De vergeten goelag

Over de Goelag is inmiddels alles bekend. Bijna alles. Want een groep wordt nergens vermeld: de dwangarbeiders die de Sovjetunie aan haar atoombom hielpen. Een reconstructie op basis van bijzinnen.

KORT GELEDEN verschenen in de Verenigde Staten de memoires van Pavel Anatolevitsj Soedoplatov. Zonder daarvoor de bewijzen op tafel te leggen beweerde deze voormalige KGB-generaal dat beroemde wetenschappers als Robert Oppenheimer, Enrico Fermi en Nils Bohr geheime informatie doorspeelden naar de inlichtingendienst van de Sovjetunie. Dit zorgde voor sensationele berichten in de pers. Maar de memoires bevatten een document dat veel verbazingwekkender was dan de speculaties over spionage. Uit het document bleek namelijk dat Soedoplatov, de man die onder Stalin jarenlang chef was van een afdeling van de geheime dienst die moordaanslagen en andere terroristische daden in het buitenland regelde, in 1992 is gerehabiliteerd. Een extra pikant detail was dat hij uit hoofde van zijn functie persoonlijk de moordaanslag op Trotski leidde. Waar had deze notoire boef zijn rehabilitatie nu werkelijk aan te danken?
TOT VOOR KORT was het alleen in Rusland een geheim dat de snelle ontwikkeling van atoomwapens in de Sovjetunie mede aan spionage te danken was. Sovjet-historici plachten het succes van het uraniumproject immers uitsluitend toe te schrijven aan het briljante werk van de sovjet-fysici en aan de al even grote organisatorische kwaliteiten van de regering. Maar het Westen wist dat zowel de eerste uraniumreactor als de eerste atoombom sprekend leken op die welke de Amerikanen reeds hadden gebouwd of getest. Ook was bekend dat de Duitse academici die vanuit Oost- Duitsland naar speciale ‘wetenschappelijke centra’ in de USSR waren gedeporteerd, een aandeel hadden in de oplossing van zulke cruciale problemen als het afsplitsen van de uranium-isotopen 235 en 238.
Wie een objectieve blik werpt op de geschiedenis van het sovjet-atoomproject zal evenwel ontdekken dat er nog een andere, wellicht belangrijker factor was die de snelheid waarmee de USSR haar 'atoomparaplu’ in elkaar zette, kan verklaren. En dat was de misdadige bereidheid van de regering om miljoenen gevangenen aan het werk te zetten in de uraniummijnen en in de bouw van de researchinstituten en fabrieken voor nucleaire wapens. Sovjet-fysici en veiligheidsdiensten laten deze factor liever buiten beschouwing.
Binnen de Hoofddirectie der Correctionele Instellingen (Goelag) werd na de oorlog een speciale afdeling (SAC) opgericht die de 'atoomkampen’ moest bevolken. De SAC stond onder direct toezicht van Lavrenti Pavlovitsj Beria. Dat Alexander Solzjenitsyn noch andere geschiedschrijvers van Stalins onderdrukkingsapparaat over deze kampen schreven, komt doordat de SAC’s nog geheimer waren en door nog minder mensen werden overleefd dan andere kampen. Ze werden voor het merendeel bevolkt door Russische krijgsgevangenen en burgers die in de oorlogsjaren naar Duitsland waren gedeporteerd. In de jaren 1945-1946 werden beide groepen naar hun vaderland gerepatrieerd.
Soedoplatov werd in 1992 gerehabiliteerd omdat de procureur-generaal meende dat zijn grote verdiensten voor het atoomproject ruimschoots opwogen tegen zijn andere, onmiskenbaar criminele activiteiten. De gevangenen van de SAC’s is echter nooit amnestie verleend. Ze zijn al evenmin ooit gerehabiliteerd. Hun lot is zelfs nooit onderzocht. In het verleden werd dit gebillijkt met het argument dat ze bij zeer geheime werkzaamheden waren betrokken. Later zijn ze eenvoudig vergeten.
IN 1949 BEGON Andrej Sacharov zijn werkzaamheden bij het geheime atoomcentrum (nu bekend als Arzamas-16) in het Gorki-district. Hij beschreef het centrum als een 'symbiose tussen een uiterst geavanceerd wetenschappelijk onderzoeksinstituut, experimentele fabrieken met proefstations en een groot gevangenenkamp. De fabrieken, proefstations, wegen en huizen voor de staf werden gebouwd door gevangenen die in barakken leefden en die door bewakers met honden naar hun werk werden geescorteerd.’
Sacharov beschrijft ook hoe zo'n vijftig ex- soldaten in opstand kwamen en probeerden te ontsnappen. Er waren maar liefst drie divisies van het ministerie van Binnenlandse Zaken nodig om hen te omsingelen en te liquideren. Volgens Sacharov 'werden talloze mensen die vermoedelijk niets met de vluchtpoging te maken hadden, eveneens geexecuteerd. Na de opstand veranderde de samenstelling van de ploeg die op de installatie werkte - degenen die lange straffen uitzaten en dus niets te verliezen hadden, werden vervangen door mensen met een kortere straf. Maar daarmee was het probleem van de autoriteiten niet opgelost. Want wat moesten ze doen met de op vrije voeten gestelden die de locatie kenden van uiterst geheime installaties? Ze vonden een oplossing die even simpel als meedogenloos en onwettig was: de vrijgelatenen werden levenslang verbannen naar Magadan, waar niemand was om iets aan te vertellen. Er waren twee of drie van dit soort deportaties, waarvan een in de zomer van 1950.’
Inmiddels weten we dat in Arzamas-16 de eerste atoom- en waterstofbommen werden gebouwd en dat daar de ontwikkeling van nieuwe atoomwapens werd geconcentreerd. Het plutonium voor deze bommen kwam echter uit een ander geheim centrum, later bekend als Tsjeljabinsk-40, in de buurt van de stad Kysjtym. Dit centrum omvatte allerlei installaties, waaronder een fabriek voor het verrijken van plutonium, 'Mayak’ genaamd, en faciliteiten voor de opslag van radioactief afval. Tien kilometer ten westen van het industrieterrein verrees, op een pittoreske plek tussen drie meren, het stadje voor de medewerkers. De dwangarbeiderskampen lagen ten zuid-oosten van de Mayak-fabriek.
In 1957 werd deze streek getroffen door een ramp, veroorzaakt door een explosie in de opslagruimten voor radioactief afval. Tijdens de discussies in de jaren zeventig over de oorzaken van de ramp dook de CIA uit zijn archieven enkele documenten op. In de CIA-samenvatting van de geschiedenis van Tsjeljabinsk-40 staat het volgende te lezen: 'Circa vijftien kilometer ten noordoosten van Kysjtym werden, tussen 1945 en 1948, een grote atoomfabriek en een nederzetting voor arbeiders gebouwd. In 1956 bevonden zich hier zo'n 25.000 soldaten van generaal Vlasov, die met de Duitsers collaboreerde. In feite werden deze mannen als gevangenen beschouwd en als zodanig in arbeidsbataljons georganiseerd. Daarnaast waren er ongeveer 60.000 sovjet-gedetineerden van beiderlei kunne bij het project tewerkgesteld.’
In 1993 werd er in Rusland een rapport gepubliceerd uit 1957. Het was getekend door de toenmalige minister Jefim Slavski, onder wiens ministerie alle atoomcentra vielen. In het rapport informeerde de minister het Politbureau over de omstandigheden waaronder het ongeluk in Tsjeljabinsk-40 had plaatsgevonden en over de maatregelen die waren getroffen. Door een explosie in een tank met nucleair afval was er zo'n twintig miljoen curie radioactief materiaal vrijgekomen. Slavski meldde dat 'de woongebieden van militaire bouweenheden en de gevangenenkampen in de vervuilde zone lagen’.
Uit andere documenten die recentelijk verschenen, blijkt dat het bij de bestraalde eenheden waar Slavski over repte, niet ging om militaire bouweenheden maar om eenheden van MVD-bewakers. Volgens een MVD-rapport van 19 oktober 1957 werden 1007 militairen aan radioactieve straling blootgesteld. Bij enkelen was de dosis zo hoog dat ziekenhuisopname was vereist. Onderzoek van de Rossiskaja Gazeta bracht aan het licht dat deze MVD-eenheden binnen tien tot twaalf dagen na de ramp de dorpen tot vijftien kilometer ten noorden van het fabrieksterrein evacueerden. Maar 'met de gevangenen werd ruwer omgesprongen. Ze werden geschoren, kregen nieuwe kleren en werden “in galop” naar vrachtwagens gedreven. Ze mochten niets meenemen, niet eens hun aantekenboekjes of foto’s van hun dierbaren.’
TUSSEN 1945 EN 1948 was het tekort aan uranium het meest heikele punt in het Sovjet- atoomproject. Tot aan het einde van de oorlog was er in de USSR geen uranium ontdekt. De eerste voorraden werden gevonden in Centraal-Azie, waar de winning in 1947 begon. Spoedig daarna volgde de vondst van rijke uraniumvelden in Oost-Siberie, de Noordelijke Kaukasus, Oekraine en in de woestijn rond de Kaspische Zee.
Bij alle voorbereidende werkzaamheden - de aanleg van mijnen, wegen en mijnwerkersdorpen en van de zuiverings- en verrijkingsfabrieken - werden dwangarbeiders ingezet. Evenals de atoomsteden waren de uraniumsteden topgeheim en dus door veiligheidszones omgeven. De werkkampen waren uiteraard al even geheim. In zijn boek Concentration Camps in the USSR van 1983 kon B. Jakovlev slechts twee uraniumkampen noemen, beide in Centraal-Azie. Inmiddels is ook bekend dat de tot voor kort geheime Siberische uraniumsteden Abakan en Krasnokamensk als dwangarbeiderskampen begonnen.
Voordat deze atoomkampen werden ingericht, verrichtten dwangarbeiders laaggeschoold werk: ze groeven kanalen, legden dammen en wegen aan, werkten in de ijzerertsmijnen of in de bosbouw. Maar voor de bouw van atoominstallaties waren hooggekwalificeerde arbeiders nodig. En dat die er waren blijkt uit de woningen, onderzoeksinstituten en fabrieken die tussen 1946 en 1955 in de atoomsteden verrezen. Deze projecten waren niet alleen qua uitvoering maar ook qua architectuur veel beter dan wat er in de jaren zestig en zeventig werd gebouwd.
Er was in die jaren slechts een groep gevangenen die de atoomsteden, ondanks de gecompliceerde problemen, zo snel en goed uit de grond kon stampen. En dat waren de 'Ostarbeiter’, de sovjetburgers die vanaf 1941 door de bezetter waren gedeporteerd om in Duitsland, doorgaans in de militaire industrie, tewerkgesteld te worden. Na de oorlog werden zij, soms vrijwillig maar vaker onder dwang, gerepatrieerd. De dwang werd behalve door de sovjet-veiligheidsdienst ook uitgeoefend door Britten, Amerikanen en Fransen, die zich in het verdrag van Jalta van 1945 tot het terugzenden van Russen hadden verplicht.
MILJOENEN ARBEIDERS, die jarenlang de 'Duitse school’ van dwangarbeid hadden doorlopen en daarvan vaak het nodige hadden geleerd, werden naar de USSR teruggestuurd. Maar eerst belandden ze, samen met de krijgsgevangenen, in de onderzoekskampen in de Russische bezettingszone. Er is maar weinig bekend over de bijna acht miljoen sovjetburgers, goeddeels jonge, gezonde mensen, die tussen 1941 en 1944 als dwangarbeiders naar Duitsland werden afgevoerd. Volgens Duitse bronnen werden er bijna zes miljoen soldaten en officieren krijgsgevangen gemaakt. Recente Russische bronnen spreken van 4,6 miljoen: de Duitsers zouden iedereen die een uniform droeg als krijgsgevangene hebben genoteerd. Ook is bekend dat Hitler opdracht gaf Russische krijgsgevangenen te laten werken in de oorlogsindustrie. Het sterftecijfer onder zowel krijgsgevangenen als 'Ostarbeiter’ was zeer hoog. Na de oorlog keerden er vanuit de krijgsgevangenkampen slechts 1,8 miljoen mensen terug naar de USSR. Maar behalve deze groep gingen er, volgens de cijfers van de repatrieringscommissie, 5.236.130 sovjetburgers vanuit Duitsland en andere Europese landen terug naar hun vaderland. Ongeveer de helft daarvan werd vanuit West-Duitsland gerepatrieerd. Hoe ging Stalin om met deze ruim zeven miljoen 'Ostarbeiter’ en krijgsgevangen, die uitgeput uit de Duitse kampen terugkeerden?
In de oorlog werden overgave aan de vijand en het werken in de Duitse oorlogsindustrie tot misdaden bestempeld. Als laatste daad van verzet tegen de vijand schreef de militaire code van de Sovjetunie zelfmoord voor. Met als gevolg dat iedereen die uit het Westen terugkwam linea recta in een onderzoekskamp verdween. In 1946 werd van daaruit een betrekkelijk klein aantal ouderen, vrouwen en kinderen naar collectieve boerderijen gezonden. Maar het merendeel van de burgers en krijgsgevangenen werd naar werkkampen, en dan met name naar de SAC’s, gestuurd. Hun expertise, opgedaan in de Duitse oorlogsindustrie, was daar het hardste nodig. Niemand die naar een atoomkamp werd gestuurd kreeg permissie om met familie of vrienden te corresponderen. Toen onder Chroesjtsjov en Brezjnev veel slachtoffers van de Stalin-terreur amnestie kregen of werden gerehabiliteerd, bleven zij onvermeld.
Onder invloed van de ramp in Tsjernobyl werd in 1991 een wet aangenomen die aan alle slachtoffers van atoomongevallen dezelfde rechten toekende. In het district Tsjeljabinsk werd de wet vooreerst alleen van toepassing verklaard op de 23 duizend mensen die uit de meest vervuilde gebieden waren geevacueerd. Een verslaggever van de Rossiskaja Gazeta noteerde verbaasd dat er onder de honderden slachtoffers die zich tot diverse instanties wendden, geen enkele ex-gevangene was. Over hun lot of over hun gezondheid is niets bekend. Toch moeten zij aan ernstige straling hebben blootgestaan. Er zijn honderden beschrijvingen, gepubliceerd of ongepubliceerd, van de Goelag-kampen. Geen daarvan gaat over de SAC’s. Het is mogelijk dat die nooit worden geschreven. Het raadsel van het laatste geheim rond de Sovjet-atoombom zal door historici moeten worden opgelost.
Vertaling: Margreet de Boer