De vergeten papoea’s

DE INDONESISCHE regering van B.J. Habibie weigert op dit moment een werkgroep van de Verenigde Naties toe te laten die onderzoek wil doen naar het willekeurig gevangennemen van mensen op Irian Jaya. In die provincie, de grootste, rijkste en meest verafgelegen van Indonesië, gaat het schenden van mensenrechten, het neerschieten van ongewapende inheemse mensen en zelfs het bombarderen van hele dorpen door het Indonesische leger voort zonder dat iemand er zich om bekommert.

Het Amerikaanse mijnbouwbedrijf Freeport McMoRan Gold & Copper opereert op de zuidelijke hellingen van het centrale gebied, samen met het Indonesische leger. Aan belastingen en andere afdrachten betaalde het bedrijf de laatste vijf jaar ruim twee miljoen dollar op jaarbasis. 34 jaar lang profiteerde Freeport enorm van de directe band die ze hadden met voormalig president Soeharto. Maar nu vormen de beweging voor democratie op het eiland en de OPM-afscheidingsbeweging van inheemse West-Papoea’s een bedreiging voor de inkomsten van de gouddelvers. Aan het vreugdevertoon van de Papoea’s na het aftreden van Soeharto kwam snel een einde. Hun hoop dat er enige verbetering zou optreden op het gebied van de mensenrechten smoorde in het neerschieten en de arrestatie van honderden mensen door het leger. Vorige maand werd ambtenaar Filep Karma (42) veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf omdat hij een van de tweehonderd mensen was die in Biak op de gemeentelijke watertoren de Papoea-vlag hesen. In Watema, in de hooglanden, werden Izack Windesi en zeven anderen, nadat ze op vredige wijze uiting hadden gegeven aan hun politieke ideeën, beschuldigd van ‘samenzwering en misdrijven tegen de staat’. Hen staat tien jaar gevangenisstraf te wachten. Dr. Markus Schmidt, secretaris van de werkgroep van de Verenigde Naties, zei: 'Helaas hebben de autoriteiten de verzoeken van de werkgroep afgewezen. Dat betekent dat er op korte of middellange termijn geen inspecties op Irian Jaya zullen plaatsvinden.’ De VN-groep was tot 13 februari op Oost-Timor. Dr. Schmidt voegde eraan toe dat hij 'geheel op de hoogte was van de situatie op Irian Jaya’. DE WREEDHEDEN van het Indonesische leger op Irian Jaya zijn aan de internationale aandacht ontsnapt en ontkwamen aan veroordeling door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan. Markus Schmidt: 'De secretaris-generaal, die een partij is in de onderhandelingen op Oost-Timor (die op dit moment worden gevoerd tussen Indonesië en Portugal - gp), wil op dit moment zijn invloed niet aanwenden om de werkgroep toegang te helpen verkrijgen tot Irian Jaya.’ Deze verklaring is het zoveelste document in het droevig stemmende dossier van de Verenigde Naties over dit grootste tropische eiland van het westelijk halfrond, dat ooit Nederlands Nieuw-Guinea heette. De Nederlanders hadden voor de Tweede Wereldoorlog slechts vijf procent van deze 'kolonie’ in hun macht. In de jaren vijftig deed men hardnekkige pogingen om die magere Nederlandse aanwezigheid te vergroten (omdat Koninklijke Nederlandse Shell en Rockefellers Standard Oil al in de gaten hadden hoe groot het potentieel aan natuurlijke bronnen in het gebied was). Dat leidde er echter vooral toe dat Indonesië Irian Jaya alleen maar krachtiger claimde, aangezien het deel uitmaakte van het voormalige koloniale Oost-Indië. Wettelijke onafhankelijkheid van het gebied (voor 95 procent Papoeaans - het was Nederlands noch Indonesisch) werd ingesteld door secretaris-generaal van de Verenigde Naties Dag Hammarskjold. In 1961 wilde hij de strijd om het gebied beslechten door een Papoea-regering te vormen met participatie van de VN. Kort daarvoor werd hij echter vermoord in de Kongo. In 1963 sponsorden de Verenigde Naties moslim-troepen uit Pakistan (terwijl het eigenlijk een multinationale strijdkracht had moeten zijn) om toezicht te houden op de overdracht aan Indonesië. Als commentaar hierop vertelde VN-afgevaardigde Brian Urquhart mij dat de betreffende VN-dossiers op onverklaarbare wijze onvindbaar zijn geraakt. Zelfs nog voordat de Verenigde Naties zich in 1963 terugtrokken, begonnen Indonesische troepen Papoea’s te vermoorden en werden in het Australische parlement vragen gesteld over hoe de voorgestelde 'act of free choice’ in 1969 in hemelsnaam moest doorgaan. DE INDONESISCHE legerleider die Nederlands Nieuw-Guinea moest terugwinnen was generaal Soeharto. Zijn rol als geallieerde in de Koude Oorlog zorgde ervoor dat het stijgende aantal doden op Irian Jaya onopgemerkt bleef. Volgens bisschop Sowada, een Amerikaan die sinds de Nederlandse tijd op Irian is, is het totale sterftecijfer op Irian vergelijkbaar met dat op Oost-Timor. Terwijl men nu in Jakarta vecht voor democratie, doet men in Jayapura hetzelfde, 3700 kilometer naar het oosten. Toen president Habibie aan de macht kwam, in mei 1998, zagen veel Indonesiërs - én West-Papoea’s - democratie als het einde van drie decennia militair gezag. Vier dagen nadat Soeharto was afgezet, organiseerde de Indonesische Nationale Commissie voor de Mensenrechten een persconferentie in Jakarta, waar ze met bewijzen kwam van aanhoudende moordpartijen op Irian Jaya door het Indonesische leger. Verscheidene Papoea-woordvoerders riepen de Verenigde Naties op om in te grijpen. Onder auspiciën van christelijke missionarissen werd een lijst namen gepresenteerd: 126 Papoea-dorpsbewoners waren vermoord door het Indonesische leger in het gebied van Mapnduma, 150 kilometer ten oosten van de Freeport koper- en goudmijn, die Amerikaans eigendom is. Soldaten met automatische geweren waren door het gebied getrokken en hadden in den blinde op Papoea’s geschoten. Duizenden Papoea’s vluchtten de heuvels in om zich te verbergen. Indonesische vliegtuigen bombardeerden twee dorpen. Kerken in dertien dorpen brandden af en 166 huizen werden verwoest. De Indonesische bevelhebber ter plaatse was de schoonzoon van Soeharto, generaal Prabowo, die uit was op vergelding. EEN JAAR EERDER trok in datzelfde gebied de OPM de aandacht van de wereldmedia door een groep Britse, Nederlandse en Indonesische onderzoekers van het Wereld Natuur Fonds te ontvoeren. Enkele maanden lang was de OPM Indonesische troepen te slim af die beschikten over helikopters en hittezoekende apparatuur. De lokale Papoea-bevolking moest later boeten voor de vernedering van Prabowo, waarvoor hij in feite voor een internationaal tribunaal zou moeten verschijnen. Indonesische troepen vernietigden zelfs groentetuinen, om nog meer honger te veroorzaken in een gebied dat al danig was getroffen door droogte. Op datzelfde moment was personeel van de Australische defensie in de hooglanden vlakbij voedsel aan het distribueren. Van een prioriteitenlijst van gebieden in het equatoriale gebied die leden onder de droogte, van Papoea Nieuw-Guinea tot Sumatra, was Irian Jaya er het slechtst aan toe. West-Papoea’s voerden de lijst aan. Een woordvoerder van de ADF (Australian Defence Force) die werd geïnterviewd op Radio National wist echter te vertellen dat officials in Canberra die ADF-prioriteitenlijst wijzigden en de West-Papoea’s onderaan zetten. Na zes maanden schoot het aantal doden omhoog. Er kwam enige hulp met de aankondiging van de Australische minister van Buitenlandse Zaken Downer op 25 november 1997 dat op Irian Jaya voor '400.000 mensen de hongerdood dreigt’. Om te vermijden dat ze verder worden beschuldigd van het opzettelijk uitmoorden van inheemse volken - wat Indonesische legerpolitiek is op Irian Jaya, als ondersteuning van de massale exploitatie van de natuurlijke grondstoffen in dat gebied - zou Canberra moeten ophelderen op wiens verzoek de Australische humanitaire hulp acht maanden werd vertraagd. TOEN FERENC MAYER, van het Internationale Rode Kruis, in maart 1998 terugkeerde uit Irian Jaya, meldde hij dat er 'veel meer dan duizend doden, absoluut veel meer’ waren. De ADF bracht zes maanden door op de oostelijke helft van het eiland, Papoea Nieuw-Guinea, maar waren mensen en materiaal echt zo schaars dat hulp aan de West-Papoea’s acht maanden lang moest worden uitgesteld? Toen ADF-medewerkers in uniform verschenen, waren er Papoea’s die op de vlucht sloegen omdat ze kort daarvoor hadden meegemaakt hoe Indonesiërs vanuit de lucht arriveerden, eveneens in uniform, maar voorzien van vurende geweren in plaats van voedsel. Minister Downer heeft ook de aandacht gevestigd op andere 'bandietenbenden’ binnen het Indonesische leger. Op 6 juli 1998 vond er een bloedbad plaats op het eiland Biak. Enkele honderden Papoea’s namen deel aan een feestelijke ceremonie, die zou worden veroordeeld door generaal Wiranto, chefstaf van het leger en minister van Defensie. Op de plek waar de Papoea’s hun vlag hesen, werden tegen de dertig mensen gedood door automatische geweren. Vervolgens werden alle huizen doorzocht. Veel bewoners werden eerst gemarteld en ten slotte doodgeschoten. Volgens een afvaardiging van de Indonesische Raad van Kerken die naar Biak werd gestuurd om onderzoek te doen, werden 140 mensen - mannen, vrouwen en kinderen - later uit hun cellen gehaald en uiteindelijk op zee vermoord. Samengepakt op oorlogsschepen van de marine werden ze afgevoerd tot ze buiten zicht waren. Op open zee werden ze afgeslacht en overboord gegooid. Toen de Australische minister van Buitenlandse Zaken Downer over het bloedbad op Biak sprak, zei hij dat het dodental onder de Papoea’s vijf bedroeg. In werkelijkheid lag het dichter bij de tweehonderd. DE NATIONALE Commissie voor de Mensenrechten heeft afzonderlijk vastgesteld dat de levensstandaard van de West-Papoea’s niet is gestegen sinds Indonesië drie decennia geleden de macht over het gebied kreeg. Dat kan niet worden gezegd van de president-directeur van Freeport, Jim Bob Moffett, wiens jaarinkomen inmiddels boven de 44 miljoen dollar ligt. De naam van Rockefeller was onder de oprichters van de Freeport-goudmijn. Net als admiraal Arleigh Burke, een vooraanstaand lid van de inlichtingendienst van de Verenigde Staten, en nu ook Henry Kissinger. De Indonesische minister van Mijnbouw en Energie Kuntoro Mangkusubroto is op dit moment opnieuw aan het onderhandelen over de baten van Freeport omdat president Habibie heeft toegezegd er persoonlijk op toe te zien dat de productie van de mijn substantieel zal toenemen, met een nog hogere goudopbrengst dan eerder al werd aangekondigd. Het is niet erg waarschijnlijk dat de West-Papoea’s hier voordeel van zullen ondervinden. Niet zolang ze bij voortduring in hun bestaan worden bedreigd door het Indonesische leger. Greg Poulgrain is Indonesië-watcher te Australië en auteur van het boek Genesis of Konfrontasi (Crawford/Hurst) Vertaling: Rob van Erkelens