Hoe verder op Cyprus?

De vergeten missie

Op 10 juni stopt Nederland met zijn deelname aan een vergeten vredesmissie. Al bijna dertig jaar houden VN-soldaten op Cyprus Turken en Grieken uit elkaar. Dankzij hen is het zo rustig op het eiland dat niemand haast heeft met een hereniging. «Diep in zijn hart is iedereen tevreden met de status quo.»

Het landschap ligt er bijna lieflijk bij. Een stoffig zandpad kronkelt tussen de velden door. Hoog in de strakblauwe hemel kwinkeleert een leeuwerik en op de helling in de verte tekent zich het strakke silhouet af van een kerk. Maar schijn bedriegt. De kerk blijkt bij nadere inspectie een ruïne, de meeste velden liggen braak, en aan het prikkeldraad hangen op regelmatige afstand rode driehoekjes. Daarop, onder de tekst «danger mines», een zwarte doodskop. De enige mensen die dit niemandsland bevolken zijn bewapende VN-militairen.

Sinds 1974 is Cyprus een verdeeld eiland. Een al lang slepend conflict tussen de Grieks- en Turkssprekende bewoners leidde in dat jaar tot een invasie van het Turkse leger. Het noordelijke deel van het eiland werd in zeer korte tijd volledig door de Turken ingenomen. De drie weken die de oorlog slechts duurde hebben enorme gevolgen gehad voor de onderlinge verhoudingen. De Turkse en Griekse inwoners, die eeuwenlang naast en door elkaar heen hadden gewoond, werden definitief van elkaar gescheiden. Tienduizenden vluchtelingen trokken in die periode over het eiland. Grieken verlieten hun dorpen op het noordelijke schier eiland Karpas en reisden dwars door vijandelijk gebied naar het voor hen veilige zuiden. Evenveel Turkse inwoners uit dorpen rond Limasol en Pathos bewogen in tegengestelde richting. Zelfs een wapenstilstand onder dwang van de internationale gemeenschap kon deze etnische zuivering niet meer stoppen. Binnen twee maanden na de Turkse inval was de zuivering compleet.

«Spear Alley» is nog geen drie meter breed. De huizen aan beide kanten zijn ingestort, overal hangt prikkeldraad, om de paar honderd meter liggen militairen achter met beton gevulde oliedrums en stapels zandzakken. Aan de ene kant de soldaten van het Grieks Cypriotische leger en andere kant die van het Turks Cypriotische. Men volgt elkaar met de grootst mogelijke achterdocht. Elke beweging van de tegenstander wordt geregistreerd. Een enkele keer schreeuwt men wat naar elkaar, maar het grootste deel van de tijd heerst hier een ijzige, angstaanjagende stilte. Het is zo stil dat zelfs het doorladen van een geweer klinkt als een kanonschot.

Vorig jaar vond hier nog een ernstig incident plaats. Een jonge Griekse militair was het na drie weken staren naar dezelfde Turkse soldaat zo beu dat hij op de laatste dag van zijn dienst zijn broek liet zakken en zijn blote kont in de richting van de tegenstander stak. Twee weken later kwam hij terug van verlof. Bij wijze van herkenning stak hij zijn hand op naar de andere kant. Pal daarop werd hij door het hoofd geschoten door een Turkse sluipschutter.

«Op zo'n moment begint ons werk.» Overste Kruitwagen, de bevelhebber van het Nederlandse detachement dat sinds drie jaar deel uitmaakt van de multinationale vredesmacht, herinnert zich de eindeloze onderhandelingen die volgden op de dood van deze Griekse dienstplichtige nog als de dag van gisteren. «Je moet absoluut duidelijk maken dat dit niet te tolereren valt. Naar beide kanten toe. Maar het allerbelangrijkste is dat je zorgt dat de zaak niet escaleert. Letterlijk de vrede bewaken.»

Nederlandse militairen zullen tot 10 juni van dit jaar hun werk doen in een stuk niemandsland dat begint vlak ten noorden van de verdeelde hoofdstad Nicosia en zich uitstrekt tot in de buitenwijken van deze stad. Overste Kruitwagen: «De eerste lichting vertrekt op 1 juni terug naar Nederland en de rest volgt op 8 juni. Dan zit de Nederlandse bijdrage aan de VN-vredesmacht op Cyprus er na drie jaar op.» De Nederlandse troepen, ter grootte van een bataljon, stonden al die tijd formeel onder Brits bevel. «De Britten maken permanent deel uit van de veiligheidsmacht op Cyprus. Daarnaast hebben zij op het Griekse deel, vlak bij Limasol, ook nog een eigen basis. Wij opereren hier op hun verzoek binnen het VN-verband.»

De bufferzone die de VN-militairen bewaken werd in 1974 vastgesteld en was bedoeld om de strijdende partijen uit elkaar te houden totdat er een blijvende oplossing voor het probleem gevonden zou worden. In de praktijk functioneert de zone echter al jaren als een zwaarbewaakte grens van 150 kilometer tussen het Griekse en Turkse deel van het eiland; een scheidslijn die sterk doet denken aan het voormalige IJzeren Gordijn. Mijnenvelden, wachtposten, soldaten met honden en slechts één grensovergang van Checkpoint Charlie-achtige allure scheiden de tot de tanden gewapende machten. Tussen hen in opereert de VN. Overste Kruitwagen: «De VN-veiligheidszone is verdeeld in drieën. Zone 1, die momenteel wordt bewaakt door Argentijnse troepen, bevindt zich aan de noordkant van het eiland; zone 2, het centrale deel met daarin de hoofdstad Nicosia en het voormalige vliegveld, valt onder Brits bevel en daar zijn wij aan toegevoegd. Zone 3 ligt in het zuiden. Daar wordt de vrede momenteel bewaakt door Oostenrijkse en Hongaarse troepen.»

«Dat is de voormalige Franse ambassade», vertelt kapitein Remy van Strien, onder wiens leiding we een tocht maken door het Nederlandse deel van de bufferzone. Hij wijst op een groot gebouw dat ooit prachtig moet zijn geweest. «Tot voor kort kwam er regelmatig iemand van de Franse overheid kijken hoe het er bijlag. Maar sinds bij zo'n inspectie iemand door de vloer is gezakt, hebben we ze niet meer gezien.» Op de Franse ambassade zit nog een dak, maar de meeste andere panden in deze buitenwijk van Nicosia bestaan uit holle ruïnes. De ooit verzorgde tuinen zijn verwilderd. Het asfalt van de oprijlanen is in brokken uiteen gevallen. Van Strien: «Een deel van dit gebied is nu echt gevaarlijk, vanwege acuut instortingsgevaar. In een gebouw hier vlakbij is onlangs de laatste vloer naar beneden gestort. De vraag is nu alleen nog hoe lang de muren het houden. Die instortende gebouwen vormen voor ons een extra probleem. Wij mogen hier volgens het handvest namelijk niets veranderen zonder toestemming van beide partijen. Dus zelfs voor het opruimen van een bouwval die op de weg dreigt te vallen, moeten wij de Turkse en de Griekse autoriteiten om toestemming vragen.»

Nederlandse soldaten patrouilleren nu nog tweemaal per dag op mountainbikes door deze verlaten straten van Nicosia. Van Strien: «Waar we vooral op moeten letten zijn de illegale activiteiten die plaatsvinden. Sinds 1974 zijn alle militaire posities van beide partijen precies vastgelegd. Zo staat precies aangeven hoeveel mensen er op welke post mogen zijn, en zelfs het aantal zandzakken of oliedrums waarmee een post is beveiligd is geregistreerd. Wat wij regelmatig meemaken is dat een van de twee partijen een verzoek indient om een militaire post te herstellen; dat mag volgens het akkoord. Maar wat niet mag, is dat bij die gelegenheid een post ook wordt versterkt. Dus dat ze in plaats van zes zandzakken plotseling tien zandzakken neerleggen. Daar zien wij heel streng op toe. Dat moet ook, want men probeert je voortdurend uit. Kijken hoe ver ze kunnen gaan. Vooral de Grieken hebben daar een handje van. Zij zijn ook veel agressiever dan de Turken. In hun jargon heet het Turkse deel van het eiland ook steevast ‹het bezette gebied›, terwijl de Turken het Griekse deel gewoon ‹de andere kant› noemen.» Zonder dat we erom hebben gevraagd legt de eigenaar van de fotowinkel in Gazi Maguza, het vroegere Famagusta op het Turkse deel van het eiland, ons uit hoe het volgens hem zit met die bezetting: «Er was sinds 1964 een overeenkomst tussen Engeland, Griekenland en Turkije over hoe Cyprus bestuurd moest worden. Het zou een federatie worden, met een Grieks Cyprioot aan het hoofd en een Turks Cypriotische vice-president. Het parlement zou verder voor tweederde uit Grieken en voor eenderde uit Turken gaan bestaan. Dat was een goede regeling die ook aan de Turkssprekende minderheid op het eiland voldoende vrijheid en veiligheid bood. Maar een deel van de Grieken bleef streven naar de Eneosis (de aansluiting bij het Griekse moederland). Voor hen telden de rechten van de Turkse minderheid niet. Onderdeel van hun tactiek was het vermoorden van Turken en het vernielen van Turkse eigendommen. In 1974 heeft deze groep, onder aanvoering van kolonel Samson, zelfs een staatsgreep gepleegd. Ecevit, die toen — net als nu weer — premier was van Turkije, is toen naar Londen gevlogen om aan de Engelse regering hulp te vragen. Maar die wilde men niet geven. Sterker nog, men steunde de Grieken. Toen besloot Turkije zelf in te grijpen om hun broeders op Cyprus te beschermen.»

Die bescherming vanuit Ankara wordt nog steeds heel serieus genomen. Op Turks Cyprus wemelt het van de Turkse militairen. Vooral in de omgeving van Lefkosa, zoals de Turken hun deel van Nicosia nu noemen, en van Gazi Magusa, zijn enorme legerbases ingericht. Overste Kruitwagen: «De Turken hebben een enorm militair overwicht, zowel qua materieel als qua manschappen. Als ze zouden willen, dan kunnen ze binnen drie dagen het hele eiland innemen.»

«Wij willen het eiland helemaal niet veroveren», zei Rauf Denktas, de president van de in 1983 uitgeroepen onafhankelijke republiek Turks Cyprus onlangs in een interview. «Wij willen alleen erkenning van onze rechten.» Over de aanwezigheid van het Turkse leger zegt hij in datzelfde interview: «Onze Turkse broeders zijn hier nog steeds nodig om ons te beschermen. Zolang er door de andere partij geen zekerheid gegeven wordt over onze status op dit eiland hebben we bescherming nodig. De geschiedenis heeft ons laten zien dat wij anders niet veilig zijn.»

Inmiddels wonen er op Grieks Cyprus geen Turkssprekenden meer. Op het Turkse deel wonen verspreid over een vijftal locaties nog ongeveer tweehonderd Griekse families. Die vallen volgens het in 1974 gesloten verdrag allemaal onder de verantwoordelijkheid van de VN. Dat betekent onder meer dat de VN hen van voedsel en medicamenten voorzien. Soldaat eerste klas Van Nuenen was onlangs voor het eerst mee op zo'n bevoorradingsexcursie. «Voor zover ik heb kunnen zien worden deze mensen door de Turken zeer goed behandeld. Er zijn zelfs een paar oudjes die midden in een Turks militair kamp wonen. Wij bevoorraden ze dan nog wel, maar de Turken zorgen feitelijk voor ze.» De ongeveer tachtig Grieken die onder de Nederlandse zorg vallen, wonen in twee dorpjes in de omgeving van de havenplaats Girne. De rest van de Grieken woont op het schiereiland Karpas in het uiterste noorden.

«Vóór 1974 woonden hier meer dan negenduizend Grieken», vertelt Andreas Annilas, de eigenaar van een groot koffiehuis midden in het centrum van Dipkarpaz, de hoofdstad van het noordelijke district Karpas. «Nu zijn dat er nog ongeveer tweehonderd. Mijn dochter woont nog hier. Wij spreken thuis onderling Grieks maar haar kinderen spreken meer Turks. Die gaan naar school en horen de hele dag Turks. Mijn zoon is vorig jaar vertrokken.»

Andreas beheerst zelf wel voldoende Turks om de Turkssprekende klanten te kunnen bedienen. Sommige van hen, zoals Ahmet Tüncer, zijn zelfs stamgast. Ahmet prefereert dit Griekse koffiehuis zelfs boven het door een Turk gerunde café aan de overkant van de straat. «De koffie is hier gewoon lekkerder en het is hier in de zomer veel koeler dan aan de overkant», is zijn eenvoudige commentaar. Hoewel men hier redelijk met elkaar lijkt om te gaan, is er op sociaal gebied echter een strikte scheiding tussen de Grieken en de Turken. Andreas: «We tolereren elkaar, maar daar houdt het wel mee op. Ik zal een voorbeeld geven. Een paar jaar geleden was Dipkarpaz in rep en roer. Een Turkse jongen wilde met een Grieks meisje trouwen. Haar ouders stuurden haar toen onmiddellijk naar het Griekse deel. De jongen liet zich niet ontmoedigen en trok achter haar aan. De Grieken hebben hem echter geweigerd. Hij werd de grens over gezet. Om de zaak nog erger te maken, werd hij daarna door de Turkse veiligheidsdienst nog drie weken gevangen gehouden, verdacht van spionage. Nee, de Grieken en de Turken mengen hier niet. We proberen zo goed mogelijk naast elkaar te leven. Maar uiteindelijk zullen wij als Grieken hier het onderspit delven. Dit deel van het eiland is Turks en daar zal iedereen mee moeten leven.»

Majoor Buimer, de Nederlandse militaire vertegenwoordiger op Cyprus, denkt ook dat een multiculturele samenleving waarin Turken en Grieken echt samenleven nog lang niet gerealiseerd kan worden. Een terugkeer naar een eiland onder één bestuur lijkt hem dan ook geen reële optie. Buimer: «Ik geloof dat iedereen eigenlijk diep in zijn hart wel tevreden is met de status quo, hoewel het officiële streven, zowel van Turkse als van Griekse kant, nog wel is gericht op een hereniging van het eiland. Voor de handhaving daarvan is de VN-legermacht voorlopig onontbeerlijk. Want er zijn aan beide kanten nog genoeg heethoofden die voor incidenten kunnen zorgen. Voor je het weet escaleert het hier. Ik denk dan ook dat de VN nog wel een aantal jaren aanwezig zullen zijn. Wie weet zal Nederland nog weleens deelnemen aan de VN-missie. Voorlopig zit het er voor ons echter bijna op. We hebben het, al zeg ik het zelf, goed gedaan. Er heerst hier nog steeds vrede. En daar kwamen we per slot van rekening voor.»