Portugal dertig jaar na de Anjerrevolutie

De vergeten revolutie

Op 25 april 1974 kwam er in Portugal met een militaire staatsgreep een einde aan bijna een halve eeuw fascistische dictatuur. Dertig jaar later blijkt de Anjerrevolutie niet de dromen van toen te hebben vervuld.

LISSABON — «25 de abril é evolução», 25 april is evolutie, is de slagzin van de campagne van de Portugese overheid om de bevolking te mobiliseren voor de herdenking van de Anjerrevolutie van 25 april 1974. Overal in Lissabon hangen grote affiches met deze slogan. Maar lang niet iedereen is gecharmeerd. «Ze hebben de r uit de revolutie gestolen», schrijft Manuel Alegre in zijn gedicht 30 anos depois (30 jaar later), dat werd geplaatst op de voorpagina van de Portugese uitgave van Le Monde Diplomatique. Met zijn sonore baritonstem droeg Alegre, al dertig jaar parlementariër namens de Partido Socialista, het hekeldicht voor tijdens een herdenkingsplechtigheid bij de Sociedade Portuguesa de Autores (SPA) in Lissabon. Hij oogstte groot applaus met het gedicht, waarin hij de angst uitspreekt dat straks ook de d van democratie sneuvelt en de l van liberdade.

«25 april was een revolutie, geen evolutie», licht de schrijver uit Coimbra toe tegenover De Groene Amsterdammer. «Maar de huidige rechtse regering ziet dat liever niet. De bittere ironie van deze campagne is dat Marcello Caetano, de laatste Portugese dictator, die door de Anjerrevolutie ten val kwam, zijn politieke programma ook altijd als evolutie omschreef. De 25ste april wordt dus herdacht met een slogan van de laatste fascistische leider van de Estado Novo. Natuurlijk stelt mij dat diep teleur.»

Manuel Alegre geldt als het linkse geweten van Portugal. In 1961, 25 jaar oud, raakte hij als dienstplichtig militair in Angola betrokken bij het verzet tegen dictator Salazar en zijn oorlog tegen de vrijheidsstrijders in Portugees Afrika. In 1964, een jaar na de moord door de Portugese geheime dienst Pide op verzetsleider Humberto Delgado, vluchtte Alegre naar Algerije, waar hij omroeper werd van de verboden Portugese oppositiezender Rádio Voz de Liberdade (Stem van de vrijheid). Zijn werk was in Portugal verboden literatuur. Alegre schreef onder meer de tekst voor het lied Os vampiros (De vampiers), waarmee protestzanger José Afonso zich in 1968 de woede van het regime op de hals haalde. Tegenwoordig schrijft het eerste Portugese erelid van de Raad van Europa met groot succes romans. Tevens staat hij bekend om zijn harde kritiek op de huidige centrum-rechtse regering van Portugal en de steun die deze gaf aan de oorlog van Amerika en Engeland tegen Irak.

Manuel Alegre: «Op 25 april 1974 was ik nog in ballingschap. Maar de extase en de euforie die ik enkele dagen later bij mijn terugkomst in Portugal aantrof zal ik nooit van mijn leven vergeten. De verwachtingen omtrent de toekomst die de revolutie zou brengen waren hooggespannen: dekolonisatie, democratie en developção (ontwikkeling), dat waren de drie d’s van de Anjerrevolutie. De dekolonisatie is geslaagd — Angola, Mozambique, Guinee-Bissau, São Tomé en de Kaapverdische eilanden werden onafhankelijke landen. Maar wat de democratie en de ontwikkeling van de Portugese samenleving betreft zijn de grote verwachtingen van toen zeker niet ingelost. Anno 2004 beleven we juist een dieptepunt. Portugal is verwikkeld in een illegale oorlog in Irak en Afghanistan en laat net als de meeste Europese landen de oren hangen naar de Verenigde Staten. Het politieke besef is hier net als in de rest van West-Europa zeer pover. Er is apathie, een gebrek aan participatie, vooral bij de jeugd, terwijl het land economisch is onderworpen aan een neoliberale politiek die alleen ten goede komt aan de grote multinationals. Twintig procent van de Portugese bevolking leeft op de armoedegrens en de samenleving zit verlamd in een economische en mentale depressie. Dit is niet het land waar we dertig jaar geleden van droomden.»

De moderne geschiedenis van Portugal is bezaaid met staatsgrepen en coups. Het land laat zich van oudsher moeilijk regeren. «Dit volk regeert niet en laat zich niet regeren», waarschuwden de Romeinen al over de Lusitaniërs, en dat is sindsdien niet veranderd. In 1910 worden in Lissabon koning Dom Carlos I en kroonprins Dom Filipe vermoord. Portugal verandert van monarchie in republiek, met als eerste president Bernardo Machado, leider van de Partido Republicano, als grootmeester in de orde van de vrijmetselaars een gezworen vijand van het Vaticaan. De voorheen onaantastbare machtspositie van de kerk wordt van alle kanten ondergraven. In de nacht van 5 op 6 december 1917 pleegt majoor-luitenant Sidónio Pais met vijftienhonderd man aan troepen een militaire staatsgreep om dit goddeloze geweld tegen te gaan. Op het plein Marques de Pombal in Lissabon komt het tot bloedige gevechten met de regeringsgetrouwe troepen. Pais roept een «junta van nationale redding» uit. De monarchisten hopen dat Pais zal zorgen voor het herstel van de «absolute monarchie». De kardinalen halen opgelucht adem vanwege de «normalisering van de betrekkingen met de kerk» die Pais in het vooruitzicht stelt, maar op 5 december 1918 wordt Pais vermoord door een ex-sergeant van het leger, die zich door hem verraden voelt. Bij zijn begrafenis in Lissabon doen zich hysterische taferelen voor.

In mei 1926 volgt weer een staatsgreep tegen de republikeinse regering. Dit keer lanceert generaal Gomes da Costa vanuit Braga, de hoofdstad van de conservatieve Minho in het noorden, een militaire machtsovername. Met zijn troepen marcheert de veteraan van vele oorlogen in Afrika naar Lissabon, waar hij een triomfale intocht per paard maakt. Gomes da Costa benoemt zichzelf tot premier en president, maar wordt een maand later al weer zelf het slachtoffer van een staatsgreep onder leiding van generaal Oscar Carmona. Een regering met dictatoriale volmachten treedt aan, gevormd door conservatieve katholieken, monarchis ten en fascisten. De junta belooft paal en perk te stellen aan de anarchie en de economie op orde te brengen.

In 1928 treedt Antonio de Oliveira Salazar uit Coimbra aan als minister van Finan ciën. Snel wordt hij de machtigste man van het land. Salazar maakt het terugdringen van de staatsschuld tegen welke sociale prijs dan ook zijn eerste prioriteit. In twee jaar tijd weet de minister van Financiën met een keihard bezuinigingsbeleid de staatsschuld van 128 miljoen dollar af te lossen. Oud-seminarist Salazar laat zich kennen als een sterke man, de rechtmatige opvolger van Sidónio Pais. «Deus, Patria e Família», is zijn slagzin: God, Vaderland en Familie. Herstel van katholieke waar den is het doel.

In 1932 roept Salazar de Estado Novo, de Nieuwe Staat, uit, een éénpartijstaat op corporatistische leest met Salazar als chef van de regering en maarschalk Oscar Carmona als president. Salazar is naast minister-president ook belast met buitenlandse zaken, oorlog en de overzeese gebiedsdelen. Zijn partij União Nacional, Nationale Eenheid, is de overkoepelende partij van de gehele staat, de rest van het politieke spectrum wordt geacht daarin op te gaan. Het parlement komt twee keer per jaar drie maanden bijeen om de decreten van Salazar te beapplaudisseren. Censuur en repressie gaan hand in hand met een fundamentalis tisch soort katholicisme. Vakbonden worden net als politieke partijen ontbonden.

Mussolini’s Italië is het grote voorbeeld. Salazar komt met eigen fascistisch geïnspireerde bewegingen. De Mocidade Portuguesa, de Portugese Jeugd, is gemodelleerd naar de Hitler Jugend. Daarnaast zijn er de vechtjassen van het Legião Portuguesa, een paramilitaire beweging die vooral is gericht op het bestrijden van Salazars grootste obsessie, het communisme. In beide bewegingen is de fascistengroet verplicht. Salazar zelf wacht tot 1938 voor hij voor het eerst in het openbaar de «Romeinse groet» brengt. In korte tijd raakt de geheven rechterhand ingeburgerd onder geestelijken, leraren, militairen, politieagenten, zelfs op het voetbalveld.

Zeer gevreesd is de Polícia de Vigilância e Defesa do Estado (PVDE, later Pide), de door Salazar in het leven geroepen politieke politie wier martelkamers onder deskundige begeleiding van adviseurs van de Duitse Gestapo worden uitgerust. Politieke tegenstanders bezwijken bij tientallen aan de martelpraktijken. De strafkolonie van Tarrafal, op de Kaapverdische eilanden, wordt het graf van vele politieke tegenstanders. De PVDE slaagt er met een uitgebreid verklik kersnetwerk — waaronder veel paters die het biechtgeheim niet zo nauw nemen — in een gevoel van permanente paranoia te creëren. Overal zijn de buffos, de verklikkers van de Pide. De muren hebben oren.

Portugal, zo is de boodschap van Salazar, is nog steeds een wereldmacht, met koloniën in Afrika en Azië, en hoeft voor geen enkele grootmacht te buigen. Behoud van de portugalilade, de eigenheid van de Portugese cultuur, staat voorop. Het Grote Portugese Rijk heeft aan zichzelf genoeg. «Orgulhosamente sós» (Trots alleen) is een leuze van Salazar voor de bestemming van de Portugezen. Het Portugese volk is in de ogen van de dictator «een uitverkoren ras», uitverkoren om de goddelijke boodschap van het ware roomse geloof naar de Afrikaanse heidenen te brengen. In de ogen van de aartsverlegen dictator, die een weerzin heeft tegen openbare redevoeringen en het liefst als een kluizenaar leeft op het platteland, zijn de Portugezen wel behept met gebreken waaraan hij door collectieve heropvoeding een einde wil maken, zoals «excessieve sentimentaliteit, een weerzin tegen discipline en individualisme tot op het bot».

Tijdens de Tweede Wereldoorlog is Portugal formeel neutraal, maar Salazars sympathie ligt bij de Duitsers, aan wie hij grote partijen graan levert, en vooral wolfraam, het zeldzame metaal dat nodig is bij de productie van nieuw wapenarsenaal voor de Wehrmacht. In ruil voor de leveranties krijgt Portugal tonnen goud van Duitsland. Tussen 1939 en 1944 vervijfvoudigt de goudvoorraad van de Nationale Portugese Bank. De waarde van de geheime, vaak per Zwitserse Rode Kruis-wagens of Portugese vissers boten uitgevoerde transporten wordt tegenwoordig geschat op vijfhonderd miljoen dollar. De heilige moederkerk profiteert mee: decennia later, in de jaren zeventig, ontdekt een medewerker van een Portugese bank nazi-stempels op de goudstaven die de kerkelijke autoriteiten hebben ingeleverd ter financiering van nieuwe bouwwerken in het bedevaartsoord Fátima. Het zou vooral gaan om van Nederlandse joden geroofd goud.

Tijdens de oorlog fungeert Portugal voor duizenden joden die aan de nazi’s weten te ontkomen als doorgangsoord naar de Ver enigde Staten, maar als de Portugese consul in Bordeaux Aristides Sousa Mendes in 1940 zonder toestemming van het regime dertigduizend visa uitschrijft aan met name joodse vluchtelingen, wordt hij oneervol uit diplomatieke dienst gezet, om aan de bedelstaf te raken en te bezwijken. In 1943, als duidelijk wordt dat Hitlers invasie van de Sovjet-Unie is mislukt, geeft de dictator toestemming aan de geallieerden om de strategisch uiterst vitale Portugese Azoren-eilanden te gebruiken als militaire basis, maar bij het bekend worden van de dood van Hitler gaan de vlaggen van de Portugese overheidsinstellingen wel halfstok — uiteindelijk is «een bevriend staatshoofd» heengegaan.

Tegen het einde van de oorlog lijkt het gedaan met de almacht van Salazar. De dictator voelt de bui hangen en belooft vrije verkiezingen. Wanneer echter blijkt dat de Verenigde Staten in het kader van de nieuwe Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie geen problemen hebben met de twee dictators op het Iberisch Schiereiland worden alle aangekondigde staatkundige vernieuwingen weer ongedaan gemaakt. De fascistengroet blijft ook in het naoorlogse Portugal verplicht: op de scholen moeten de leerlingen hem brengen, tijdens het zingen van het volkslied. Dat zal zo blijven tot 25 april 1974.

Het einde van de Estado Novo begint in Afrika. In 1961 voert de Angolese bevrijdingsbeweging MPLA een aanval uit op de gevangenis van Luanda. De opstand slaat snel over naar het eveneens in Portugese handen verkerende Mozambique en Guinee-Bissau. Salazar slaat hard terug. De «terroristen» in Afrika kunnen in zijn woorden kiezen tussen «onvoorwaardelijke overgave of totale vernietiging». In november 1961 vertrekt het eerste bataljon Portugese commando’s naar Angola. «Ik wil slechts soldaten en mariniers zien die hebben gewonnen of die zijn gestorven», houdt de dictator zijn troepen voor. Het is het begin van een oorlog die dertien jaar zal duren. Het Angolese bevrijdingsleger MPLA sluit een akkoord met Humbert Delgado, een gewezen generaal van Salazar die vanuit het Algerije van Ben Bella een opstand probeert te organiseren tegen de fascistische machthebbers in zowel Spanje als Portugal.

Vanuit het Portugese leger komt er al snel verzet op gang tegen de koloniale oorlogen. In 1961 schrijft luitenant Henrique Galvão, een geestverwant van Delgado, geschiedenis als hij samen met twaalf Portugezen en elf Spanjaarden in naam van Delgado’s Iberische Bevrijdingsfront — de Directório Revolucionário Ibérico de Libertação — in de Caribische wateren overgaat tot kaping van het Portugese cruiseschip Santa María, dat voor de gelegenheid wordt omgedoopt tot Santa Liberdade. Galvão’s «piraten van de vrijheid» protesteren tegen de koloniale oorlogen in Afrika. Voor het oog van de wereldpers drijft de Santa María twee weken op de oceaan, terwijl de rebellen feestvieren met de zeshonderd passagier-gijzelaars. Galvão’s piraten krijgen asiel in Brazilië, waar ze door een opgetogen Delgado worden verwelkomd. «Operatie Dulcineia» is de eerste kapingsactie uit de moderne geschiedenis en krijgt enorme publiciteit.

Eind 1961 laat Humberto Delgado weer van zich horen als hij zich aan het hoofd stelt van een militaire coup in Beja, in het zuiden van Portugal. De poging mislukt: het Portugese verzet tegen Salazar is hopeloos verdeeld. De communisten onder leiding van Álvaro Cunhal zijn minstens even fel gebeten op Salazar als op Delgado, die ze vanwege zijn vermeende sympathie voor de VS voor «generaal Coca-Cola» uitmaken. In 1965 loopt Delgado in Spanje, in de veronderstelling dat hij mensen van het Portugese verzet kan spreken, in een hinderlaag van de Pide. Op 24 april wordt zijn onherkenbaar verminkte lijk samen met dat van zijn Braziliaanse secretaresse gevonden in Villanueva del Fresno, in het Spaanse Andalusië, dichtbij de Portugese grens. Salazar wast zijn handen in on schuld en zegt dat het gaat om een Spaanse affaire.

In 1970 sterft Salazar, na twee jaar in coma te hebben gelegen na een val van zijn stoel. Marcello Caetano, de voormalige chef van de Mocidade Portuguesa, volgt hem op. De druk vanuit het leger om met een alternatief voor de heilloze oorlogen in Afrika te komen is groot. Na de publicatie van het boek Portugal e o futuro (Portugal en de toekomst), waarin de opperbevelhebber van het leger, generaal Antonio de Spínola, kritiek levert op de voortzetting van de koloniale oorlogen en pleit voor een Portugese statenfederatie in Afrika, weet ook Caetano dat «de staatsgreep onvermijdelijk zou zijn», zoals hij later in zijn memoires bericht.

In mei 1973 vinden in Guinee in Afrika de eerste bijeenkomsten van verontruste officieren plaats. Deze vergaderingen zullen later uitgroeien tot de Beweging van de Kapiteins, die besluit per staatsgreep een einde te maken aan de Estado Novo. De kapiteins bereiden een coup voor met kapitein Otelo Saraiva de Carvalho als het brein achter de opstand en kapitein Fernando Salgueiro Maia als verantwoordelijke voor de uitvoering.

Ook Vasco Lourenço, tegenwoordig voorzitter van de herdenkingorganisatie Associação 25 de Abril in Lissabon, was bij het complot van de kapiteins betrokken. «In feite was de Anjerrevolutie mogelijk vanwege de kennis die we als militairen hadden opgedaan bij de oorlogen in Afrika», vertelt hij aan De Groene Amsterdammer. «Zelf vocht ik in de jaren zestig als beroepsmilitair in Guinee. Mij werden de ogen voor de illegitimi teit van de oorlog geopend door een incident met een ondergeschikte dat mij zeer aangreep. Het betrof een verbindingsofficier van mij die in Guinee geboren was. Zijn naam was Boni. Ik heb hem aan mijn zijde zien sterven nadat we in een hinderlaag van de rebellen waren gelopen en hij werd neergeschoten. Kort na zijn dood ontdekte ik dat Boni deel had uitgemaakt van een inlichtingennetwerk van de tegenstander. Hij had voor de rebellen bij ons gespioneerd. Zo had hij de inlichtingen verschaft over troepen bewegingen, informatie die hemzelf uiteindelijk fataal was geworden. In feite was hij dus bereid geweest zijn eigen leven op te offeren voor de strijd van zijn volk. Voor mij was dat een moment van ommekeer. Ik realiseerde me dat mensen die bereid zijn zich op te offeren in feite onoverwinnelijk zijn. En dat hun vrijheidsstrijd gerechtvaardigd was. Vanaf dat moment geloofde ik niet meer in de oorlog.»

Samen met zijn medekapiteins zette Vasco Lourenço zich aan de logistieke voorbereiding van de revolutie, vertelt hij. Een maand voor de staatsgreep kreeg hij onverwacht van de legerleiding een order om te vertrekken naar de Azoren. Vasco Lourenço: «Dat was een forse kink in de kabel. Mijn aanwezigheid op het Portugese continent was zeer gewenst om de coup verder voor te bereiden. Ik zette een ontvoering van mezelf in scène om te voorkomen dat ik naar de Azoren moest. Maar als gevolg daarvan werd het leger in grote staat van paraatheid gebracht, hetgeen de voorbereidingen van de coup niet ten goede kwam. Uiteindelijk heb ik me dus weer gemeld bij mijn meerderen, en was ik op de Azoren toen de 25ste april kwam. Wat volgde, waren de gelukkigste dagen van mijn leven.»

Lissabon, 25 april 1974, 09.00 uur: opstandige, met tanks en mitrailleurs bewapende eenheden van het Portugese leger staan op het Praça do Comércio tegenover regeringsgetrouwe troepen onder leiding van brigadegeneraal Junqueira dos Reis. De commandant van de opstandige soldaten, kapitein Fernando Salgueiro Maia, loopt samen met zijn luitenant Alfredo Correia Assunção naar Reis toe om te onderhandelen. Reis voelt daar echter niets voor en eist op luide toon de overgave van de rebellen. Het slagen van de couppoging hangt af van dit ene kritieke moment. Rustig deelt Assunção de gezags getrouwe troepen mee dat verscheidene ministeries, waaronder dat van Defensie, al in handen zijn gevallen van de rebellen en dat verder verzet nutteloos is. Reis weigert zich echter over te geven en geeft zijn troepen het bevel Assunção en Salgueiro Maia — met witte vlag — neer te schieten. De vaandrig die de order moet uitvoeren, weigert, en met hem zijn manschappen. De revolutie lijkt gered.

Salgueiro Maia heeft een handgranaat in zijn zak, klaar om zichzelf en zijn tegenstanders op te blazen. «In een crisissituatie valt sterven te verkiezen boven terugdeinzen, er was geen weg meer terug. Als ik het zou overleven, zou mijn leven een hel worden. En mijn gezin zou ook zwaar onder de gevolgen lijden. Mijn dood zou misschien een martelaar van mij maken, wat mogelijk later nog zijn vruchten zou kunnen afwerpen», aldus Salgueiro Maia in een ongepubliceerd interview uit 1991, een jaar voor zijn dood.

Ondertussen verschijnen de kranten die — voor de eerste keer in decennia zonder censuur — verhalen publiceren over de staatsgreep die gaande is. De mensen in de straat omhelzen elkaar en huilen van vreugde. De soldaten worden onthaald op eten en drinken. De bloemenmeisjes van Lissabon steken anjers in de geweerlopen van de opstandige soldaten. De revolutie krijgt een naam: de Anjerrevolutie. Nog dezelfde dag stoot Salgueiro Maia met zijn manschappen door naar de kazerne op het Carmo — een plein in de bovenstad van Lissabon — waar Marcello Caetano, de opvolger van de in 1970 overleden dictator Antonio de Salazar, zich in een kazerne heeft verscholen, samen met zijn getrouwen. Het volk heeft bezit genomen van het plein. Salgueiro Maia wil onderhandelen en wordt toegelaten tot Caetano. Hij treft er een surrealistisch schouwspel aan: «Ik hoorde, terwijl het volk buiten nog een keer het volkslied aanhief, een vreemd geluid, als van een huilend kind: het waren minister Moreira Baptista en Rui Patrício die leden aan aanvallen van hysterie en huilden als twee kinderen. Ze stonken naar angstzweet. De eerste minister was de enige aanwezige die een zekere waardigheid bewaarde. Hij zag bleek, hij moest geschoren worden, zijn das hing op half elf.»

Salgueiro Maia vraagt Caetano zich onvoorwaardelijk over te geven. Caetano ziet in dat verder verzet geen zin meer heeft: «Ik weet al dat ik niet meer regeer. Ik verwacht alleen dat jullie mij met dezelfde waardigheid zullen behandelen als waarmee ik altijd heb geleefd.» Om half acht ’s avonds geeft Caetano zich over aan generaal Spínola, de man die hij een maand eerder nog van zijn post als opperbevelhebber had ontheven. In een gepantserde tank worden de president en zijn minister afgevoerd naar het vliegveld, vanwaar ze worden overgevlogen naar Madeira, om later als ballingen naar Brazilië te vertrekken. De Estado Novo gaat binnen een dag ten onder, met een minimum aan bloedvergieten. Tijdens de revolutie vallen vier doden in Lissabon, als het volk het gebouw van de gehate Pide bestormt en vanuit het raam wordt beschoten.

In Afrika leggen de Portugese troepen direct de wapens neer. Snel volgt de onafhankelijkheid van Angola, Mozambique, Guinee-Bissau, de Kaapverdische eilanden, São Tomé e Príncipe en Oost-Timor. Het federatiemodel waar Spínola voor heeft geijverd krijgt geen kans, reden waarom de generaal zich het volgende jaar in Braziliaanse ballingschap begeeft. Een jaar van woelingen tussen de diverse revolutionaire facties volgt. De VS zijn bevreesd voor een machtsovername van de Portugese Communistische Partij (PCP). De zomer van 1975 staat bekend als de «hete zomer», met bomaanslagen op partijkantoren van de PCP georganiseerd door geheime commando’s waar de kerkleiding contacten mee heeft. Trotskisten, marxisten, maoïsten en anarchisten vechten onderling om de coördinatie van het revolutionaire proces. Held van de revolutie Otelo vindt het revolutionaire proces niet radicaal genoeg, gaat ondergronds en berooft banken om de strijd te continueren. Uiteindelijk grijpen meer gematigd gestemde militairen op 25 november 1975 in en worden de radicale krachten van de eerste regering na de dictatuur vervangen door de meer gematigde socialisten van Má rio Soares’ Partido Socialista. Onder zijn leiding komt Portugal in politiek stabieler vaarwater en wordt daar in 1986 voor beloond met het lidmaatschap van de Europese Unie.

Dertig jaar na de Anjerrevolutie krijgt dezelfde Soares veel kritiek vanuit het rechterkamp van de Portugese politiek, die vindt dat de dekolonisatie van Afrika veel te snel is uitgevoerd en daardoor heeft kunnen leiden tot bloedige burgeroorlogen in Angola, Guinee en Mozambique en tot het verlies van Oost-Timor aan Indonesië. Het saudadismo van Salazar — het verlangen naar de koloniale hoogtijjaren — lijkt nog steeds niet geheel uitgebannen. De huidige minister van Defensie Paulo Portas, leider van de rechtse Partido Popular, beschuldigde Soares zelfs van «criminele nalatigheid». De invloedrijke schrijver-journalist Miguel Sousa Tavares, die onlangs een zeer succesvolle roman schreef over de vroegere Portugese koloniale praktijken in Afrika — het boek Equador, in Nederland onlangs verschenen onder de titel Evenaar — ziet dit opvlammende debat over de dekolonisatie met verbaasde ogen aan. Sousa Tavares: «De realiteit van 1974 was dat de Portugese soldaten meteen de wapens neerlegden toen de revolutie een feit was. Ze sloten vriendschap met de lokale bevolking en weigerden ook nog maar een dag te vechten. Portugal had niets meer te zoeken in Afrika, en van enige vorm van onderhandelen over het vormen van een nieuwe Portugees-Afrikaanse federatie was dus geen sprake. Er was met andere woorden geen enkel ander scenario denkbaar dan onmiddellijke onafhankelijkheid van die landen. Portugal was ten onder gegaan aan die dertien jaren van koloniale oorlogen op drie fronten. Zelfs de Amerikanen in Vietnam dorsten zoiets niet aan. Het regime besteedde meer dan twintig procent van de begroting aan die oorlogen. Portugal was ten onder gegaan aan de krankzinnige koloniale grootheidswaan van Salazar, die zelf nota bene niet eens naar Madeira durfde te gaan. Er viel niets meer te onderhandelen; Portugal moest daar weg, onmiddellijk. Het is totale onzin om nu Soares verantwoordelijk te stellen voor de vele doden die vervolgens zijn gevallen in voormalig Portugees Afrika. Er was doodeenvoudig geen alternatief.»

Sousa Tavares zal 25 april 1974 nooit vergeten: «Het was de dag dat ik een televisie aanschafte. Tot dan was er door de censuur nooit een bal te zien op tv. Nu kon je echter live een revolutie volgen.» Zijn ouders waren verklaarde tegenstanders van de Estado Novo. Zijn moeder, de bekende dichteres Sophia de Mello Breyner, stond bekend om haar kritiek op Salazar en Caetano. Zijn vader, componist Francisco Sousa Tavares, was betrokken bij drie eerdere couppogingen tegen Salazar. Miguel Sousa Tavares: «Portugezen zijn over het algemeen lafbekken. Ze blaffen wel, maar ze bijten niet. Dat is de reden dat deze fascistoïde, achterlijke dictatuur hier bijna een halve eeuw heeft kunnen blijven zitten, een Europees record. 25 april 1974 was prachtig om mee te maken, want het betekende de vernietiging van dit alles. Voor mij persoonlijk betekende het vooral dat ik dus niet in militaire dienst naar Afrika moest. Ik was nog student, en had me vast voorgenomen naar het buitenland te vluchten als ik zou worden opgeroepen. Ik heb die dag dan ook tot in de kleine uurtjes feest gevierd met de soldaten in Lissabon. Maar de Anjerrevolutie eindigde toch in desillusie. Portugal is er niet wezenlijk door veranderd. Daar was het geen revolutie genoeg voor. Heel veel zaken bleven bij het oude. Niemand werd gestraft, iedereen mocht blijven zitten waar hij zat. Zelfs de beulen en martelspecialisten van de Pide gingen vrijuit. Dat was deels aan links te wijten. Ik zat als aankomend jurist direct na 25 april in een commissie die de misdaden van de Pide moest onderzoeken. Maar de meest sensitieve informatie bleek tijdens het onderzoek opeens verdwenen te zijn. Er waren sterke aanwijzingen dat die met een vrachtwagen was opgehaald door de Portugese Communistische Partij, die de documenten zou hebben ondergebracht bij de kameraden van de KGB in Moskou. Toen viel er verder weinig meer te onderzoeken.»

De citaten van kapitein Fernando Salgueiro Maia zijn afkomstig uit een nooit eerder gepubliceerd interview afgenomen in 1991 in het kader van een oral history-project van het Centro de Documen tação 25 de Abril da Universidade de Coimbra. Salgueiro Maia stierf in 1992 op 47-jarige leeftijd aan kanker

_______________________

De voorkennis van Luns

Voor enkele Nederlandse gezagsdragers kwam de Anjerrevolutie niet geheel onverwacht. De directeur van de Lissabonse scheepswerven — vriend van generaal Spínola — lichtte op de Bilderbergconferentie van 21 april 1974 in het Franse Megève de vertegenwoordigers van het mondiale grootkapitaal in over de naderende couppoging. Besloten werd de ontwikkelingen af te wachten met in het achterhoofd het idee dat een politieke omwenteling op den duur zou kunnen leiden tot een echte vrijemarkteconomie in het corporatief geleide Portugal. Prominente gast op deze editie van de Bilderbergconferentie — voorgezeten door prins Bernhard, met als gastheer Edmond de Rothschild — was secretaris-generaal van de Navo Joseph Luns. Deze had er in het verleden geen geheim van gemaakt dat hij het Portugal van Salazar — tenslotte ook een Navo-partner — steunde. Als minister van Buitenlandse Zaken stelde Luns in 1959, op instigatie van de Portugese ambassadeur, alles in het werk om oppositieleider Humberto Delgado buiten de deur te houden. De Nederlandse minister had goede contacten in Lissabon, overgehouden uit de tijd dat hij daar tijdens de Tweede Wereldoorlog diplomaat was. Toen het Luns niet lukte om Delgado de toegang tot Nederland te verbieden, nam hij zijn toevlucht tot het opleggen van een spreekverbod, dat echter op aandringen van de PvdA weer werd ingetrokken. Nog tot diep in de jaren zestig probeerde Luns elke activiteit van de Portugese oppositie in Nederland de kop in te drukken.

Ergens moet Luns hebben ingezien dat het steunen van een in zijn voegen krakend, totaal achterhaald, archaïsch bewind weinig zin meer had.

Ook Nederland werd geconfronteerd met het falen van de Portugese koloniale politiek: duizenden Portugese jongemannen zochten hun heil in Nederland om maar niet als dienstplichtig soldaat naar de koloniën gestuurd te worden. De harde lijn van de Portugese regering ondermijnde de stabiliteit van de Navo en speelde de wereldwijde verspreiding van het communisme in de kaart. Luns deed dan ook niets om zijn vrienden in Lissabon te waarschuwen voor de ophanden zijnde militaire opstand. De aanwezigheid van Luns op de Bilderbergconferentie heeft er waarschijnlijk zelfs aan bijgedragen dat de Navo besloot de ontwikkelingen maar eens af te wachten: toen de staatsgreep in volle gang was, stak een voor de kust van Lissabon liggend Navo-eskader geen vinger uit om Caetano te helpen.

De omwenteling in Portugal werd in Nederland met veel gejuich ontvangen. De publieke opinie was door de komst van de stroom politieke vluchtelingen en de berichtgeving in de Nederlandse media over de koloniale oorlogen in Afrika al verschoven ten gunste van de Portugese oppositie. De vluchtelingen stelden de Nederlandse regering echter wel voor een probleem; ze waren tenslotte afkomstig uit een bevriende natie, een Navo-bondgenoot zelfs. Om diplomatieke strubbelingen te vermijden — politieke vluchtelingen opnemen uit een bevriend Navo-land was onmogelijk — creëerde de regering de B-status waar door de gevluchte Portugezen op humani taire gronden asiel kregen.