De verdwenen zee

Zomer 1999. Niemand weet hoe laat de veerboot naar Pelješac, Kroatië, gaat. ‘Voor de oorlog ging-ie altijd, dan stond hier een rij auto’s.’ Terug naar het vissersdorp van weleer, waar de zee plotseling was verdwenen.

ZOMER 1969. De nacht dat de zee was weggelopen, vierde mijn moeder haar verjaardag. We waren met vakantie op Pelješac, een schiereiland in de Adriatische Zee. Oom Franjo en tante Marija, die in de zomer een deel van hun huis verhuurden, hadden de grote houten tafel feestelijk gedekt. Gegrilde vis, gebakken vis, gepaneerde vis, vispastei, vis met knoflook, vis in saus. Franjo was speciaal voor deze gelegenheid met zijn netten uitgevaren. Tot groot verdriet van mijn vader: ‘Mijn vrouw wordt alweer ouder en nou geef je me ook nog vis te eten! Waar heb ik het aan verdiend, Franjo!’ Oom Heinz, een kalende man die graag Duitse liederen zong, was er ook. Hij en zijn vrouw Gitta waren de enige buitenlandse toeristen in het dorp. Een dag voordat Heinz met de postboot aankwam, hadden de dorpelingen een groot wit laken tussen de oude olijfbomen gehangen. Ze brachten stoelen en houten bankjes mee: 'Morgen komt Heinz, dan kun je zien hoe we er vorig jaar uitzagen.’ Heinz maakte elk jaar opnamen met de dubbel-8-camera. Omdat de film alleen op het vasteland ontwikkeld kon worden, zagen de dorpelingen het resultaat pas een jaar later. Ze klapten en lachten bij elk shot. Alleen toen de ezels in beeld kwamen, werd het stil. Twee van de drie waren die winter plotseling gestorven. Mijn ouders, die als enigen Duits spraken, raakten algauw bevriend met Heinz en Gitta. Terwijl ze aan het verjaardagseten zaten gaf Heinz mijn moeder zijn gouden zegelring cadeau. Dat maakte haar nog verlegener dan naar hartelust verse vis te kunnen eten. Na de wijn die Franjo zelf had gemaakt, kwam de zelfgemaakte notenlikeur op tafel. Mijn zusje en ik moesten naar bed. Het gezang en het gelach op het terras hield ons uit de slaap. 'Heb jij die vissekoppen gezien?’ fluisterde mijn zusje. 'Ze liggen in de emmer achter de keuken en ze bijten!’ Mijn vader gruwelde van dode vis, ik verafschuwde levende. Overdag ging ik alleen onder dwang de zee in, bang vissen uit mijn sprookjesboeken tegen te komen. Die roofden prinsessen, slikten hele schepen in en trokken onschuldige matrozen naar de zeebodem. Er moesten heel wat goede zeemeerminnen aan te pas komen voordat de schade enigszins was hersteld. 'Laten we ze teruggooien, anders gaan ze écht dood’, stelde mijn zusje voor. Nog meer bijtende monsters in zee leek me geen goed plan. Maar zij was niet te houden. We slopen naar de emmer over het strandje voor het huis. Toen zag zij het. Zag ik het. De stenen. Alleen nog maar stenen. We pakten elkaars hand en tuurden geschokt naar de bodem. 'De zee is weggelopen’, fluisterde mijn zusje. 'Nou kan ik niet meer zwemmen.’ 'Misschien komt de zee ’s(ochtends weer terug’, probeerde ik. Ze geloofde er niets van. 'We moeten alarm slaan, hulp halen.’ Maar hoe? We hadden nooit uit bed mogen gaan. 'Dit is een noodgeval’, zei ze ten slotte. 'Dan mag je papa altijd bellen, toch?’ Mijn vader was arts in een ziekenhuis op het vasteland. We hadden de vakantie aan zijn werk te danken. De voormalige dorpsarts was na het overlijden van de ezels met de noorderzon vertrokken uit angst voor woedende dorpelingen. De ezel was het enige vervoermiddel over land. Op de vacature kwam niemand af. Het dorpje lag te afgelegen. Twintig vissershuisjes, een café, eens per week de postboot. De overige dorpen waren alleen per schip te bereiken, een weg was er niet. Omdat een vakantie aan zee duur was, ging mijn vader op het aanbod in: een maand waarnemen, tegen gratis kost en inwoning. De enige patiënt die hij tot dan toe had gehad, was de derde ezel. 'Mijn God, nee!’ hoorde ik hem zeggen, toen Franjo in paniek meldde dat de ezel door een slang was gebeten. Hij spoot op goed geluk een dubbele dosis serum in het beest en deed die nacht geen oog dicht. De ezel bleef leven. Sindsdien was niet alleen Heinz, maar ook mijn vader een held. Toen mijn zusje begon te schreeuwen, kwamen beiden aangerend. Heinz met de gitaar nog in zijn hand. Het gezelschap volgde. Ik wees naar de zee. Mijn vader keek naar de stenen. Iedereen verstomde. Toen tilde Franjo mijn zusje op. 'We gaan de zee zoeken, goed?’ Ze knikte. Hij liep naar het trappetje, zei 'neus dichtknijpen’ en sprong naar beneden. De plons. De rimpelingen. Benen die schoolslagbewegingen maakten. De natte haren van mijn zusje. Ze hapte naar adem, voelde aan haar haren. Ze lachte. Iedereen lachte mee. Daarna sprong iedereen het water in. Behalve ik, want ik was nog steeds bang voor vissen. ZOMER 1999. Niemand weet hoe laat de veerboot naar Pelješac gaat. Over een uur, zegt de één. Over twee uur, zegt de ander. 'Vroeger ging-ie altijd, dan stond hier een rij auto’s, tot aan de weg daarboven, zó lang’, vertelt de eigenares van het café. 'Sinds de oorlog blijven de toeristen weg. Ze denken zeker dat Kosovo in Kroatië ligt.’ Haar man trakteert op een glaasje zelfgemaakte wijn. 'Zij die weten dat dat niet zo is, komen ook niet’, zegt hij. 'Voor de oorlog was de zee van iedereen; alle Joegoslaven kwamen hier op vakantie. Maar nu: Serviërs komen niet, Bosniërs niet, dat scheelt miljoenen! Een paar Tsjechen, wat Slovenen, daar kun je niet van leven.’ Hij wil klinken op betere tijden, maar dat lukt moeilijk, zijn arm is gedeeltelijk verlamd. 'Toen de oorlog begon ben ik bij het Kroatische leger gegaan. Vrijwillig, ja. Je huis, je familie, dat móet je verdedigen, snap je?’ Drie jaar lang ging hij om de week de loopgraven in. 'Nee, hier werd niet gevochten! Een paar honderd kilometer verderop, in Bosnië. Daarvóór was ik er nooit geweest, waarom zou ik? Bossen en bergen, dat is niks voor mij. Ik hoor bij de zee. Maar als ik níet was gegaan, was de vijand híer gekomen, snap je?’ Sinds de oorlog slaapt hij slecht. Hij droomt dat hij met zijn dochter op de weg loopt, net als toen, die middag dat ze op bezoek was gekomen. De schutter in het vliegtuig kreeg hen in de gaten en schoot. 'Ik ging bovenop haar liggen. We konden nergens schuilen, snap je?’ Na een tijdje vloog de schutter weg. Zijn dochter was ongedeerd, maar hij kon zijn linkerkant niet meer bewegen. 'Het was geen kogel, maar de angst. Door schrik verlamd. Ik ben nooit helemaal hersteld. Maar het ergste is: elke nacht maak ik het in mijn dromen wéér mee.’ Zijn vrouw is tijdens de oorlog in Duitsland gaan werken. 'Er moest íemand geld verdienen’, lacht ze. Ze is ervan overtuigd dat de Duitsers die ze ontmoet heeft, een keer op vakantie zullen komen. 'In het Westen denkt men dat wij monsters zijn die alleen vechten en moorden. Maar zij weten dat dat niet zo is, ze kennen mij…’ Een blonde vrouw met spataderen opent tergend langzaam het veerbotenloket. De eerste klant is woedend. 'Wat, alweer duurder? Ik heb verdomme al genoeg aan dit land gegeven!’ De vrouw loopt rood aan. 'Dat heb je dan allemaal aan Tudjman gegeven, niet aan mij! Als hij wat minder om zijn leger zou geven, werd het hier stukken goedkoper.’ De man loopt vloekend weg. 'U durft!’ merkt een omstander op. 'Dankzij mannen als hij leeft ook ú in een onafhankelijk Kroatië.’ De vrouw vertrekt geen spier. 'Mijn land was onafhankelijk én groot, nu is het klein. Ik had een grote familie, nu heb ik niemand meer. Moet ik daarvoor dankbaar zijn?’ De man trekt een pijnlijke grimas en strompelt naar een bankje. Hij schreeuwt het uit van de pijn. 'Die granaatscherf in zijn knie zit klem’, zegt de vrouw. 'Als ze het eruit halen, kan hij niet meer lopen. En dat noemt-ie onafhankelijkheid!’ DE WEG NAAR het vissersdorp van Franjo en Marija is jaren voor de oorlog aangelegd. Het asfalt kronkelt door de bergen, langs verkoolde bomen. 'Vorige zomer stond álles hier in brand’, vertelt de pompbediende. 'Dat gebeurde wel vaker. In de oorlog dachten we dat het Serviërs waren, maar nu hebben ze de klootzak eindelijk te pakken. Een of andere pyromaan die vanaf een rubberbootje brandbommen op eilanden gooit. Hij vindt ze mooi branden, de gek.’ Het vissersdorpje is groter dan ik mij herinner. En stiller. Langs de waterkant een grauwe surfplank, een lek bootje, een fiets zonder wielen. De stenen huizen staan er verlaten bij. Gesloten luiken, verschoten uithangborden, lege bloembakken. Een oude man wenkt. Hij heeft een kamer voor twintig DM per nacht, vijftien, twaalf als we langer blijven. Ons nummerbord maakt hem vrolijk: 'Holland gut, gut!’ Als er één Hollander is gekomen, volgen er meer, weet hij uit ervaring. 'Toen de weg was aangelegd, kwamen de Hollanders als eerste. Vlak daarna schoten de hotels en cafés als paddestoelen uit de grond.’ Hij herinnert zich hoe de vissers hun netten inruilden voor parasols en plastic stoeltjes. Hoe vissersboten watertaxi’s werden die toeristen naar naaktstranden vervoerden. 'Speedboten, waterskies, scooters, alles kon je hier krijgen!’ Behalve verse vis. Die kwam in vrachtauto’s over de weg. 'Vis die een dag op het ijs heeft gelegen móet je aanmaken: knoflook, peterselie, van alles! Vis die je net hebt gevangen, die eet je zo!’ Toen de toeristen na de oorlog wegbleven, vertrokken ook de horecabazen. Naar het vasteland, familie, het Westen. 'Op een paar oudjes als ik na, is iedereen weg. ’s(Avonds brandt in vier, vijf huizen licht, verder is het donker.’ De man zucht. 'Alleen de zee is er nog. Die loopt nooit weg, gelukkig.’ Hoe ik ook mijn best doe, ik kan het huis van Franjo en Marija niet vinden. Er zijn er zoveel bijgekomen. Geen enkele lijkt op de foto in mijn geheugen. 'Dat komt omdat Franjo verbouwd heeft, flink verbouwd’, zegt de oude man. Hij wijst met zijn stok de verdiepingen aan die er in de loop der jaren bij zijn gekomen. 'Zijn zoon stuurde geld uit Duitsland. Hij is filmer geworden. Een gekke Duitser die hier elk jaar kwam had zijn opleiding op de filmschool helemaal betaald.’ Franjo is een jaar na Marija in Duitsland overleden. 'Zijn zoon kwam hem halen vanwege de oorlog. Stel je voor: Franjo in een flat, de hele dag binnen. Dat is alsof je een zoetwatervis in zee gooit. Die sterft meteen.’ IN HOTEL BORIK, een paar kilometer verderop, wordt feest gevierd. Expats die in Bosnië en Kroatië voor internationale organisaties werken en in de maand juli jarig zijn, geven een verjaardagsetentje. De eeuwenoude dennebomen op het terras zijn speciaal voor de gelegenheid gekortwiekt. 'Nou zie je vanuit de baai het hotel, en vanuit het hotel de baai’, zegt Jeannette. Ze is geboren in Amerika, maar leeft in Zagreb. Ze verdient haar geld door Kroatische bedrijven die geprivatiseerd zijn nieuw leven in te blazen. 'A hell of a job! Het is alsof de mensen hier geen winst wíllen maken. Wat is er nou makkelijker dan een paar takken afzagen? Maar daar komen ze niet op.’ Als iedereen is gearriveerd, blijkt dat alleen de jarigen zijn gekomen. Zo is iedereen gast en feestvarken tegelijkertijd. David en Scott, twee Amerikanen die op het eiland een galerie zijn begonnen, hebben de lange houten tafels feestelijk gedekt. Gazpachio, dungesneden worteltjes, kip gevuld met leverpaté, frambozenbavarois. De jarigen zingen happy birthday voor elkaar. Jeannette glundert. 'This place is gonna boom, don’t you think?’ Een jongen met Richard Gere-kapsel krijgt als enige geen cadeau. Hij is jarig in maart. 'Wil je dansen?’ vraagt hij. 'Wat spreek je goed Kroatisch!’ zeg ik. Hij lacht. 'Ik ben hier geboren, en ik woon hier ook nog, gek hè?’ Jeannette zet de muziek harder. De jongen: 'De expats doen veel voor Kroatië, echt waar. Maar er zijn dingen, zoals die dennebomen… Dit was het koelste terras op het eiland, snap je? De zee kun je overal zien, maar een kop koffie in de schaduw drinken, dat kon alleen hier. En dan het eten: lekker… maar ik had toch iets klaargemaakt van hier…’ 'Vispaté, vis in saus, vis in knoflook’, zeg ik. Hij lacht: 'Hier zwemt nou eenmaal de lekkerste vis.’ Ik vertel over de oude man die dertig jaar later nog wist welke vis Franjo voor mijn moeder had klaar gemaakt, maar die zich mijn moeder, mijn zusje en mij niet herinnerde. 'Dat is alleen raar als je seks met hem had gehad. Zoveel mensen… Het was al een klus de vrouwen met wie je de liefde had bedreven te onthouden. Ik heet trouwens Mladen, en jij?’ Als het liedje is afgelopen, wandelen we als vanzelf richting baai. 'Oorlog heeft ook voordelen’, zegt hij. 'Neem de zee. Schoner dan ooit. Buitenlandse biologen proberen te verklaren hoe het mogelijk is dat het zo snel is gegaan. Er zijn zelfs allerlei vissoorten teruggekomen.’ Ik kijk naar de stenen die baden in het maanlicht. Mladen gooit er een in het water. Het rimpelt. 'Het is gek’, zegt hij, 'maar soms, als de wind gaat liggen, is het water zó helder dat het lijkt alsof…’ Voordat hij de zin heeft afgemaakt loop ik naar het trappetje. Ik leg mijn hand op het water. Warm en zacht. Het kringelt als ik beweeg. Ik trek mijn jurk uit en ga op de tree staan. 'Hé, kijk uit voor de vissen’, roept Mladen. Eventjes voel ik de twijfel. Zouden de goede zeemeerminnen ook teruggekomen zijn? Dan knijp ik mijn neus dicht.