De vergeten grondwet

OP 5 MEI AANSTAANDE is het groot feest in Den Haag. In het kader van het festival 150 jaar grondwet (organisator: minister Dijkstal) vindt er in het Vredespaleis een groot congres plaats. ‘s(Middags volgt er in de Ridderzaal een slotdebat, waarna de vorstin met duizend genodigden naar het Danstheater trekt ter bijwoning van een balletvoorstelling waarin, zo belooft ons de Nieuwsbrief van het organiserend comité van Binnenlandse Zaken, 'de thema’s grondrechten en vrijheidsbeleving op creatieve wijze verwerkt zullen zijn’.

Het zal het schitterende hoogtepunt zijn van tal van evenementen in den lande. Iedere provincie had zijn eigen grondwetsherdenking. In Noord-Holland deelde politiek-cultureel centrum De Balie, bolwerk van hoofdstedelijk vooruitstrevend denken, volop mee in de feestvreugde. Later dit jaar komt er nog een landelijke ‘grondwetwedstrijd’, bedoeld voor vakgroepen staats- en bestuursrecht, internationaal publiekrecht en politieke wetenschappen van de Nederlandse universiteiten én wetenschappelijke bureaus van politieke partijen. De deelnemers aan die wedstrijd worden uitgedaagd met concept-grondwetsherzieningen te komen. De uitslag wordt op 3 november bekendgemaakt, ter herinnering aan het feit dat de Grondwet op die dag precies 150 jaar geleden in werking trad.
'Met de herdenking van 150 jaar grondwet in 1998 wil het ministerie van Binnenlandse Zaken mensen aan het denken zetten over de betekenis van de grondwet voor burgers en bestuur, nu en in de toekomst’, aldus de Nieuwsbrief van Dijkstal. 'Maar naast herdenken wil het ministerie het ook vieren. Viering van de grondwet betekent viering van de democratische rechtsstaat. En de democratie is van de burgers en dat vieren we met z'n allen.’
LANG NIET iedereen staat echter te popelen om zich in de feestvreugde te storten. Sterker nog: in wetenschappelijke kring heerst een algemeen gevoel van afgrijzen over Dijkstals feestprogramma. Reden: de minister verdraait de geschiedenis op een wel heel grove manier met zijn stelling dat de Nederlandse grondwet, alsook de 'democratische rechtsstaat’, slechts anderhalve eeuw oud zijn.
1848 was zoals bekend het jaar dat de liberaal Thorbecke kwam met zijn befaamde grondwetsherziening, waarbij de macht des konings aan de constitutionele banden van de ministeriële verantwoordelijkheid werd gelegd. Maar de grondwet van het moderne Nederland als zodanig is natuurlijk veel ouder. Die kwam vijftig jaar eerder, op 1 mei 1798, tot stand onder auspiciën van de voormannen van de Bataafse republiek.
Die republiek werd, zoals eindexamenkandidaten geschiedenis sinds dit jaar weer moeten weten, in 1795 uitgeroepen, nadat Oranje-stadhouder Willem(V en zijn Pruisische eega Wilhelmina op de vlucht waren geslagen voor een al jaren dreigende, niet langer door Willems Pruisische bondgenoten te bedwingen revolutie. Met steun van de Franse revolutionaire bondgenoten kwamen de zogeheten 'Bataafse patriotten’ in 1798 met een oogstrelend moderne grondwet, waarin voor het eerst de fundamentele vrijheid van godsdienst, vergadering en drukpers werd vastgelegd, alsmede de staatsrechtelijke eenheid van de Nederlandse provinciën. Die hadden zich in 1648 met de Vrede van Münster definitief losgemaakt van het Spaans-Habsburgse rijk, maar kenden sinds de Unie van Utrecht een grondwet die uitging van een federalistisch model. Pas in 1798 kwam de Nederlandse eenheidsstaat, onder de vlag van de Bataafse republiek.
Thorbecke werd in datzelfde jaar geboren. Toen deze in 1848 met zijn herzieningen van de grondwet kwam, verklaarde hij zich dan ook in hoge mate schatplichtig aan de Bataafse republiek. Thorbecke werd het in zijn commentaren bij zijn grondwetsherziening niet moe te verklaren dat de wortels van de grondwet lagen in de tijd van de Bataafse republiek. Anno 1998 zouden we dus niet honderdvijftig jaar grondwet moeten vieren, maar tweehonderd jaar.
NA DE TROONREDE van verleden jaar ontstond al de nodige commotie over deze historische blunder. De Leidse rechtshistoricus mr. dr. Arthur Elias wond zich toen erg op over de uitspraak van de koningin dat 1848 als geboortejaar van de grondwet 'de grondslag legde voor onze parlementaire democratie’. In het VPRO-radioprogramma OVT beschuldigde hij het kabinet van manipulatie van geschiedkundige gegevens. Chef Eef Brouwers van de Rijksvoorlichtingsdienst reageerde daarop met een 'strikt juridisch genomen heeft Elias wel gelijk, maar daarvoor is hij dan ook rechtshistoricus’, maar ook dat was geen reden om af te wijken van het ingeslagen pad. Het was honderdvijftig jaar grondwet, en dat bleef het.
Nu ondertussen het feestprogramma van Dijkstal bekend is geworden, staat Elias naar eigen zeggen 'nog meer versteld’. Volgens hem is het paarse kabinet er kennelijk alles aan gelegen het echte ontstaan van de Nederlandse grondwet te verdonkeremanen. 'De grondwettelijke geboorte van het moderne Nederland vond plaats in 1798, daar is iedereen die zich in de materie heeft verdiept het wel over eens’, aldus Elias. 'Maar kennelijk mag dat niet openlijk gevierd worden, uit piëteit met het koninklijk huis. Uiteindelijk kwam de grondwet van de Bataafse republiek tot stand nadat stadhouder Willem(V met zijn familie - overigens volkomen terecht - door de patriotten naar Engeland was verjaagd. Daar mag nu blijkbaar niet meer bij worden stilgestaan.’
In de grondwet van 1798 was het volk soeverein. Het was een waarlijk revolutionaire constitutie. Het Huis van Oranje werd innig gehaat door de Bataafse republikeinen. Zo mochten verstokte Oranje-fans pas stemmen als ze een eed hadden gezworen waarin ze zich distantieerden van Willem(V en zijn familie.
Maar die historische feiten mogen de verdiensten van de Bataafse grondwet nu niet in de weg staan, aldus Elias. 'De fundamenten van de Nederlandse rechtsstaat werden in 1798 gelegd. Toen ontstonden de twee volksvertegenwoordigende kamers en de diverse ministeries. De grondwet van de Bataafse republikeinen kende zelfs al een soort ombudsman. Ook in het referendum was voorzien. Het dramatische is dat de grondwetsherziening van 1848 in veel opzichten een achteruitgang was in vergelijking met 1798. In de grondwet van 1798 was het kiesrecht veel algemener dan in 1848. Ook in de Bataafse republiek was er geen vrouwenkiesrecht, maar daar hield het mee op.’
'DE MINISTER maakt zich schuldig aan geschiedvervalsing en volksmisleiding’, zegt mr. dr. L. de Gou, oud-burgemeester van Haarlem, oud-senator van de KVP en auteur van een in opdracht van het ministerie van Onderwijs vervaardigde studie over het ontstaan van de Nederlandse grondwet. De Gou staat niet bekend als een fervent republikein, noch kan hij van anti-orangisme worden beticht. Integendeel, in de jaren zestig maakte hij als burgervader van de stad aan het Spaarne landelijk naam door demonstratief weg te lopen bij een toneelvoorstelling waarin het huis van Oranje belachelijk zou worden gemaakt. Maar, zo betoogt de gewezen magistraat, liefde voor het Oranjehuis mag niet een sta-in-de-weg zijn voor de objectieve geschiedschrijving. 'De Nederlandse grondwet jubileert in 1798 tweehonderd jaar, klaar uit’, aldus De Gou. 'Dit feestprogramma is een belachelijke vertoning’.
De Gou probeerde het ministerie verleden jaar maart nog te behoeden voor de historische misstap. Op 27 maart dat jaar vond er een symposium plaats over De Gou’s onderzoek naar de historische achtergronden van de grondwet in Nederland. De genodigde minister Dijkstal liet het te elfder ure afweten, net als zijn plaatsvervanger staatssecretaris Kohnstamm, zodat De Gou zijn verontrusting over de geschiedkundige manipulaties bij de aanstaande grondwetsherdenking alleen kwijt kon aan een plaatsvervangend ambtenaar. De klacht van De Gou mocht niet baten. 'Ik begrijp niet wat het ministerie bezielt’, aldus De Gou. 'Misschien acht de minister, zelf van liberalen huize, het in dit verkiezingsjaar opportuun om zijn mede-liberaal Thorbecke als een soort afgod naar voren te schuiven als de schepper van de Nederlandse rechtsstaat. Maar hij vergeet dan dat dezelfde Thorbecke in zijn befaamde Aantekeningen bij de grondwet keer op keer schrijft dat de grondwet er kwam in 1798.’
De Gou liet zijn afgrijzen over het een en ander luid en duidelijk blijken in een ingezonden stuk in NRC Handelsblad. Tal van collega-wetenschappers reageerden instemmend. Zoals de Leidse hoogleraar parlementaire geschiedenis en PvdA-kopstuk Joop van den Berg. In Het Parool stelde Van den Berg dat 1798 niet wordt gevierd vanwege de herinnering aan de periode van Franse overheersing die op de Bataafse republiek volgde. Het trauma van de Tweede Wereldoorlog zou het zicht op de Bataafse periode hebben vertekend, aldus Van den Berg, tegenwoordig president van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Maar: 'De Franse tijd is niet te vergelijken met de Duitse bezetting. Het Bataafsche tijdperk is hier nooit goed begrepen. Het was een oer-Nederlandse periode. De patriotten waren na 1787 door de Pruisen, die de stadhouder kwamen steunen, uit het land gezet en keerden in 1795 met de Franse troepen bij duizenden terug. Zij hebben die grondwet op eigen houtje gemaakt. Iedereen denkt dat de grondwet van 1798 op Frans commando is geschreven, maar dat is apert onjuist. Ze is zelfstandig geformuleerd, zij het naar Frans voorbeeld. Wat dat betreft past onze waardering voor dit werkstuk, dat best gevierd mag worden.’
MAAR DE GOU en Van den Berg konden argumenteren tot ze er bij neervielen, gerechtigheid voor de Bataafse patriotten bleef uit. Interne pogingen binnen het eminente gezelschap van het Koninklijk Historisch Genootschap om te komen tot een veroordeling van het feestscenario van Dijkstal waren tot stranden gedoemd. De Leidse historicus Cees Fasseur, laatstelijk bekend van zijn Wilhelmina-biografie, zwaaide daar tot voor kort de voorzittershamer, en die is niet gediend van zaken die de majesteit tegen het hoofd kunnen stoten. Zijn opvolger bij het genootschap, Riod-directeur Hans Blom, staat al evenmin bekend als iemand die de erfenis der Bataafse republikeinen tot op het scherpst van de snede zou willen verdedigen.
De Groningse hoogleraar prof. A.H. Huussen, lid van het Historisch Genootschap, vindt het vreemd dat minister Dijkstal volhardt in de foutieve keuze van het grondwettelijke jubileumjaar. 'De laatste tijd is er toch een trend te bespeuren die erop wijst dat de taboes rondom de Bataafse republiek aan het wegslijten zijn. Diverse ministeries gaven gedenkboeken uit waarin 1798 wel degelijk wordt aangewezen als het belangrijkste jaar voor het ontstaan van de moderne Nederlandse staat.’
Historicus W.Th.M. Frijhoff van de Vrije Universiteit in Amsterdam is minder verbaasd. Frijhoff is voorzitter van het Comité Tweede Eeuwfeest van de Nederlandse en de Franse revoluties, een in 1984 opgericht orgaan. Hij kreeg al vaak het deksel op de neus bij pogingen om de Bataafse republiek te gedenken. Zo legde de PTT een verzoek om in 1998 een postzegel ter herdenking van de grondwet van 1798 uit te geven zonder commentaar naast zich neer. Een grote tentoonstelling over de Bataafse tijd in het Rijksmuseum ging ineens niet door, officieel omdat Rijksmuseum-directeur Van Os er geen geld meer voor had. Frijhoff: 'En dat terwijl die expositie al helemaal geregeld was. Toch een aanfluiting voor een museum dat zich presenteert als het geheugen van de natie’. Volgens de historicus 'werkt het woord revolutie in Nederland nog als een rode lap op een stier’. 'Subsidie kun je dan wel op je buik schrijven. Toen we met ons comité begonnen was er een bemiddelingsbureau dat wel brood zag in het binnenhalen van subsidies voor evenementen rond de Bataafse republiek. Maar na een rondgang langs diverse instanties kwamen ze als geslagen honden bij ons terug. In Nederland zit er nog steeds geen droog brood in de revolutie.’