kunst

De verdwenen Vleeshal

Amsterdamse foto’s

De bouw van het Centraal Station sloot Amsterdam af van het IJ. Het gezicht op de stad, zoals dat eeuwen had bestaan, verdween achter de overkappingen van het nieuwe gebouw, waaronder de stoomtreinen van de onvermijdelijke toekomst stonden. Er waren nogal wat Amsterdammers, volgens stadsschrijver Justus van Maurik, die ‘sjagerineerden dat de gemeente d'r eigen boel zo bedierf’, maar er was geen kruid tegen gewassen. In de geest van de vernieuwing werd het oude havenfront samengevoegd onder één naam, Prins Hendrikkade, naar 'de Zeevaarder’ (1820-1879), de jongere broer van Koning Willem III, een voorvechter van de moderniseringen in het land. Daardoor heeft niemand het, helaas, meer over het Kamperhoofd, de Oude Teertuinen, de Tesselse Kade of de Haringpakkerij, behalve ik, en nog een paar duizend liefhebbers van de Amsterdamse stadsgeschiedenis. Zulke halve garen weten ook nog waar de Warmoesgracht lag, hoe de Vleeshal op de Westermarkt eruitzag, waar de Aardbeienmarkt was, het Boerenverdriet en het Franschepad. Zulke Amsterdammers zijn te beklagen. Zij wonen in meer dan één stad tegelijk, zij zien de werkelijkheid van vandaag en tegelijkertijd de verdwenen werkelijkheden van vroeger, als waren zij helderziend. Het is een onschuldige en romantische aandoening, waar best mee te leven valt, als je maar zo verstandig bent om niet een tentoonstelling als De eerste foto’s van Amsterdam te bezoeken. Dat is een gruwelijk genot.
Voor degenen die dachten dat zij de vroege foto’s van de stad van Oosterhuis, Olie en Asser wel zo'n beetje kenden is er veel te beleven, bijvoorbeeld door de prachtige groot-formaat negatieven van Benjamin Brecknell Turner uit 1857. De vroege fotografie in Amsterdam gaat in haar ontwikkeling als nieuw medium hand in hand met de modernisering van de stad. Brecknell en anderen zochten nog naar het schilderachtige, het historische, maar het merendeel van de fotografen koos een meer journalistiek-documentaire richting en leek gefascineerd door het nieuwe: de aanleg van het Noordzeekanaal, de bouw van arbeiderswoningen, en, het beste voorbeeld van al, de bouw van het Paleis voor Volksvlijt. Dat was een monsterachtige kolos, die het zicht op de brave weilanden en molens rond de Amstel volkomen verruïneerde, maar waarvan de gietijzeren structuur duidelijk heel inspirerend was voor de fotograaf. Het gebouw stond bovendien stil, wat niet gold voor schepen in de haven of het schilderachtige volk op straat, dat bijgevolg is ondervertegenwoordigd. Op de oudste foto’s, gemaakt met de langste sluitertijd, ontbreekt zelfs elk teken van leven, op een enkele schim na. De tentoonstelling biedt daardoor een misschien wat vertekend beeld van vernieuwing en ambitie; er waren verdere technische ontwikkelingen nodig voordat fotografen ook dynamischer onderwerpen als het dagelijks leven in de arbeiderswijken konden vastleggen.
De weemoed die de Amsterdammer overvalt is begrijpelijk. Het is eeuwig zonde dat die Vleeshal is afgebroken, het is een schandaal dat de Nieuwezijds Kapel niet meer bestaat (gesloopt in 1908!) en natuurlijk had dat Centraal Station ten zuiden van de stad gebouwd moeten worden, en niet in de haven. Te verlangen naar het herstel van zulke fouten is nonsens, natuurlijk - wie zou die barse Beurs van Zocher terug willen? - maar dagdromen mag. Over de terugkeer van het water in de Nieuwezijds Voorburgwal, bijvoorbeeld.

De eerste foto’s van Amsterdam 1845-1875, Stadsarchief Amsterdam, t/m 27 juni 2010; www.stadsarchief.amsterdam.nl