Hoe progressief is Bernie Sanders nog?

De Verenigde Staten blijven gewoon in Disneyland

Bernie Sanders stelt zich kandidaat voor het presidentschap van de VS en doet linkse harten sneller kloppen. Maar is zijn agenda ambitieus genoeg?

Nate Beeler / Cagle Cartoons

Afgelopen zomer bracht Bernie Sanders een bezoek aan Disneyland in Anaheim, Californië. De 77-jarige onafhankelijke senator voor Vermont was daar niet om zijn kleinkinderen een dagje uit te bezorgen. Disneyland was een illustratie van de politieke agenda waarmee hij drie jaar geleden furore maakte, bijna Hillary Clinton versloeg in de Democratische voorverkiezingen en waarmee hij nu nogmaals in de race is om het Witte Huis. Vorige week kondigde Sanders aan dat hij zich kandidaat stelt voor de presidentsverkiezingen van 2020.

In Disneyland sprak hij met werknemers die hun inkomen gemeten in reële dollars hebben zien dalen van gemiddeld 15,80 dollar in 2000 tot 13,36 in 2017. Driekwart zegt niet genoeg te verdienen om elke maand rond te komen, sommigen zijn af en toe dakloos. Ondertussen is Disney een bedrijf met een waarde van 150 miljard dollar. In 2017 maakte het negen miljard dollar winst en kreeg ceo Bob Iger een vierjarig beloningspakket toegezegd van 423 miljoen. Disney krijgt belastingkorting van het stadsbestuur van Anaheim en profiteerde daar bovenop van 1,5 miljard aan belastingverlichting dankzij maatregelen van de regering-Trump.

‘Terwijl Disney’s winsten stegen en de ceo onvoorstelbaar veel geld verdient, zijn de lonen en aanvullende arbeidsvoorwaarden van de mensen die in Mickey Mouse- en Donald Duck-pakken lopen, het eten serveren en de kaartjes controleren zo laag dat ze nauwelijks overleven’, schrijft Sanders in zijn recente boek Where We Go from Here: Two Years in the Resistance.

Verontwaardiging over de obscene kloof tussen arm en rijk in de VS drijft Sanders’ politiek al meer dan veertig jaar. Behalve voor een gegarandeerd nationaal minimumloon van vijftien dollar per uur pleit hij ervoor om hoge inkomens zwaarder te belasten, iedere Amerikaan een publiek gefinancierde gezondheidszorgverzekering te geven en hoger onderwijs gratis te maken zodat studenten hun werkende leven niet hoeven te beginnen met een verstikkende studieschuld. Ook wil Sanders de economie verduurzamen en Wall Street weer aan banden leggen. Dat pakket is ook de kern van het boek Bernie Sanders Guide to Political Revolution, waarin hij zijn programma eerder uit de doeken deed.

Drie jaar geleden was Sanders de plotselinge linkse uitdager die het moest afleggen in een verbeten strijd met het Democratische partij-establishment (‘Bernie moet tot pulp gemalen worden’, schreef Clintons campagneleider John Podesta in een e-mail die verscheen op WikiLeaks). Inmiddels zijn de Democraten een behoorlijk eind richting Sanders opgeschoven: senatoren Kamala Harris, Kirsten Gillibrand, Cory Booker en Elizabeth Warren – die zich allemaal kandidaat hebben gesteld voor het presidentschap – waren stuk voor stuk mede-indieners van Sanders’ wetsvoorstel voor een universele gezondheidszorgverzekering. Op zijn minimumloonvoorstel prijken ook al deze namen, inclusief die van Amy Klobuchar, de senator voor Minnesota die zich ook heeft gemeld voor de presidentsrace. Vrijwel iedere kandidaat wil een ‘Green New Deal’. De roep om hogere belastingen wordt gedeeld door alle Democratische presidential hopefuls. Concurrenten van ‘The Bern’ zullen het niet openlijk toegeven, maar tussen Trump en nu is zijn ‘democratische socialisme’ impliciet de maatstaf geworden binnen de Democratische Partij.

Hier en daar wordt Sanders zelfs links ingehaald. Cory Booker stelt een baangarantie voor die iedere werkloze Amerikaan een betaalde functie bij de nationale overheid biedt. Sanders wil ook meer publiek gefinancierde banen, maar waagt zich niet aan een garantie. Elizabeth Warren heeft behalve een universele gezondheidsverzekering een collectief zorgplan voor kinderen in de aanbieding. Plotseling staat Sanders voor de vraag hoe zich te onderscheiden in een links kandidatenveld.

In plaats van het breekijzer hanteert Sanders de vijl: de scherpe randjes van het kapitalisme moeten eraf

Maar voor veel linkse media is het origineel hoe dan ook het beste. ‘Bernie Is Running, Thank God’, kopte Jacobin; volgens het uitgesproken linkse tijdschrift is Sanders de enige die begrijpt dat er een klassenstrijd woedt in Amerika. Het linkse Current Affairs herpubliceerde een ouder artikel waarin de senator werd omschreven als ‘de beste kans die de Democraten hebben om in 2020 Trump te verslaan’. Progressief Amerika, kortom, voelt opnieuw the bern en haalt de vertrouwde symboliek weer van stal: vlammen, wervelwinden, de geheven vuist. De website van de Sanders-campagne, Our Revolution, is weer volop in bedrijf.

Toch is deze revolutie er vooral een van naar beneden bijgestelde verwachtingen. Zeer ambitieuze socialisten zullen zich afvragen wat er gebeurd is met de Sanders die in de jaren zeventig verkondigde dat niemand meer dan een miljoen per jaar zou mogen verdienen. Wie nu gecorrigeerd voor inflatie hetzelfde verdient – ruim zes miljoen – moet volgens Sanders 48 procent afdragen. Voor de 0,01 procent die meer dan tien miljoen per jaar verdient, stelt Sanders een toptarief van 52 procent in het vooruitzicht. Dat is een stap verder dan de VS nu gaan, maar in historisch perspectief nog altijd bescheiden. Toen Sanders op de universiteit zat bedroeg het hoogste belastingtarief in de VS 91 procent.

Wat Sanders in feite voorstelt is vertrouwd Amerikaans kapitalisme met een vriendelijker gezicht dan het nu toont. Dat ontlokte hoogleraar geschiedenis Adam Tooze, auteur van Crashed: How a Decade of Financial Crises Changed the World, de volgende omschrijving: ‘Bernie Sanders, de revolutionair die niets omver wil werpen’. Tooze legt in één zin bloot dat de energie die Sanders losmaakt wordt ingezet voor een agenda die maar weinig verandert aan de diepe structuren die ongelijkheid in de hand werken. In plaats van het breekijzer hanteert Sanders de vijl: de scherpe randjes van het kapitalisme moeten eraf en mensenlevens moeten hier en daar gestut worden met extra steun van de overheid, door geld weg te halen bij een klasse superrijken.

Socialisme, om Sanders’ eigen definitie te nemen uit zijn ‘gids voor politieke revolutie’, betekent publiek eigenaarschap van productiemiddelen en een gelijkmatige verdeling van arbeid en eigendom. Ook op dat eerste punt ligt Sanders’ lat nu lager. ‘Op de lange termijn moeten de grote industrieën in dit land publiek eigendom worden en bestuurd worden door arbeiders zelf’, vond hij toen hij zijn carrière begon. Een economie die, in ieder geval deels, steunt op collectief eigenaarschap is goeddeels van Sanders’ agenda verdwenen, ook waar het gaat om publieke goederen als energie, zorg en transport. Vandaar dat ‘democratisch socialisme’ een term van weinig betekenis is, anders dan een taalkundig spelletje met wat in Europa ‘sociaaldemocratie’ zou heten.

Want dat is waar Sanders’ politiek nog het meest op lijkt. Hij wil betaald ziekteverlof en meer betaalde vakantiedagen. Wall Street moet volgens hem ‘hervormd worden’ zodat het ‘betaalbare leningen kan geven aan het midden- en kleinbedrijf’ en ‘huiseigenaarschap kan aanmoedigen door betaalbare hypotheken aan te bieden’. Rode draad in zijn verhaal zijn ‘decent-paying jobs’, zoals Amerika die verschafte in het tijdperk dat Sanders vormde: de naoorlogse decennia waarin wit werkend Amerika collectief werd verheven tot de consumerende middenklasse.

In meer opzichten hanteert Sanders een politieke economie die goeddeels losstaat van de grote bewegingen in het kapitalisme van nu, zoals migratie, schuldgedreven groei en het ontstaan van een digitale economie. In zijn boek presenteert Sanders een lijst met ‘tien van de ergste belastingontduikers’. Hij noemt onder meer Boeing, Citigroup en farmaceut Pfizer. Het enige techbedrijf in zijn willekeurige opsomming is ibm. De voorhoede van de digitale economie laat Sanders in zijn hele programma ongemoeid. Heeft hij niet door dat Google, Facebook, Apple en Amazon zich op grote schaal aan belasting onttrekken, steden onbetaalbaar maken en hun top astronomisch betalen? En dat niet de fysieke en financiële industrie, maar Big Tech momenteel het aangezicht van kapitalisme bepaalt? En juist hier is een radicale agenda nodig. Het opbreken van tech-monopolies en het publiek toe-eigenen van de databanken met onze persoonsinformatie zou een mooie klus zijn voor een 21ste-eeuwse socialist.

De VS moeten internationale verdragen opzeggen omdat die de lonen van Amerikaanse arbeiders drukken

Op deze manier toont Sanders zich een politicus als alle andere: op de tenen om de eigen achterban geen pijn te doen. Bernie is populair bij de tech-industrie. Van alle politici die donaties ontvangen van medewerkers van Alphabet (Google’s moederbedrijf) staat Sanders op de eerste plaats. De top-vijf van werkgevers die het meest vertegenwoordigd zijn op zijn donatielijst wordt verder gevormd door de Universiteit van California, Microsoft, Apple en Amazon. Sanders stippelt zijn revolutie zo uit dat de economie van de podcastklasse ongemoeid blijft.

Ook uit zijn belastingplannen blijkt dat Sanders een vehikel is om gevestigde klassenbelangen te beschermen. Vermogens tot 3,5 miljoen mogen van hem belastingvrij van de ene generatie op de andere overgaan. Dit is ongeveer het bedrag dat de goed betaalde werknemer kan opbouwen en gebruiken om zijn kinderen een voorsprong te geven. Ook in Sanders’ systeem blijft Amerika een land van wat de socioloog Richard Reeves ‘dream hoarders’ noemt: de hogere middenklasse die gelooft in meritocratie maar haar kapitaal inzet om de competitie om opleiding en banen te vervalsen in haar eigen voordeel. In Sanders’ erfbelasting moet 0,3 procent van Amerika langs de fiscus. Echt radicaal zou een poging zijn de zichzelf reproducerende middenklasse mee te nemen in de aanpak van ongelijkheid.

Waar het de onderkant van de arbeidsmarkt betreft trekt Sanders ook een duidelijke grens. Hij wil geen tijdelijke werkvisa voor buitenlandse laaggeschoolde arbeiders omdat daarmee concurrentie ontstaat voor ‘American jobs’. Hij wil dat Amerikanen meer ‘Amerikaanse producten’ gaan kopen. Hij wil meer mogelijkheden om werknemers macht en inspraak te geven, maar denkt niet na over transnationale vakbonden die arbeiders in de hele productieketen aaneen binden. In Sanders’ wereldbeeld blijven de belangen van Amerikanen en buitenlanders tegengesteld. En dus moeten de VS internationale verdragen opzeggen omdat, zo schrijft hij in zijn revolutiehandboek, die de lonen van Amerikaanse arbeiders drukken. Hoe loon, werk en toekomst in Zuid-Amerika of elders zich tot elkaar verhouden valt buiten het ‘democratisch-socialistisch’ kader, waarmee ook het migratievraagstuk prettig uit zicht verdwijnt. Eigenlijk past dit alles naadloos in het ‘Make America Great Again’-frame, zo merkte Tooze op in zijn analyse van Sanders’ ‘methodologisch nationalistische’ vertoog. Sanders wil dat Amerika ‘wereldleider’ wordt in de aanpak van klimaatverandering (hoe in vredesnaam?) en hij doet in zijn boek een appèl op de jeugd als toekomst van het land.

Een verstandig revolutionair weet ook wat het einddoel is. Op dat punt stelt Sanders’ revolutie niet gerust. Wat gaan de VS doen als binnenlandse armoede en achterstand worden ingeruild voor een stabiel middenklassebestaan voor elke Amerikaan? Hoe gaan ze die bredere welvaart en extra vrije tijd besteden? En wat als andere delen van de wereld er een westerse standaard op na willen houden? Of is een consumptiepatroon dat natuurlijke hulpbronnen uitput en de omgeving verwoest voorbehouden aan inwoners van de VS en Europa? Wat in Amerika ontstaat is een leunstoelrevolutie. Die vraagt geen veranderingen in de levens van haar aanhang en troost zich met de fictie dat als de rijksten een kopje kleiner zijn gemaakt de rest vanzelf goed komt. Klimaatverandering, zo leert Sanders’ programma, is nog niet ‘opgelost’ omdat ‘the billionaire class’ verandering tegenhoudt.

Sanders, die als camp-politicus ook in Europese linkse kringen populariteit geniet, is een verademing ten opzichte van de Republikeinse Partij als verlengstuk van een oligarchenklasse en een Democratisch midden dat basale herverdeling schuwt. Maar ook Bernie lijkt niet voornemens de VS uit Disneyland te leiden. Ondertussen speelt hij een riskant spel door lichtzinnig om te springen met wat een revolutie betekent. Wie een omwenteling voorstelt die in werkelijkheid bestaat uit sleutelen aan een bestaand systeem zaait de politieke onvrede van de toekomst.