgang van het museum wil Delvaux verkopen. Of beter uitgedrukt: commercialiseren. De verstandige bezoeker neemt geen prentkaarten, geen posters mee naar huis, is niet onder de indruk van schreeuwerige krantekoppen die melden dat een Delvauxtje miljoenen - dollars!! - haalt bij Sotheby’s.
Met de kusttram en bus reis ik van Sint-Idesbald naar Veurne. Medereizigers zijn er niet. Mijn enige metgezellen zijn levensverhalen in allerlei uitgaven over Paul Delvaux. Delvaux’ leven is een doek dat aanvankelijk op de verkeerde wijze werd gespannen. Eigenlijk waren de eerste decennia van Delvaux’ bestaan haast het tegenovergestelde van wat hij beoogde. Het was de wens van zijn moeder dat hij als pianist carrière zou maken. In het Delvaux-museum staat een piano, merk Bechstein ¾, gekocht in de Brusselse Koningstraat. Dat instrument heeft alle verhuiswagens getrotseerd. De legende wil dat Delvaux zelfs in de wachtkamer van zijn oogarts de indruk gaf een toets aan te slaan wanneer hij al neuriënd de andere patiënten verrast deed opkijken.
Het gekibbel over Delvaux’ toekomst moet in het burgerlijk gezin (vader Jean Delvaux was advocaat, gespecialiseerd in bouwwerken) groot zijn geweest. Toen hij eenentwintig werd, nam Delvaux jr. voor het eerst een penseel ter hand. Buiten een cursus architectuur waarvoor hij een onvoldoende haalde, werd hem elke kunstopleiding ontnomen. Nu wordt hij een beeldend kunstenaar van wereldniveau genoemd.
ENKELE JAREN GELEDEN ondernam ik verwoede pogingen om de toen bijna zesennegentigjarige meester te spreken te krijgen. Ik legde contacten met de Stichting in Sint-Idesbald en belde aan in de Veurnse Zwarte Nonnenstraat, waar Delvaux toen woonde. Echo’s in de hal waren het enige antwoord. Ik telefoneerde uren met Maurice Debra die Delvaux in die tijd elke dag klokslag elf uur bezocht. Ik was zelfs bij Debra als hij met de sleutel van de tuinpoort in de hand klaarstond om zich naar Delvaux’ woning te begeven.
Delvaux was oud en ziek. Hij bleef na een zware griep in het vroege voorjaar van 1993 in pyjama of kamerjas de naderende dood camoufleren. Tot een gesprek kwam het niet. En toch bleef ik uren op het terras zitten van de Veurnse Grote Markt, ik wandelde in het stadspark, zocht een loopspoor in de opengebroken Zwarte Nonnenstraat. Flarden uit een interview dat conservator Renilde Hammacher - oud-conservator van het Museum Boymans-Van Beuningen, Rotterdam - hem afnam en dat Delvaux zelf beschouwde als het beste dat hij ooit had gegeven, flitsten door mijn hoofd.
Tegen beter weten in legde ik een vragenlijstje aan. Ik móest hem vragen of hij zichzelf een surrealist noemde. Zijn antwoord zou uiterst genuanceerd zijn: 'Wat mij interesseert is de beeldende expressie, de herontdekking van de poëzie in de schilderkunst’.
Ik hoorde hem bijna fluisteren: '1929-1930, dat waren de jaren waarin ik mij losmaakte van directe beïnvloeding. Expressionisme, surrealisme, Ensor… Elke avond liep ik in de buurt van het Brusselse Zuidstation waar de kermistenten waren opgeslagen. Een van die immense tenten hadden ze een naam gegeven: Museum Spitzner. Dat was het keerpunt.’
Spitzner was het museum waar Delvaux de fameuze Giorgio de Chirico ontdekte.
In slowmotion keek ik om me heen. Op honderd meter van het zalmkleurige huis dat Delvaux liet renoveren, stond de ge metselde kiosk. Die vormde slechts een miniem onderdeel van het 'decorum’ dat Delvaux honderdmaal schilderde.
Ik had hem willen vragen welke functie die Griekse tempels, die stations, die burgerhuizen in zijn werk hebben. En hij zou mij gezegd hebben dat het allemaal slechts voorwendsels zijn, dat ze uitsluitend dienen om een gevoel uit te drukken. Een poëtisch gevoel waaraan de contrasten niet vreemd zijn.
Ik had hem willen vragen hoe dat nu precies zat met die tentoonstelling die op 16 december 1945 in het Paleis voor Schone Kunsten werd georganiseerd. Het was de dag dat Von Rundstedt een Duits tegenoffensief in de Ardennen begon. Precies tijdens die uren werd de grootste tentoonstelling uit Delvaux’ carrière geopend. Zijn werk hing in alle zalen: negentig doeken, meer dan dertig aquarellen. Een kwart van alle doeken uit zijn loopbaan was er te zien.
Er werd precies één doek verkocht. Geen succes, weinig bezoekers, weinig tot geen positieve recensies in de pers; als de critici zich al de moeite getroosten om hun regenjas aan te trekken 'voor een schilder die niet kon schilderen’ - dixit Permeke. Paul Delvaux had op het laatst van zijn le ven even de schouders opgehaald en 'ach’ gemurmeld.
Ik had hem willen vragen waarom hij zo uitdagend de schaamstreek van de vrouw heeft geschilderd en hij zou mij antwoorden dat er op het lichaam van de vrouw en op het lichaam van de man nu eenmaal schaamhaar groeit.
ALLE TOERISTEN HEBBEN het park van Veurne verlaten. Het begint te schemeren. Als ik op mijn tenen sta, kan ik de ramen van de benedenverdieping zien. Daar opereerde Delvaux op de tast: voor vijfennegentig procent blind, vijfennegentig jaar oud.
De Grote Markt van Veurne ligt er nu, zomer 1999, nog altijd sereen bij. Toch kan je niet zeggen dat Delvaux het provincialistische Veurne bewoonde als een balling. In 1978 werd 'de meester’ ereburger van het stadje. Het applaus was groot maar het bleef nieuws voor de plaatselijke pers.
Een autochtoon fluistert in mijn oor: 'Tussen Veurne en Delvaux staat een muur. Daar krijg je geen steen uit. Rond Delvaux hebben ze een wal gelegd.’
Ik probeer te relativeren, zeg dat Delvaux in Sint-Idesbald zijn museum heeft gekregen.
'Dat moest in Veurne staan’, klinkt de repliek heftig.
Paul Delvaux was nooit te grijpen. Er waren nooit echte haltes in zijn leven. Of toch? Zijn leven eindigde in 1994 en hij werd in het stadskerkhof van Veurne begraven onder een treurwilg.
Door de beelden van de Westhoek - een land van klei dat aan de hemel kleeft - schuifelt de bezoeker weg van Delvaux’ doeken. Op de rails van de kusttram ziet hij de Delvaux-treinen nu op origineel formaat.
Achter een Spaanse gevel beeft het licht van een kaars, gedragen door een naakte vrouw.