De verkeerde postcode

De Nederlandse intellectuelen en schrijvers lijden aan microbenvrees. Je vindt ze niet gauw in een wijk die hemelsbreed tien, twaalf kilometer van het centrum van Amsterdam ligt.

Alleen maar nette mensen heeft heel wat ogen geopend in de betere buurten van Amsterdam. Wat een openbaring, al die vreemde culturen. Nee, natuurlijk wisten we dat er in de Bijlmer ook mensen woonden, maar we hadden geen idee… Ach, wat kennen we elkaar toch slecht. En o wat is de kloof tussen Oud-Zuid en Zuidoost toch ontzaglijk diep. En ach, er is ook nog ’s een kloof tussen Turken en Antillianen. En ai ai ai, Surinamers en Antillianen vliegen elkaar ook niet bepaald om de hals. En nogmaals, wat zijn onze werelden toch gescheiden, we weten absoluut niet hoe het er in die buurten echt toegaat. Gelukkig kunnen we weer rustig slapen nu iemands libido zijn rust heeft gevonden in het bewuste stadsdeel. De lacune is voorlopig gedicht, formeel althans.
Aan de andere kant. De metro tussen het CS en de Bijlmer rijdt al ruim dertig jaar. Bijgestaan door vriendelijke gvb-medewerkers trek je zo een ov-chipkaart uit de automaat en een kwartier later stap je uit in het centrum van Zuidoost. Hiervandaan kun je werkelijk alle kanten op. Markt, toko’s, eethuisjes, kerken, mensen tenslotte die best een woordje met je willen wisselen. Alle voorwaarden aanwezig om de buurt en zijn bewoners te leren kennen, van wie de meeste trouwens dezelfde taal spreken als de bewoners van Oud-Zuid. Niet dat ze je meteen in hun woon- en slaapkamers uitnodigen, maar met een beetje charme en geduld…
Ik vrees echter dat dit maar zelden gebeurt. Tenzij er een zoveelste onderzoekje komt, een politieke discussie, een cultureel evenement of een stuk in de krant. Iets zakelijks, kortom. Dan waagt een hoogopgeleide blanke burger voor wie de Galapagos-eilanden vaak minder geheimen hebben dan het stadsdeel met de verkeerde postcode, zich in de metro om na afloop met verbazing te constateren dat hij weer ongeschonden is thuisgekomen. Niet eens overvallen, beroofd of verkracht.
Is dat provinciaal? Nou en of! Is dat specifiek Nederlands? Niet per se. Is dat burgerlijk? Zeker. Is dat erg? Dat hangt er vanaf wanneer, en voor wie. In vette tijden kunnen we prima langs elkaar heen leven, maar als de magere, onzekere tijden aanbreken, dan is het toch verstandig om te weten wie je medeburgers zijn, al is het maar om niet in de ban te geraken van allerhande volksmenners die door angst te zaaien over andere bevolkingsgroepen vooral hun eigen macht willen vergroten.
Mensen die economisch of privé geen banden hebben in zo'n probleemwijk en de oplossing van ’s lands problemen elders zien dan in het wegsturen van alle slechte buitenlanders, mogen wat mij betreft rustig in hun eigen wijken blijven zitten. En mensen die ten prooi zijn gevallen aan de waanideeën over de andersdenkende medemens zijn over het algemeen niet zo geneigd om die medemens te leren kennen - waarom zouden ze, ze weten toch al van hun goeroes hoe die andersdenkende precies in elkaar zit - en blijven derhalve ook in hun doorgaans maagdelijk witte wijkjes zitten.
Maar er is een kleine bevolkingsgroep die verplicht is om de prachtwijken te frequenteren en zich er liefst in te vestigen. Dat zijn de intellectuelen en schrijvers. Waarom? Om de werkelijkheid onder ogen te zien die maar niet in hun prettige wijken en hun weldenkende hoofden wil doordringen, maar die langzaam maar zeker een steeds groter deel wordt van de veranderende wereld en die, als het goed is, door die schrijvers en intellectuelen evenredig in hun boeken en discours zou moeten worden betrokken, benoemd en onderzocht.
Dankzij een leger van professionals, werkzaam in de autochtone of allochtone probleemwijken, is er al heel wat kennis en expertise vergaard over die andere, rauwe werkelijkheid, die de afgelopen decennia het idyllische beeld van ons tolerante, pragmatische en gezellige landje zo ruw heeft verstoord. Maar niet iedere arts is Tsjechov, zoals niet iedere onderwijzer Theo Thijssen is, en datzelfde geldt voor politiemensen, verplegers, winkeliers of maatschappelijk werkers. Zij hebben natuurlijk ook wat anders aan hun hoofd, in zo'n achterstandswijk vol narigheid en sociale misstanden, dan hun bevindingen in een literaire vorm te gieten.
Schrijvers en intellectuelen kunnen dat. Ze hebben de gave om de processen te herkennen die buiten de protocollen, statistieken, rapporten en officiële verslagen vallen. Ze hebben de gave om verbanden te zien tussen ogenschijnlijk niet met elkaar verbonden verschijnselen. Ze hebben de gave om een gezicht en een stem te geven aan mensen die doorgaans niet zulke praters zijn. Ze hebben de gave om het rumoer van de tijd in de taal te vangen en aldus die oorverdovende kakofonie enigszins verstaanbaar te maken. Ze hebben kortom de gave om vlammende, geëngageerde romans en essays te schrijven, van licht progressief tot zwaar reactionair, en barstensvol straatrumoer, die zich hartstochtelijk mengen in het publieke debat.
Over de vorm hoeven de schrijvers zich geen zorgen te maken. Heeft Wittgenstein niet al eens gezegd dat ethiek en esthetiek twee kanten zijn van dezelfde medaille? Onder druk van die andere, rauwe werkelijkheid zullen de oude vertrouwde vormen steeds onzekerder worden. Een deel ervan zal overleven, maar een ander deel zal bezwijken onder het geweld van die nieuwe werkelijkheid, waardoor de schrijver gedwongen wordt op zoek te gaan naar een nieuwe vorm. Of hij deze ook daadwerkelijk vindt, is een kwestie van talent en werkdiscipline. ‘De schroomvalligheid van de vorm’ heet dit mechanisme dat destijds Dostojevski op een heel ander pad stuurde dan dat van de conventionele adellijke romans van Tolstoj en Toergenjev. Zo vond een nieuwe inhoud bij hem zijn vorm, en dat was precies die perfecte match die Dostojevski onderscheidt van zijn minder getalenteerde collega’s van de naturalistische school bij wie diezelfde inhoud nooit verder kwam dan tot een degelijke en nauwkeurige beschrijving van het leven van de onderklasse en de kleine man. Diezelfde kleine man wiens worsteling met de moderniteit in al zijn facetten voortaan het gezicht van de literatuur zou bepalen.
Maar terug naar eigen land. Je zou zeggen dat de nieuwe moderniteit met zijn extreme politieke winden, neoliberalisme, opleving van nationalisme, migratie, economische crisis, en al die sociaal-maatschappelijke processen die zich na de val van de Muur in onze samenleving voltrekken en deze ingrijpend veranderen en waar de kleine man zoals altijd de klos van is, je zou zeggen dat dat allemaal genoeg stof oplevert voor honderden vlammende, geëngageerde romans. Een walhalla voor een schrijver, toch? Kan hij eindelijk het perspectief van een schilderij of een ongeboren vrucht laten voor wat het is en zich storten op het echte leven dat erom schreeuwt om in een nieuw idioom getransformeerd te worden. En op die manier die krankzinnige mallemolen waar wij allemaal doorheen worden gehaald toch van enige vorm en dus betekenis voorzien.
Maar de stroom van boeken waarin postfortyunistisch, wildersiaans Nederland doorklinkt wil maar niet in de Nederlandse romankunst op gang komen. Eigenlijk ook niet echt in de romans waarop expliciet het etiket 'geëngageerd’ wordt geplakt.
Waarom wordt de literaire arena voornamelijk overspoeld door beschaafde, tandeloze vertellingen waarin alles als vanouds om de complexe identiteit van de schrijver en aanverwante complexe identiteiten lijkt te draaien? In de wereld van welgestelde mensen, die door Boris Pasternak of zijn protagonist dokter Zjivago treffend wordt getypeerd als de wereld waarin iets ongezonds school. 'Zij (die welgestelde mensen) hadden een massa overbodige dingen. Overbodige meubelen en overbodige kamers in hun huis, overbodige fijngevoeligheden, en een overbodige rijkdom aan uitdrukkingen.’ Zo'n kreeftenbevrijdingsfront is in wezen toch ook een groteske uitdrukking van een overbodige fijngevoeligheid. En de vraag is, waar ligt het aan?
Is de literatuur een even langzaam proces als bijvoorbeeld integratie?
Is het soms de erfenis van de Romantiek met zijn nobele, eenzame held met bijbehorende innerlijke woelingen die zich afzondert van de domme massa? Of van de idee van l'art pour l'art met zijn literaire autonomie die steeds hermetischer wordt beleden? Is een schrijver en dichter in het Westen vooral een uitvinder van fraai gevonden zinnen, zoals Milosz dat eens zei? Zijn schrijvers toch net gewone mensen en weerspiegelen zij derhalve de tijdgeest, althans de zichtbare facetten ervan, met zijn grenzeloze individualisme, zelfobsessie en zelfkoestering? Of moeten we het antwoord zoeken in een uitspraak van Nicolaas Matsier over de maatschappelijke relevantie van de literatuur. 'Vooralsnog worden schrijvers gerekruteerd uit de bourgeoisie… Men schrijft voor zijn eigen club. Ik weet dat de cultuur waar ik belang in stel, en waar mijn omgeving belang in stelt, ontoegankelijk is voor niet-bourgeoisie. Ik heb niet de neiging die grens te doorbreken.’
Met alle respect en bewondering voor alle bourgeois schrijvers die de mensheid hebben verblijd met prachtige boeken - denk alleen maar aan Svevo of Proust - vind ik dit in al zijn menselijkheid een nogal antiliteraire stelling over de literatuur.
Als we deze stelling verder doordenken, belanden we bij de schrijver als lid van een clan. Die in deze hoedanigheid voortdurend bezig is om te netwerken en zijn positie te versterken. Net als gewone burgers dat doen, medisch specialisten bijvoorbeeld of notarissen.
Dat de schrijvers schoentjes moeten kunnen kopen voor hun kinderen is een waarheid als een koe en wekt zelfs een zekere vertedering op. Je kunt er niets tegen inbrengen in een maatschappij waar alles om de economie draait, zonder voor een wereldvreemde zonderling versleten te worden. Bovendien heeft het beeld van de arme schrijver die op een zolder zit te ploeteren al lang zijn sex-appeal verloren. In een wereld waar de obsessie met sterrendom zo te zien nog lang niet zijn hoogtepunt heeft bereikt heet zo iemand gewoon een loser.
Maar het gaat niet alleen om de schoentjes, wachtlijsten voor groeischolen, inspirerende vakanties, hypotheken voor huizen in betere buurten - een beetje schrijver zorgt wel dat hij op stand woont - en al die andere materiële voorwaarden van een fatsoenlijk en soms zelfs bovenmodaal burgerlijk bestaan. Want de schrijversclan wil zich niet alleen onderscheiden van de gewone, niet schrijvende, saaie burger, hij wil ook de grenzen van de clan bewaken. De schrijversclan als een exclusieve geestelijke gated community met eigen statuten, regels, hiërarchie en deurbeleid.
De materiële verworvenheden dienen geconsolideerd en verdedigd te worden tegen andere clans, en tegen de wereld die steeds minder zachtzinnig wordt. Daarin onderscheidt een schrijver zich in niets van een niet-schrijver. Hetzelfde geldt voor zijn geestelijke basis, de codex van bepaalde opvattingen en ideeën over literatuur, een soort geestelijk monopolie, dat evengoed gecultiveerd en beschermd moet worden tegen allerhande indringers uit de wereld buiten de bovengenoemde clan. Prima voorwaarden om eigen soort te beschermen en te kweken, maar wat schiet de literatuur ermee op?
In mijn arme jeugd in een land waarin alle mensen gelijk waren, en je de enkelingen die gelijker waren dan de anderen amper zag, woonden alle sociale groepen door elkaar. Formeel was de Sovjet-Unie een klassenloze maatschappij. Je had natuurlijk wel prettiger oude wijken die zeer gewild waren, maar het gros van de bevolking, intellectuelen en schrijvers niet uitgezonderd, woonde gewoon in grauwe socialistische wijken, zeg maar gerust prachtwijken of probleemgebieden. De enige uitzondering vormde de schrijvers-elite, de vertegenwoordigers van de officiële sovjet-literatuur, die in ruil voor hun diensten in het propageren van de socialistische idealen beloond werden met betere huivesting, datsja’s, buitenlandse reizen en andere privileges waar een gewone burger slechts over kon dromen. Ik heb het echter over gewone intellectuelen en schrijvers die op scholen, universiteiten, uitgeverijen werkten en soms fysieke arbeid moesten verrichten om aan de kost te komen. Die vertaalden, redigeerden, bijlessen gaven, zo nu en dan iets schreven en er zelfs af en toe in slaagden iets gepubliceerd te krijgen.
Velen van hen waren niet rijker dan de arbeiders en zeker armer dan de verkopers, magazijnwerkers en automonteurs met wie ze hetzelfde slecht verlichte, naar kattenpis stinkende trapportaal deelden. Hun kinderen kregen Franse, Engelse, Duitse les van hun intellectuele vrienden, maar zaten op dezelfde school als de kinderen van de arbeiders, verkopers, magazijnwerkers en automonteurs. Zijzelf lazen Kafka, Hesse en Borges, vertaalden Faulkner, Petrarca, Seneca en Lao Tse maar stonden in dezelfde rij voor worst, laarzen en bustehouders als de rest van het sovjet-volk.
Het was een ellendig bestaan, zeker naar westerse maatstaven, in zo'n proletarische wijk waar je ’s avonds de kans liep door het plaatselijke tuig in elkaar geramd te worden, maar ik heb later in het Westen nooit zulke vrolijke, geestige, onbevangen en gulle mensen gezien als die sovjet-intellectuelen.
Door met het volk hetzelfde trapportaal en hetzelfde lot te delen, kenden ze het ook goed. 'Kennen’ dat wil zeggen iemand in de context van zijn leven en geschiedenis kunnen zien en plaatsen, zonder hem te idealiseren of te demoniseren. Een fout der onwetenden die denken dat ze iemand kunnen leren kennen uit boeken, kranten of uit de politiek correcte dan wel reactionaire ideeën van hun weldenkende dan wel populistische omgeving. Omgekeerd konden de intellectuelen zichzelf in de ogen van het volk zien, de complexiteit van hun zinnen en gedachten toetsen aan de vitale, weinig fijnzinnige en een stuk minder gecompliceerde levensvisie van de arbeidersklasse.
Het is een onzalige en mogelijk zelfs perverse gedachte, maar soms denk ik dat de Russische Revolutie ongewild toch iets goeds heeft opgeleverd. Een soort geluk bij een ongeluk, of liever gezegd bij een totale ramp. Een omgekeerde collateral damage. Door de intellectuelen en schrijvers of wat er van hen over is gebleven met dictatoriale hand in hetzelfde schuitje te zetten als de onderklasse heeft de duivelse staat hen van hun angst voor de massa, vooringenomenheid, eenkennigheid, overbodige fijngevoeligheid en egocentrisme bevrijd. En zo een voorwaarde geschapen voor een breder, rijker schrijverschap, zoals Elias Canetti dat voor ogen had. Diminishing noemde hij die voorwaarde, verkleining, die noodzakelijk was voor een denker en schrijver om mededogen met en verantwoordelijkheid voor de ander te kunnen voelen, de kleine man bijvoorbeeld, iemand uit een andere clan.
Maar de Nederlandse intellectuelen en schrijvers lijden aan microbenvrees. Je vindt ze niet gauw in een wijk die hemelsbreed tien, twaalf kilometer van het centrum van Amsterdam ligt. Of in welke andere prachtwijk dan ook.
Hun lelieblanke dochters moeten behoed worden voor loverboys, importcriminelen en andere louche figuren met onduidelijke inkomstenbronnen.
Jammer, want de intellectuelen en het volk hebben meer met elkaar gemeen dan je zou denken. Het wantrouwen jegens de macht bijvoorbeeld, die ook in een democratische samenleving onder het mom van veiligheid en andere nobele doelen steeds meer controle over de geesten wil uitoefenen, en derhalve goed in de gaten gehouden dient te worden. Door beide groepen.
En dan nog iets, typisch voor een intellectueel en schrijver. Verbijsterend, hoe verfrissend de fysieke nabijheid van de onderklasse en aanverwante sociale groepen op een creatieve geest kan werken. In het aangezicht van de rauwe, onopgesmukte en zeer ongezellige werkelijkheid sneuvelen alle aangeleerde literaire theorieën en humanistische maar ook reactionaire ideeën over de mens roemloos. De mens is tenslotte de grootste vijand van alle ideeën over de mens. Alle schitterende en wrede metaforen uit de wereldliteratuur schieten te kort om dit leven te definiëren dat zich vlak voor je neus afspeelt, in het hier en in het nu. Je zorgvuldig opgebouwde wereldbeeld wordt overhoop gehaald, volledig op z'n kop gezet. Je geest gaat steeds meer op een kamer lijken waar net ingebroken is.
Dit is menens. Sink or swim en vind jezelf opnieuw uit. En wie weet levert dit weinig aangename proces nog ’s een boek op dat niet volgens de regeltjes der schrijfwetenschappen tot stand is gekomen.
Maar voorlopig lopen de Nederlandse schrijvers en intellectuelen angstig door de papieren wereld van Wladiwostok van P.F. Thomése. Aan het handje van Fons Nieuwenhuis en zijn Pam:
'Dergelijke wijken kende hij [Fons] eerlijk gezegd voornamelijk uit documentaires die hij wegzapte. Het idee dat hij hier iets mee te maken had, kwam hem nogal irreëel voor… Het begon te regenen al merkten ze daar binnen er weinig van. Terwijl de ruitenwissers hun werk deden, viel de regen op de kapotjes en krantenresten, op de injectienaalden en de drollen, op de kapotte stoeptegels en de graffiti, de schotelantennes en de rondslingerende sportschoenen van aangerande, verkrachte, in elkaar geslagen en vermoorde anonymi, op heel dat vergeten leven dat er nu even was, omdat ze hier rondreden, maar dat er straks, als ze naar huis gingen, gelukkig niet meer zou zijn.
“Jee, zit ze in zo'n Marokkanenflat. Goh. Ze maakte op mij de indruk dat ze totaal aangepast was aan onze cultuur.”
“Dit is ónze cultuur, schat. Dat beton, die hele vuiligheid komt echt niet uit Marokko, dit is gewoon Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, en deze eindeloze woonwoestijn is doodgewone Hollandse tekentafelplanologie.”’
Zo is het maar net. Op naar het vergeten leven en schrijven maar!


In haar onlangs verschenen roman Honderd jaar gezelligheid (Prometheus) beschrijft de Nederlands-Russisch-Ests-tataarse schrijfster Sana Valiulina de wederwaardigheden van een idealistische vuilnisman in 'de buurt met de verkeerde postcode’, een buurt waarin de schrijfster overigens zelf woonachtig is

Sana Valiulina, Honderd jaar gezelligheid. € 17,95