De verfransing van nederland

Sinds paars aan de macht is, weten we dat ons land wordt verlamd door stroperigheid. Nee, dan Frankrijk, waar de vlam nog zo heerlijk in de pan kan slaan! Maar is die Franse passie wel zo voorbeeldig?
Jan Willem Duyvendak, politicoloog, publiceerde onlangs The Power of Politics: New Social Movements in France (Westview Press).
ECHT OPKIJKEN VAN hoogoplopende sociale conflicten in Frankrijk doet bijna niemand meer. Massale demonstraties en wankelende regeringen lijken in een lange traditie te staan. Al vanaf de Franse Revolutie van 1789 staat Frankrijk model voor gepassioneerde politiek. Of het nu om 1830, 1848, de Commune van Parijs in 1871, de Dreyfus-affaire, het vooroorlogse Volksfront of om mei 1968 gaat, de Franse politiek lijkt altijd theatraal en emotioneel. Er moeten letterlijk of figuurlijk heel wat koppen rollen voordat het volk weer tot bedaren is gebracht.

Tegenover dit beeld van de Franse politiek waarin de bevolking en haar vertegenwoordigers in een permanente staat van opwinding verkeren, staat een ander cliche: de Fransen zouden juist politiek passief zijn. Met name De Tocqueville heeft het geringe engagement van zijn landgenoten gehekeld. Hij stelde hen de betrokkenheid van de Amerikaanse burgers bij de publieke zaak ten voorbeeld. Daar was tenminste sprake van een bloeiend politiek leven, terwijl het Frankrijk ten enenmale ontbrak aan groepen burgers die zich engageerden. In Frankrijk bestond geen societe civile.
Op het eerste gezicht spreken beide cliches elkaar tegen, maar bij nader inzien gaan ze heel goed samen. De bijna- revolutie die Frankrijk om de zoveel decennia meemaakt, is namelijk de bekende uitzondering op de regel dat burgers zich niet met politiek inlaten. Beter gezegd: niet mogen inlaten. In weinig democratische landen hebben burgers namelijk zo weinig te zeggen als in Frankrijk. Professionele politici maken de dienst uit zonder zich te laten ‘storen’ door belangengroepen of sociale bewegingen die menen ook recht van spreken te hebben. Of links of rechts aan het bewind is, of Mitterrand of Chirac president is: politici gedragen zich als zonnekoningen die hun oor niet snel te luisteren leggen bij het gepeupel. Vergeleken met Nederland is de mogelijkheid voor groepen burgers om mee te spreken beperkt: medezeggenschapsraden, inspraakavonden, hoorzittingen en adviesorganen zijn welhaast onbekende fenomenen; subsidies voor oppositionele organisaties komen nauwelijks voor. Er bestaan slechts miljoenen individuen enerzijds en een almachtige staat anderzijds, waartussen sinds Louis XIV geen intermediaire organisaties worden geduld. In de Franse revolutionaire strijd voor de egalite en tegen klasseprivileges is de ruimte voor democratisch debat bepaald niet vergroot. Iedere burger heeft een gelijke stem gekregen, want geen enkele burger wordt meer gehoord.
De staat luistert niet naar de straat, en dat stimuleert de Franse bevolking nu niet bepaald om zich te organiseren. Anders dan het regelmatig wederkerende oproer wellicht suggereert, is de organisatiegraad van bijvoorbeeld de vakbonden zeer laag. Frankrijk kent zelfs het laagste niveau van alle Westeuropese landen. Terwijl het in landen als Nederland, Zweden, Duitsland en Oostenrijk loont om lid te worden van een vakbond omdat er regelmatige vormen van overleg en onderhandeling bestaan tussen bonden en werkgevers - al dan niet onder het toeziend oog van de staat - is het nutteloos om lid te zijn van een bond in Frankrijk. Daar wordt nauwelijks geluisterd naar dit type organisaties, laat staan dat er vanzelfsprekend en regelmatig mee wordt overlegd. De lage organisatiegraad in Frankrijk gaat dan ook samen met een, vergeleken met de eerdergenoemde landen, hoog stakingscijfer: als de werkgevers niet aan de onderhandelingstafel willen aanschuiven, dan moeten ze het ongenoegen anderszins meegedeeld krijgen.
Andere maatschappelijke organisaties, zoals de milieubeweging, verkeren in een vergelijkbare positie. Zo is de Franse evenknie van Natuur en Milieu niet vertegenwoordigd in adviesorganen van de overheid. En ook hier blijkt dat wanneer een organisatie zo weinig serieus wordt genomen, dit de bevolking nu niet bepaald stimuleert om lid te worden van zo'n organisatie. Radicalere groepen krijgen bij de almachtige Franse staat al helemaal geen voet aan de grond. Het laten exploderen van de Rainbow Warrior van Greenpeace tijdens het eerste presidentschap van Mitterrand was dan ook geen toeval, maar het trieste resultaat van de traditionele houding van de Franse politieke klasse die het niet accepteert dat burgers, laat staan buitenlandse burgers, zich met staatszaken bemoeien.
De Franse politieke cultuur leek lange tijd op de Duitse. Ook daar was de angst voor de straat tot ver in de jaren zeventig groot; ook daar werden buitenparlementaire groepen met veel argwaan bejegend. Maar terwijl Duitsland erin is geslaagd om nieuwe groeperingen in het politieke bestel te integreren, is de Franse houding ten opzichte van sociale bewegingen onveranderd negatief en wantrouwig gebleven. Dit verschil tussen Frankrijk en Duitsland kan worden begrepen als we behalve naar de 'informele’ politieke cultuur ook kijken naar de 'formele’ kant van beide politiek systemen, met name naar het verschil in de mogelijkheid om als nieuwe partij tot de politieke arena door te dringen. In Duitsland hadden de Grunen, toen ze eenmaal de vijfprocentsdrempel genomen hadden, immers wel de kans om als nieuwkomer onderwerpen op de agenda te plaatsen, terwijl in Frankrijk door het districtenstelsel nieuwe partijen slechts moeizaam (Front National) of niet (Les Verts) tot het parlement doordringen.
Nu kan het afschermen van het parlement tegen kleine, vaak extreme, partijen, een bewuste strategie zijn om de democratie te beschermen. Maar in Frankrijk is deze afscherming zo totaal dat ze zelf de grootste bedreiging van de democratie is geworden. In de eerste plaats komt de politieke stabiliteit iedere keer onder druk te staan wanneer, door de arrogante houding van de politieke klasse, de spiraaldynamiek op gang komt: groepen burgers pikken het niet meer, ze beginnen met manifestaties, de politiek weigert te onderhandelen met de straat, de manifestaties worden radicaler en massaler, de politieke oppositie ruikt haar kans om de regering beentje te lichten, de politie antwoordt met steeds repressiever middelen en links en rechts komen als blokken tegenover elkaar te staan. Ten slotte gaat het dan niet meer om concrete eisen maar om de vraag of de regering en de president wel kunnen aanblijven.
ERNSTIGER NOG DAN deze ontwrichtende politieke dynamiek is een tweede consequentie van de geslotenheid van het systeem: de stagnatie van politieke vernieuwing. Terwijl op de Nederlandse en Duitse politieke agenda de afgelopen decennia vele nieuwe onderwerpen verschenen (milieubeleid, emancipatie) bleef het in Frankrijk draaien om, wat onder politicologen heet, oude politieke cleavages: de kloof tussen stad en platteland, de strijd tussen het zeer centralistische Parijs en gebieden die streven naar autonomie (Corsica, Bretagne), de relatie tussen kerk en staat (de strijd om de katholieke ecole privee) en, natuurlijk, de verhouding tussen de klassen, de klassenstrijd. Terwijl in Duitsland en Nederland zo'n drie kwart van alle acties van burgers om nieuwe onderwerpen draaiden als milieu, derde wereld, vrouwen en homo’s, was dit in Frankrijk slechts bij een derde het geval. Afgezien van de manifestaties van de antiracistische beweging (SOS- racisme, Touche pas a mon pote), hadden alle grote demonstraties van de afgelopen 25 jaar in Frankrijk een traditionele inzet: katholieken en de rechtse partijen protesteerden tegen de socialistische regering; vakbonden en linkse partijen tegen de rechtse regering; boeren en tuinders tegen Parijs.
Deze politieke stagnatie in Frankrijk komt voort uit de dominantie van de gevestigde politieke partijen, die zich, zeker aan de linkerkant, niet of nauwelijks bedreigd hoeven te voelen door nieuwkomers. Want waar in West- Europa bestaat nog zo'n sterke communistische partij, die lange tijd een serieuze concurrent was voor de socialisten? Waar zijn trotskisten en maoisten nog zo prominent aanwezig? Waar voelen de groenen zich gedwongen om 'boven de partijen’ te gaan staan omdat ze zich buitengesloten weten van zowel traditioneel links als traditioneel rechts? Wie enthousiast is over de gepassioneerde politiek in Frankrijk, moet zich realiseren dat voor dit type dynamiek paradoxaal genoeg de prijs van ideologische stagnatie moet worden betaald: alleen wanneer onderwerpen in oude, vertrouwde (klassen)- termen kunnen worden geformuleerd, slaat de vlam in de pan. Voor een onafhankelijke, niet door communisten gedomineerde vredesbeweging, die zich ook durfde uit te spreken tegen het eigen kernwapen, la force de frappe, was nauwelijks ruimte. Ook het verzet tegen kernenergie heeft zich nooit kunnen doorzetten, aangezien geen enkele oude partij in het parlement deze nieuwe beweging werkelijk ondersteunde. Hierdoor heeft het kunnen gebeuren dat Frankrijk het enige land in Europa is dat zijn oorspronkelijke kernenergieprogramma geheel en al heeft uitgevoerd.
HET VOORBEELD VAN DE kernenergie maakt duidelijk dat de stagnatie van het politieke debat - in dit geval het onhoorbare 'groene’ geluid - wel degelijk kan samengaan met zeer voortvarende, want ongehinderde, technologische vernieuwingen. De sterke uitvoerende macht in combinatie met de stagnerende sociale verhoudingen heeft van Frankrijk een verscheurde natie gemaakt. Enerzijds een hypermodern land waar dank zij enorme staatsinvesteringen TGV’s door het land suizen, moderne telecommunicatietechnieken het leven domineren en op de Europese markt georienteerde ondernemers de toon zetten. Anderzijds een 'achtergebleven’ France profonde van arbeiders, werklozen, boeren en buitenlui. En het is met name dit in het defensief gedrongen deel van Frankrijk dat zich nog aangesproken voelt door het oude klassenverhaal, al dan niet vermengd met een eng nationalisme.
Door deze sociale tweedeling kon de opstand in de afgelopen maanden door de politieke klasse worden afgedaan als een achterhoedegevecht. Het zou slechts gaan om groepen die zich niet wilden aanpassen aan de 'moderne’ tijd, de Europese Unie et cetera. Dat het politieke systeem deze groepen zelf op achterstand heeft gezet en hen door de blokkade van nieuwe, aansprekende politieke alternatieven tot oud-links dan wel extreem- rechts heeft veroordeeld, werd niet onderkend. De dubbele polarisatie tussen staat en straat enerzijds, en links en rechts anderzijds, heeft geleid tot een Frankrijk van twee snelheden.
Slechts een organisatie tracht deze polarisatie te doorbreken: de links-katholieke vakbond CFDT. Zij kritiseert al vanaf 1968 de dominante politieke cultuur die het zo moeilijk maakt om nieuwe onderwerpen aan de orde te stellen. Ook de in 1971 onder de hoede van Mitterrand opgerichte Parti Socialiste slaagde daar niet in. Zij ging de concurrentie met de communistische partij namelijk aan door haar zoveel mogelijk te imiteren. Zo werd de PS tot begin jaren tachtig de meest dogmatische socialistische partij van West-Europa, die geen Nieuw Links heeft gekend en nauwelijks openingen bood aan de 'nieuwe sociale bewegingen’.
De CFDT probeerde een andere strategie. Zij viel de dominante positie van de communistische vakbond, de CGT, aan door 'anders’ te zijn. Zo vroeg zij aandacht voor niet-traditionele vakbondsonderwerpen als autogestion (zelfbeheer), milieubeleid, vrouwenrechten en de gevaren van kernenergie. De CFDT profileerde zich als de woordvoerder van de anti-etatistische deuxieme gauche, als le parti de la societe civile. Deze strategie was echter lang niet altijd succesvol. Tijdens de conflicten in de afgelopen maanden ging ze zelfs bijna ten onder aan haar dissidente opstelling, toen ze pleitte voor een compromis: de voorstellen waren in haar ogen niet per definitie 'fout’ omdat ze van een rechts kabinet kwamen. De bezwaren van de CFDT richtten zich vooral tegen het feit dat de voorstellen opnieuw per decreet, zonder enig vooroverleg waren afgekondigd. Haar voorstellen voor een andere politieke cultuur werden echter wederom genegeerd.
DE IDEEEN VAN DE CFDT zijn al decennia lang praktijk in Nederland. Door de traditie van verzuiling bestaat er in Nederland een sterk ontwikkeld maatschappelijk middenveld, dat niet alleen gesubsidieerd wordt door de staat, maar waarnaar door de politiek ook wordt geluisterd. Terwijl de Nederlandse staat qua centralisatie en omvang niet veel onderdoet voor de Franse, hebben toch maar weinigen in Nederland het idee te leven in een land met een 'sterke staat’. Hier wordt wel veel belasting geind, maar dan toch vooral om het snel weer uit te geven aan moslimscholen, katholieke universiteiten, protestant-christelijke omroepen en humanistische ontwikkelingshulporganisaties.
De Nederlandse politieke cultuur wordt, ook na de ontzuiling, gekenmerkt door drie c’s: ze is gericht op consultatie, compromis en zelfs consensus. De talrijke adviesorganen, de tripartiete overleggen, de subsidiering van het actiewezen - het zijn allemaal uitingen van een politieke cultuur die ervan uitgaat dat overleg en compromis niet tot stagnatie leiden, maar tot soepele maatschappelijke verhoudingen. Kijken we naar de openheid van de politieke agenda in Nederland, dan blijkt dit systeem de afgelopen decennia inderdaad 'vernieuwend’ te hebben gewerkt. Juist het kiesstelsel met zijn evenredige vertegenwoordiging houdt grote partijen wakker om geen onderwerpen te laten liggen. Gebeurt dat wel, dan zitten er zo nieuwe partijen, in dit geval ouderenpartijen, in de Tweede Kamer. Het politieke systeem is zelfs zo open dat het in Nederland pas laat tot groene partijvorming kwam. Veel partijen hadden zich het groene gedachtengoed, althans in woorden, al zo snel eigengemaakt, dat groene partijen hier pas eind jaren tachtig voet aan de grond kregen.
Een open politieke cultuur leidt ook tot een grote mate van betrokkenheid van burgers bij de publieke zaak. Zoals inmiddels wel bekend is, heeft in geen enkel land de milieubeweging zoveel leden als in Nederland, en ook Amnesty en andere solidariteitsorganisaties doen het hier buitengewoon goed.
En toch willen de paarse partijen deze Nederlandse politieke cultuur ontmantelen. Paars associeert de harmonieuze politieke omgangsvormen namelijk met voorbije tijden, met een verzuild maatschappelijk middenveld, kortom, met het CDA. Als Wim Kok in zijn Den Uyl-lezing meent dat de ideologische strijd voortaan zal gaan tussen markt en staat, dan plaatst hij zich niet in de Nederlandse politieke traditie maar in de Franse: er bestaat niets meer tussen individuele burgers, consumenten, en de overheid. In deze ambitie tot verfransing van de politieke cultuur past de aanval van paars op het maatschappelijk middenveld: de inperking van de rol van werkgevers en werknemers in de uitvoering van de sociale zekerheid; de opheffing van de verplichting om adviezen in te winnen bij de Ser; de vermindering van mogelijkheden tot inspraak bij grootschalige infrastructurele projecten; de afbouw van subsidies voor instellingen voor maatschappelijke dienstverlening en activering; het afschaffen van talloze adviesorganen voor regering en parlement; het drastisch verminderen van subsidies voor sociale bewegingen, zoals de homo-, de vrouwen- en de milieubeweging; het laten verslonzen van de sociale vernieuwing, et cetera.
De 'knellende banden’ tussen overheid en maatschappelijk middenveld wil paars vervangen door een marktsamenleving, bevolkt door autonome, zelfstandige individuen, in het gareel gehouden door de staat. Toen de hoogste ambtenaar van Economische Zaken, Geelhoed, onlangs een pleidooi hield voor een 'sterke staat’, paste dat precies bij paars. Want een sterke, slagvaardige staat breekt in paarse ogen met de 'stroperigheid’ van de Nederlandse politieke besluitvorming, die onnodig wordt opgehouden door eindeloze inspraak- en beroepsprocedures.
De auteurs van het Wiardi Beckman Stichting-rapport De verplaatsing van de politiek vatten dit paarse denken als volgt samen: 'De markt, die zullen we, zegt men, steeds meer nodig hebben. En zonder een doelmatig functionerende, kwaliteitsgerichte overheid kunnen we ook niet. Maar wat daartussen zit wordt, uit het oogpunt van democratisch en doelmatig bestuur, met grote argwaan bekeken.’ De PvdA-auteurs, waaronder Paul Kalma, keren zich tegen deze opvatting, die ook binnen hun partij op steeds meer steun lijkt te kunnen rekenen. Zij vrezen deze paarse ontvlechtingsideologie en pleiten, terecht, voor vernieuwing van de bestuurlijke vervlechtingstraditie zoals Nederland die lange tijd gekend heeft.
Betekent dit dat we geheel tevreden moeten zijn met de politieke omgangsvormen in Nederland van dit moment? Geenszins. Paars worstelt immers niet voor niets: de erfenis van de verzuiling moet inderdaad nodig worden gemoderniseerd. Maar in plaats van te streven naar verfransing van de politieke omgangsvormen, zouden we ons beter kunnen richten op de sterke kanten van de Nederlandse traditie. Het gaat dan om het ontwikkelen van een visie op de 'postverzuilde democratie’. In zo'n moderne democratie blijven de drie c’s van wezenlijke betekenis: een politieke cultuur gebaseerd op consultatie, compromis en consensus mag dan weinig dynamisch ogen, in de praktijk staat ze wel garant voor modernisering en voorkomt ze tweedeling en uitsluiting. Zo'n politieke cultuur kan alleen bloeien wanneer de politiek de kritische houding van burgers niet alleen serieus neemt, maar deze zelfs zo nodig materieel ondersteunt. Het subsidieren van politieke tegenstanders blijft het summum van democratie.
MAAR IN EEN 'postverzuilde democratie’ gaat het niet alleen om de verhouding tussen burgers en overheid. Net als ten tijde van de verzuiling is ook de verhouding tussen groepen burgers weer een centrale kwestie. Het gaat immers om het vormgeven van een multiculturele democratie. Enerzijds zal, in lijn met de Nederlandse traditie, het respect voor verschillen tussen groepen onderdeel moeten blijven uitmaken van de politieke en maatschappelijke omgangsvormen. Dit respect voor verschillen staat haaks op het Franse model waarin slechts een publieke culturele identiteit mag bestaan: de autochtone, republikeinse Franse identiteit, waaraan migranten zich hebben aan te passen. Anderzijds moeten de nadelen van de Nederlandse verzuilde traditie (hierarchische verhoudingen binnen de zuil; onmogelijkheid om de zuil te verlaten of om zelfs maar kennis te nemen van andere zuilen) voorkomen worden. De beladen discussies over de integratie en emancipatie van uiteenlopende groepen als allochtonen - moslimscholen, toewijzingsbeleid, inburgeringscontracten - homoseksuelen - homohuwelijk, Gay Games, homobejaardentehuizen) en gehandicapten - Nijmeegse Vierdaagse - maken duidelijk dat er van zo'n uitgebalanceerd nieuw model nog lang geen sprake is.
Waarschijnlijk als reactie op de verzuiling, toen groepsverschillen een afgedwongen en benauwend karakter hadden, dreigt zelfs een eenzijdig negatieve visie op groepen dominant te worden. Wanneer de Franse gedachte veld wint dat tussen burgers en staat geen groepsidentiteiten en -instituties horen te staan, dan zal de overheid geen verantwoordelijkheid meer nemen voor de bescherming en ontwikkeling van groepsculturen. En dat is riskant. Want hoewel nieuwe vormen van verzuiling met het nodige wantrouwen bejegend moeten worden, betekent dat nog niet dat een postverzuilde democratie voorbij kan gaan aan het belang van herkenbare groepen, van collectieve identiteiten. Juist ook dergelijke groepen brengen samenhang in een samenleving en voorkomen een sociale dynamiek waarin massa’s individuen te hoop moeten lopen om gehoord te worden. Het is dan ook ernstig dat het paars ontbreekt aan een positief idee van een pluriforme samenleving.